De prijs van quango’s de dictatuur van de vrije markt

De privatisering brengt tal van ‘quasi non-gouvernementele organisaties’ ofte wel ‘quango’s’ voort. Bevolkt door duur betaalde bestuurders. Hoe de reeel bestaande sociaal-democratie kennis, macht en inkomen onder partijgenoten verdeelt.
‘DE OPMARS VAN de markt is een regelrechte bedreiging voor de democratie’, schrijft Thijs Woltgens in zijn boek De nee-zeggers dat begin deze week in Nieuwspoort ten doop werd gehouden. De PvdA-senator en burgemeester van Kerkrade haalt op bijna elke pagina hard uit naar het vrije-marktdenken in de landspolitiek en binnen zijn eigen partij. Wie het primaat van de politiek naar de markt verlegt, aldus Woltgens, verraadt het beginsel van publieke dienstbaarheid en vernietigt op den duur de democratie.

De door het kabinet bepleite aanpassing aan de wereldmarkt is een heilloze weg, want de ‘Internationale van het Geld’ dwingt elke regering tot sociale afbraak, denivellering en bezuiniging. In Nederland doet het er allang niet meer toe of kabinetten rooms-rood, paars of geel met blauwe noppen zijn: 'De regeringen en de grote partijen zijn onderling inwisselbaar, de hoofdlijnen van de politiek veranderen niet. Daarom kan iedereen met iedereen samenwerken.’ Intussen neemt de sociale ongelijkheid toe en groeit de gevreesde maatschappelijke tweedeling: tegenover een elite van fiscale wereldburgers staat een onderlaag van mensen die niets van de markt te verwachten hebben. Beide groepen hebben hun loyaliteit aan de democratische staat opgezegd, met dit verschil dat de elite zich op kosten van die staat verrijkt terwijl de verliezers weinig anders overblijft dan 'nee’ te zeggen en de maatschappij de rug toe te keren, aldus Woltgens, wiens analyse op dit punt zwaar leunt op Amerikaanse auteurs als Galbraith en Reich.
Woltgens’ schrikbeeld is de visie van Milton Friedman, waarin elk levensgebied doortrokken is van de werking van de markt en het streven naar particulier gewin: 'Dit economisch imperialisme, waaraan de moraal wordt onderworpen, is de meest fundamentele bedreiging van de democratie.’ Als de hebzucht wordt verheven tot publieke deugd, dat wil zeggen tot motor van de vooruitgang, denken politici en ambtenaren al gauw alleen nog aan hun eigen carriere. 'Als het marktdenken de overheid beheerst, is er geen reden meer om de overheid nog een aparte plaats te geven naast de markt’, aldus Woltgens. 'Zo'n overheid is te koop. En daarmee is datgene wat ooit corruptie genoemd werd, gewone handel.’
Alleen een terugkeer naar het ideaal van publieke dienstbaarheid - Woltgens spreekt van een 'moderne devotie’ naar het voorbeeld van de laat-middeleeuwse kloosters - kan de democratie nog redden.
ALS OM ZIJN waarschuwing te onderstrepen, werd Den Haag de afgelopen weken geteisterd door schandalen rond inhalige overheidsdienaren. Met de gouden handdruk voor de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck nog vers in het geheugen moest de Kamer zich buigen over de byzantijnse kuiperijen van het Ctsv-bestuur. Het door staatssecretaris Linschoten benoemde trio Van Leeuwen (VVD), Van Otterloo (PvdA) en Van Rooijen (CDA) had bij zijn aanstelling een gezamenlijk jaarsalaris van acht ton bedongen. Na hun ontslag vanwege gebleken incompetentie blijken de drie aanspraak te maken op nog eens 1,8 miljoen gulden aan salaris en wachtgeld.
Door de excessieve honoraria die oud-politici, topambtenaren en adviesbureaus tegenwoordig kunnen bedingen, dringt de vergelijking met Groot-Brittannie zich op. Daar heeft de privatisering van grote delen van het overheidsapparaat tot zulke excessen geleid dat het parlement een Committee on Standards in Public Life in het leven riep. De commissie had haar handen vol aan het doorlichten van de honderden 'quasi-nongovernmental organisations’, kortweg 'quango’s’, die het openbaar bestuur hebben overgenomen.
De auteur Simon Jenkins schrijft in The Rise of the Quango State dat het landsbestuur praktisch genationaliseerd is door de Conservatieven. Gekozen besturen hebben geen beleidsruimte meer door de strenge budget-eisen die de centrale overheid stelt. Anderzijds zijn bijna alle essentiele taken hun ontnomen.
Gezondheidszorg, huisvesting, arbeidsbemiddeling, onderwijs en nutsvoorzieningen zijn stuk voor stuk uitbesteed aan quango’s, die vervolgens werden bemand met conservatieve politici, zakenlieden en hoge ambtenaren. Veel van deze nieuwe regenten rekenen zichzelf, ondanks hun aantoonbare incompetentie en inefficientie, torenhoge salarissen toe.
Net als bij de samenstelling van het Ctsv-bestuur ligt bij benoemingen in de Ser en andere advies- en bestuursorganen steeds vaker het accent op partijpolitieke achtergrond in plaats van deskundigheid. De relatieve machteloosheid van de overheid, het afnemend belang van politieke partijen en het dalende prestige van kamerleden leiden ertoe dat politici elkaar aan banen helpen. Daarbij hebben ze een achterstand in te halen op de ambtenaren, die dank zij de privatiseringswoede van de jaren tachtig beschikken over een uitgebreid jachtterrein van zelfstandige bestuursorganen, de zogenaamde ZBO’s.
In zijn jaarverslag over 1994 velde de Algemene Rekenkamer een vernietigend oordeel over de 545 Nederlandse ZBO’s, van het Loodswezen tot de Informatie Beheer Groep. In totaal gaat er bij de ZBO’s jaarlijks voor 160 miljard gulden gemeenschapsgeld om. Bij steekproeven kwam de Rekenkamer heel wat buitensporige salarissen, honoraria voor overbodige organisatie-adviezen en naar corruptie riekende gevallen van belangenverstrengeling op het spoor. Zoals een voormalig statenlid voor de PvdA, Jan Beijert, onlangs in het Nieuwsblad van het Noorden schreef: 'Bevorder een ambtenaar tot schaal 18 en hij begint op slag obscure congresjes af te lopen om daar de kachel aan te maken met zijn broodheer a raison van 1500 gulden per spreekbeurt.’
Bij partijen als het CDA, dat in wisselende samenstelling bijna honderd jaar het centrum van de macht bezet heeft gehouden, en de VVD, die vanouds het werkgeversstandpunt vertegenwoordigt, is het niet verwonderlijk dat veel fractieleden er betaalde commissariaten, directeur- en adviseurschappen op na houden. Van de PvdA mag je hogere verwachtingen koesteren, zoals Woltgens terecht stelt.
Maar is de doordringing van markt en politiek in de PvdA niet al veel te ver voortgeschreden? Juist in de week dat er bij Fokker vijfduizend ontslagen vielen, werd bekend dat twee scheidende bestuurders van het Verenigd Streekvervoer Nederland (VSN) in totaal vijf miljoen gulden aan gouden handdrukken meekrijgen. De VSN ontvangt jaarlijks bijna een miljard gulden overheidssubsidie en is voor honderd procent in handen van de Nederlandse staat. Maar de VSN is semi-zelfstandig en dus liet minister Jorritsma weten: 'Ik wist van niks, ik kon niks weten en ik wil het ook een volgende keer niet weten.’
Wie er wel van wist was Ruud Vreeman, ex-vakbondsbestuurder, PvdA-voorzitter, kamerlid en commissaris bij de VSN. Uiteraard verdedigde Vreeman zich door te zeggen dat zulke bedragen in het bedrijfsleven gebruikelijk zijn en dat hij er als commissaris niet aan ontkwam om de regeling goed te keuren.
De hamvraag is natuurlijk wat hij als PvdA'er in een raad van commissarissen te zoeken heeft. Hij kan toch onmogelijk tegelijk het landsbelang, partijbelang, bedrijfsbelang en werknemersbelang dienen? Het antwoord luidt helaas dat commissaris Vreeman geen buitenbeentje in de partij is. In de PvdA zijn diverse circuits ontstaan van partijgenoten die hun politieke achtergrond te gelde maken.
Het publiekrechtelijk circuit wordt aangevoerd door Wim Duisenberg, die na zijn ministerschap van Financien in het kabinet-Den Uyl niet wist hoe snel hij de opgedane expertise aan de hoogste bieder moest verkopen. Via commissariaten bij KLM, DSM, Nutricia, Douwe Egberts en andere grote bedrijven klom hij op tot vice-president van de Rabobank en werd hij in 1981 directeur van de Nederlandsche Bank. Sindsdien wendt de socialist Duisenberg al zijn brille aan voor het handhaven van de koers van de gulden op precies 1,13 DM.
In de Ser ontmoet Duisenberg weer andere partijgenoten, zoals de kroonleden professor D. J. Wolfson en Meiny Epema-Brugman. In 1991 werd Wolfson - adviseur van de Wereldbank alsmede commissaris bij onder meer Delta Lloyd, ABN en KPMG Klynveld - door de PvdA uitverkoren om rapport uit te brengen over de toekomst van de verzorgingsstaat. Het oud-PvdA-kamerlid Epema-Brugman is officieel kroonlid van de Ser, maar gezien haar commissariaten bij DSM, Unilever, Hoogovens, ABN/Amro en de Rotterdamse Droogdok Maatschappij alsmede haar voorzitterschap van de Commissie Reactorveiligheid, de Algemene Energieraad en de Commissie Verpakkingen, is zij goedbeschouwd een werkgeverslid van de Ser.
OOK IN HET TWEEDE echelon van de PvdA vindt een onophoudelijke spreiding van kennis, macht en inkomen onder partijgenoten plaats. Een sterk staaltje leverde de voormalige PvdA-burgemeester van Groningen, Jos Staatsen, die als KNVB-voorzitter na rijp beraad de voetbalrechten aan zichzelf verkocht. In het voetbalwereldje wemelt het van zulke fop-socialisten. Staatsens voorganger, de huidige NOS-directeur Andre van der Louw, was er zo een. En niet te vergeten burgemeester Pijlman van Dedemsvaart. Als voorzitter van de voetbalclub Emmen koos Pijlman in de beslissende KNVB-vergadering over uitzendrechten voor het grote geld. 'Ik ben voorzitter van een betaald-voetbalclub’, zei hij tegen de Volkskrant: 'Mijn politiek-maatschappelijke ideeen moet ik elders stallen.’
Kameraad Staatsen duikt ook weer op in het circuit van PvdA-bedrijfsadviseurs, waar hij werd voorgegaan door coryfeeen als de socialist Arie van der Zwan, die afschaffing van het minimumloon voor migranten bepleit, en professor Roel in ’t Veld, kwaliteitsimpuls te Rotterdam. Maar Staatsen heeft het wel bijzonder goed geschoten en zijn werkzaamheden bieden een aardig doorkijkje in de reeel bestaande sociaal-democratie in ons land. Naast zijn KNVB-baan werkt Staatsen voor De Boer en Croon Group (BCG), een Amsterdams organisatiebureau met zeventig medewerkers. BCG int naar verluidt een miljoen gulden per maand voor haar diensten, maar is niettemin een 'ethische club’, zei een medewerker op de radio. Op die bewering valt nogal wat af te dingen. Zo kwam BCG in 1993 in opspraak toen een medewerker van de Vereniging van Nederlandse Bejaardenoorden (VNB) een koehandel tussen zijn superieuren en de BCG onthulde.
De VNB-koepel, waarbij 1600 bejaardenoorden zijn aangesloten, versleet een eindeloze reeks interim-managers van BCG, die stuk voor stuk tegen een salaris van drieduizend gulden per dag de door BCG gesignaleerde 'bestuursproblemen’ moesten oplossen en daar telkens net op tijd in faalden, zodat de volgende BCG-manager aan de slag kon. VNB-voorzitter Korver (ook PvdA) liet in samenspraak met deze managers organisatie-onderzoeken verrichten door weer een ander bureau, De Boer & Partner. Naar later bleek was De Boer niemand minder dan Korvers eigen vrouw; de 'partner’ was de heer Korver zelf.
Niet alle VNB-bestuurders waren verrukt van de wijze waarop BCG en consorten de Nederlandse bejaardenzorg tilden. 'Een stelletje zakkenvullers’, was het oordeel van de Gelderse bestuurder Elijzen: 'Ze inventariseren wat en maken een leuk rapportje. Blablajongens zijn het.’
BIJ DE RECENTE deconfiture van het Emmense gemeentebestuur was een hoofdrol weggelegd voor een andere PvdA-coryfee. Terwijl hij de gemeente volgens de gebruikelijke BCG-methode doorlichtte, liet Staatsen zich ditmaal seconderen door ex-minister en ex-burgemeester van Amsterdam Ed. van Thijn. Voor een honorarium van vijfduizend gulden per dag voerden de heren 'gesprekken’ op het gemeentehuis, schreven een rapportje van 26 kantjes met een onduidelijke conclusie, en bevalen ze een 'verbeteringsplan’ aan dat bij voorkeur moet worden uitgevoerd door een interim-burgemeester. Als zodanig wordt nu de naam van Van Thijn genoemd. De lezer trekke zijn eigen conclusies.
En dat terwijl de politieke verantwoordelijkheid voor de Emmense bestuursproblemen voor de hand lag. De Emmense burgemeester Lensen (ook PvdA) hield er namelijk 24 betaalde nevenfuncties op na, zodat hij nauwelijks tijd overhield voor zijn burgervaderlijke plichten. In het BCG-rapport wordt hierover geen ophef gemaakt. Nu zijn ontslag aanstaande is, wordt Lensen in de wandelgangen getipt als burgemeester van Den Bosch - wat zou neerkomen op een promotie - of als toekomstige medewerker van BCG - wat zou neerkomen op zijn toetreding tot het gilde van PvdA-miljonairs.
Intussen flikte Staatsen nog even hetzelfde kunstje in de probleemgemeente Zaanstad, waar hij voor zijn sporadische onderzoekingen ten stadhuize tussen september 1995 en januari 1996 het feestelijke bedrag van 460.000 gulden opstreek. Zijn eindrapport was zo nietszeggend dat het volgens Zaanse raadsleden 'voor elke gemeente geschreven had kunnen zijn’. De definitieve rekening bedraagt naar verwachting meer dan een miljoen.
'DE SOCIAAL-DEMOCRATIE is verloren als zij niet de frontale aanval op het neoliberalisme inzet’, besluit Woltgens zijn boek. Dan zal hij om te beginen de tollenaars uit de tempel moeten ranselen. Maar stel dat het PvdA-bestuur zich het vergeelde congresbesluit uit 1992 herinnert, waarin wordt gevraagd om de benoeming van een commissie voor het schrijven van een nieuw beginselprogramma, en stel dat Woltgens daarvan voorzitter wordt. Dan ontstaat een interessant dilemma. Als de PvdA de nee-zeggers weer een stem wil geven, zoals Woltgens wil, zal zij zich moeten ontdoen van de ja-knikkers in de leiding. Wil de Nederlandse sociaal-democratie weer geloofwaardig worden, dan zullen heel wat quasi-liberalen, schertsfiguren en uitvreters het veld moeten ruimen. In bedrijfskundige termen: de reorganisatie van de PvdA volgens het plan van adviseur Woltgens vergt een forse afslankingsoperatie. Zeg maar gerust een massaontslag.
Met dank aan Mark van Dongen