Interview met A.FTh. van der Heijden

De prijs van het schrijven

A.F.Th. van der Heijden kreeg de AKO Literatuurprijs voor Het schervengericht. Op de route van Homo duplex, de romancyclus waarvan het einde nog niet in zicht is, was het slechts een tussenstation voor een schrijver die almaar door moet. ‘Als ik iets kies, pak ik dat totaal monomaan aan.’

‘Neemt u het mij niet kwalijk als ik vijf minuten buiten adem ben als we boven zijn.’

De werkkamer van A.F.Th. van der Heijden bevindt zich op de bovenste verdieping van zijn herenhuis in Amsterdam-Oud-Zuid. Het is drie steile trappen op. Stelt u zich het kantoor van een accountant in de ddr voor. De werkkamer van de schrijver doet in niets denken aan de elegante bibliotheek vol bustes, antieke globes en in leer gebonden overzichtswerken van de grote filosofen, waar hij eerder op de avond De Groene Amsterdammer ontvangt. Op een enkele poster na – een affiche van de verfilming van zijn Advocaat van de hanen – zijn de muren leeg. Grijze metalen kasten en opbergsystemen overheersen. Een totale afwezigheid van boeken valt op. Op een schouw staat de cheque die verbonden was aan het winnen van de AKO Literatuurprijs. Waarde: vijftigduizend euro.

De kamer loopt over de gehele lengte van het huis, misschien twintig meter, met in het midden een lange tafel waarop honderden multomappen staan. Elke map is genummerd en heeft een post-it op de kaft met een kleine beschrijving. ‘Nog te monteren’; ‘Geheel verwerkt’; ‘Zora verspreid’; ‘Vondeling definitief’. In het literaire universum van Van der Heijden zijn geen toevalligheden. Elk idee, elke verhaallijn wordt op de juiste plaats bij het juiste verhaal of personage gearchiveerd. Omdat de schrijver niet op een computer werkt maar op een IBM Lexmark-typemachine, kopieert hij elke tekst voordat hij deze opbergt. A.F.Th.: ‘Ik gooi nooit iets weg. Alles moet op tafel blijven liggen. Er moet een appèl van uitgaan dat zegt: “Hé: ik moet ook nog afgemaakt worden.”’

Hij wijst naar een serie mappen, gerangschikt van 31 augustus 1997 tot 25 april 1999. Het is een dagboek dat de gebeurtenissen in Mim en De Movo tapes bijhoudt_,_ twee essentiële teksten van de _Homo duplex-_cyclus waar de schrijver nu aan werkt. De bladzijden zijn gevuld met gekopieerde stukjes tekst of bevatten korte opmerkingen waarmee de schrijver zijn verhaal kan bijhouden: ‘1 november, dag 57. Movo zoekt Nier.’

‘Mocht er iets met mij gebeuren, dan zou Querido dit zo kunnen uitgeven.’ Om zijn werkwijze verder te illustreren trekt hij nog een multomap uit de eindeloze reeks – ‘Zora’s Zwangerschap’ staat erop, naar de moeder van Movo, de spil uit de romancyclus Homo duplex – en gooit deze op een volstrekt willekeurige pagina open. ‘ZORA’s KUT’ staat er bovenaan, gevolgd door flarden tekst met expliciete beschrijvingen.

Er valt een ongemakkelijke stilte tussen schrijver en interviewer. ‘Nou ja’, zegt Van der Heijden uiteindelijk. ‘Dat soort dingen moet nu eenmaal ook beschreven worden.’

Laten we het in dit interview niet over het Grunberg-gedoe hebben.

‘Graag. Daar ben ik helemaal klaar mee.’

Bij de uitreiking van de AKO-prijs bedankte u uw uitgeverij, omdat er elke dag een redacteur was langsgekomen die u uit uw bed lichtte, aan het werk zette en aan het einde van de dag de velletjes tekst ophaalde. Heeft u zo’n stok achter de deur nodig om te werken?

‘Toen ik aan Het schervengericht werkte, was ik volledig ondergedompeld in mijn materie. De Movo tapes, de start van de Homo duplex-_cyclus, was inmiddels al een tijd verschenen en dat was een boek waarin allerlei karakters geïntroduceerd werden, vol open eindes. Ik wist dat ik nog een tijd met _Het schervengericht zou bezig zijn, maar ik wilde toch graag de aandacht op de cyclus houden. Dus moest De Movo tapes vlug een opvolger hebben. Dat werd Drijfzand koloniseren, een novelle die al een tijd, half af, op de plank lag.

Voor mij was dat een marginaal boek, zeker in verhouding tot waar ik aan werkte, en ik ging ervan uit dat de publicatie me niet van de wijs zou brengen. Daar heb ik me in vergist. Er komt toch een boek van je uit. En hoe dat dan wordt ontvangen interesseert me niet zo, maar er was ook nog een kwestie dat ik het boek in eerste instantie alleen aan een winkelketen had gegund, waar mensen zich over opwonden. Enfin, het leidde me af en ik kreeg een inzinking. Het schervengericht viel stil.

Schertsend merkte ik toen op dat er eigenlijk iemand bij Querido zou moeten zijn die me uit bed belde, een peptalk gaf en me achter de typemachine zette. Zoiets zou ik normaal nooit durven verzoeken, maar via mijn vrouw kwam dat toch bij de uitgeverij terecht en daar nam Sander Blom die taak geheel vrijwillig op zich. Hij bezocht me dagelijks en die regelmaat vond ik al snel zeer prettig.’

Over wat voor werktijden spreken we dan?

‘In die dagen stond ik om half acht op en zorgde ik dat ik om half negen, enigszins gesoigneerd, met koffie en een koek, Sander kon ontvangen. Daarna praatten we een uur over het werk in aanbouw, vertrok hij en ging ik aan de slag. Om kwart over vijf des namiddags kwam hij dan weer terug. Ik merkte dat ik een bepaalde trots ontwikkelde om hem een goede productie mee te geven.’

Wat is voor u een goede productie?

‘Jack London, een door mij bewonderde Amerikaanse schrijver, schreef altijd precies duizend woorden per dag. Dat deed hij ’s ochtends. Daarna ging hij lunchen, paardrijden, zwemmen en jagen. En ’s avonds was het social time en kon hij drinken met vrienden. Dat moet, voor een schrijver, toch een heel fijne daginvulling zijn.

Als ik op dreef ben zijn duizend woorden te weinig. Ik gok op het dubbele. Ik typ nog steeds, ik gebruik – nóg – geen computer en dan kom ik meestal op drie, vier A4’tjes. Maar zes is ook haalbaar.’

Heeft u randvoorwaarden om tot die productie te komen?

‘Bij voorkeur hul ik mezelf in wijde, ruime kleding. Zodat niets me beklemt, zodat ik niets voel. Ik heb een cd-machine waar vierhonderd cd’s in kunnen die achter elkaar gespeeld kunnen worden. Hierop staat klassieke muziek, en dan écht klassieke muziek. Hoewel ik de negentiende-eeuwse Romantiek kan hebben, wil ik geen moderne, twintigste-eeuwse componisten.’

Heeft u een favoriet?

‘Mijn smaak is gevarieerd bij het werken – Bach, Mozart, Haydn, Beethoven. De grote klassieken. Ik ben een leek op muziekgebied. Ik kan geen noot lezen en bespeel geen enkel instrument, maar op een intuïtieve manier heb ik veel van muziek geleerd. Vooral wat contrapuntiek betreft, het verbinden van totaal verschillende melodielijnen, waardoor toch een meerstemmige melodie ontstaat. Soms, in een helder moment, nemen melodieën en symfonieën bijna woorden aan en is het alsof ik kijk hoe een componist een roman in elkaar aan het zetten is. Ergens loopt er een lijn van wat er in mijn werkruimte op de achtergrond gemusiceerd wordt naar wat ik op papier zet.’

Kunt u die lijn concreet aanwijzen?

‘Nee, helemaal niet. Daarvoor is het te intuïtief.’

Schrijft u in afzondering?

‘Ik heb de hele bovenverdieping voor mezelf. Als ik werk, zo tussen kwart voor tien en kwart over vijf, wil ik daar zo lang mogelijk blijven zitten. Ik las dan ook geen lunchtijd in.’

Bent u dan bereikbaar?

‘Ik heb een mobiel telefoontje dat meestal op scherp staat, maar weinig mensen hebben dat nummer. Mijn uitgeverij moet mij kunnen bellen en als Mirjam, mijn vrouw, iets nodig heeft moet dat ook kunnen. En dan ga ik echt niet lopen vloeken als ik net in een mooie zin zit.

In de loop der jaren zijn de dingen die me konden afleiden bij het schrijven minder geworden. De querulant die in mij schuilt kon zich nog wel eens druk maken als ik net besloten had aan die nieuwe roman te beginnen en er dan net storm of mist was, waardoor alle grote vliegtuigen hier laag over kwamen: “Zie je wel! Ze spannen samen tegen mijn schrijven!” Naarmate je ouder wordt en meer gedisciplineerd in je werkmethode slijt dat eruit.’

Discipline, geluk en talent worden altijd genoemd als de drie onmisbare factoren voor een schrijver. Die discipline is er dus niet altijd geweest?

‘Dat heb ik mezelf zeer zeker moeten aanleren. In feite is talent praktisch, slechts een deel van het instrumentarium van een schrijver. Discipline is belangrijker. Ik geloof niet in inspiratie die ineens uit de hemel komt vallen. Je moet eerst gaan zitten: ruimte maken in je leven, ruimte maken in je dag, in je huis. Het beeld dat Hermans ooit schetste – van een dichter die midden in de nacht wakker wordt om met een oogpotlood die ene geniale regel op een hak te schrijven – is voor mij niet van toepassing.

Mijn eigen woord hiervoor is “dixiepline”, een combinatie van discipline en dixielandmuziek. Het is misschien verwant aan wat Nietzsche “die fröhliche Wissenschaft” noemde. Wetenschap moet dansen, wetenschap moet ook plezier zijn – dan kom je pas tot de waarheid. Discipline is voor mij niet iets strengs, maar iets waar je houvast aan hebt en mee door de dag danst. Mijn dixiepline maakt mij een beter mens, rustiger, ik merk het aan mijn omgeving.’

Kunt u eigenlijk nog iets anders dan schrijven?

A.F.Th. van der Heijden: ‘Dat doet me denken aan Cees Nooteboom: “Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één.” In een nostalgische notie zou je kunnen zeggen dat ik veel heb laten schieten, maar als ik iets kies, dan pak ik dat totaal monomaan aan. En literatuur is het mij waard een heel leven aan te wijden.’

Wanneer besefte u voor het eerst: ik kan een roman schrijven?

‘Ik was verliefd op een meisje, in de winter van 1972, en ik herinner me dat ik op haar kamer een collegedictaat zat uit te werken, terwijl zij languissant op bed een boekje van Pé Hawinkels, toentertijd de literaire koning van Nijmegen, lag te lezen. Ik hau van Holland heette het, en ze barstte regelmatig in lachen uit als er weer een mooie zin voorbij kwam. Daar had ik de pest over in. Helemaal toen ze vertelde dat ze een keer met hem in een snelle auto dwars door Nijmegen was gescheurd, terwijl hij een joint rookte en deze steeds keurig aftipte op het uitklapbare asbakje in het dashboard. Toen bleek dat hij haar ook nog eens een _Antigone-_vertaling had gegeven was het één en al minnenijd tussen Hawinkels en mij, waarop ik dacht: dat kan ik ook, en beter!

Ik was een Nijmeegse student en ik wist helemaal niets van de Amsterdamse uitgeverswereld. Mijn manuscript, getiteld Kermis in de hel, was zwaarlijvig en ik bedacht dat ik Thomas Rap, die juist alleen kleine, slanke romans publiceerde, daar een groot plezier mee deed. Zelden was hun afwijzing, “uw werk past niet binnen de aard van ons fonds”, zo gemeend.’

Bent u nooit bang de lezer weg te jagen met zulke zwaarlijvige romans?

‘Ik ben niet zo’n egomaan die denkt dat de lezer maar moet pikken wat ik schrijf. Maar ik verwacht wel veel van hem. Het schervengericht is 1050 pagina’s, met uiteenlopende verhalen erin. Qua stijl houd ik daar dan rekening mee. Minder lange zinnen, filosofieën van karakters rustiger presenteren. De lezer moet het kunnen behapstukken.

Als ik schrijf denk ik niet aan de kliek lezers, om het oneerbiedig te zeggen. Dat is een te abstracte massa. Wel heb ik vaak individuen in gedachten als ik aan een specifieke scène werk – collega’s, mijn broer, mijn vrouw, mensen waarvan ik denk dat zij dat kunnen waarderen.’

Waarom kiest u steeds voor die cycli? Eerst ‘De tandeloze tijd’, nu ‘Homo duplex’?

A.F.Th. van der Heijden: ‘Laten we voorop stellen dat Oedipus van Sophocles de vroegste en niet te overtreffen detective uit de wereldgeschiedenis is. Homo duplex is daar een variatie op. Uit zelfverdediging doodt een reiziger iemand. De reiziger komt vervolgens in een stad waar iedereen treurt om de moord op hun koning, waarop de reiziger de nieuwe koning wordt en zweert dat hij de moordenaar zal vinden. Hij gaat op zoek en komt vervolgens bij zichzelf uit.

Dit thema sprak ik al aan in het vooralsnog laatste deel van De tandeloze tijd, Advocaat van de hanen. Hierin gaat een advocaat op zoek naar de getuige van een moord in een politiecel om erachter te komen dat hij zelf die getuige was. Nu doe ik dat weer, maar veel uitgebreider.’

Is het niet hybris – om met de Grieken te spreken – om uzelf te meten aan Sophocles, naar uw zeggen de beste detectiveschrijver aller tijden?

‘Ik probeer me niet aan hem te meten, maar een eigentijdse variant te schrijven. De naamloze Apollo, die het verhaal vertelt, vlucht van huis en voelt zich direct thuis in onze Randstad, waar Rotterdam en Amsterdam als twee klassieke stadstaten tegenover elkaar staan – in mijn verhaal vertolkt door de concurrerende hooliganverenigingen van “Adam” en “Erdam”. De uitdaging schuilt er voor mij in een zo herkenbaar mogelijke setting te scheppen.

Het hoogste dat je in de literatuur kunt bereiken is de “Schitterende mislukking”. Een boek dat geweldig hoog van de toren blaast hoeft het niet per se te redden. Het gaat erom dat jij als schrijver hebt laten zien dat je niet op safe hebt gespeeld, dat je geprobeerd hebt het onmogelijke te bereiken. Dat is de inzet van Homo duplex; ik wil Movo uiteindelijk een methode laten vinden waarmee het hem lukt het onmogelijke boek te schrijven, Gedichten Gods. Dat onmogelijke boek, dat is het einddoel.’