Emmanuel Carrère in Parijs, 2020. In Frankrijk zijn een paar honderdduizend exemplaren van _Yoga_ verkocht © Franck Ferville / Agence VU / ANP

De nagenoeg universele lof voor zijn Andere levens dan het mijne is een beetje gênant, zei de Franse schrijver Emmanuel Carrère in een Paris Review-interview, een aantal jaren geleden. Nog steeds kreeg hij brieven van lezers die het gevoel hadden dat zijn boek hun leven had veranderd.

Gênant, omdat zijn memoires daarvoor, Een Russische roman, juist was verguisd als pornografisch, neurotisch, exhibitionistisch. ‘Ik ging van ontspoorde kleine viezerik naar de Moeder Teresa van de letteren.’

Ik las eerst dat interview, daarna pas Andere levens dan het mijne (2009). Het gekke is dat ik ondanks de daardoor hoge verwachtingen moest erkennen dat je het inderdaad welhaast onmogelijk met droge ogen kunt lezen. Terwijl er niets spectaculairs gebeurt, nergens op het sentiment wordt gespeeld. Misschien is dat het geheim. Andere levens dan het mijne begint op Sri Lanka, waar Carrère met zijn geliefde kerstvakantie viert, in de schaduw van een relatiecrisis, wanneer de tsunami van 2004 het eiland overvalt. Ze zijn veilig voor het water, hun hotel is hoger gelegen, maar een ander Frans stel dat ze daar hebben leren kennen mist hun dochtertje van vier, Juliette – in de chaos gaan ze ziekenhuis na ziekenhuis af, om haar uiteindelijk in een mortuarium terug te vinden.

Kort daarna, terug in Frankrijk, sterft een andere Juliette, een 33-jarige rechter, de zus van Carrère’s vriendin. Hij was nooit bovenmatig in haar geïnteresseerd, bourgeois als ze leek vanuit Carrère’s hoogverheven schrijversbestaan (in al zijn boeken schrijft Carrère met vrolijke zelfspot over het Parijse intellectuele snobisme). Haar dood kwam niet onverwacht: ze had al vaker kanker gehad, was er mindervalide door geworden. Ze liet twee dochtertjes en een echtgenoot na, die Carrère niet heel persoonlijk kende.

Maar één ding blijft hem bij. Daags na haar overlijden worden ze min of meer gesommeerd door Étienne, een andere rechter – ook invalide – die een paar jaar met Juliette samenwerkte. Ze was een geweldige rechter, zegt hij. We waren geweldige rechters.

Het is de manier waarop hij het zegt die Carrère treft. En Étienne voegt er tegen hem aan toe: Misschien is dit iets voor jou.

Dus als ik het goed begrijp, zegt zijn vriendin later, wil je een boek schrijven over twee rechters, werkzaam in het schuldrecht, die allebei invalide zijn, niet eens een affaire met elkaar hebben – en een van hen gaat ook nog eens dood?

Het boek laat zich verder niet navertellen, of laat zich in ieder geval niet navertellen zonder dat het banaal klinkt. In Carrère’s typische combinatie van memoires, biografie, journalistiek en letterkunde komt alles in het boek tot bloei; Étienne, Juliette, haar man, hun kinderen, ze komen volledig tot leven, in hun doodnormale bestaan. Hun minutieus beschreven werk in schuldrecht is doorwrocht technisch en tegelijk fascinerend om te lezen. Van heel nabij observeert Carrère de manieren waarop mensen met rouw en ziekte omgaan, de manieren die ze verzinnen om overeind te blijven, te overleven. De afstand tussen hem en Juliette verdwijnt volledig, net als tussen de lezer en Juliette. Al is de vergelijking wat gezocht, het boek voelde aan alsof je Tolstojs De dood van Ivan Illjitsj leest, maar dan vreemd genoeg speelser, monterder. Als De Arbeiderspers zo vriendelijk zou zijn het opnieuw uit te geven, dan weet ik het komende jaar alvast wat ik iedereen cadeau doe met Sinterklaas, Kerst en verjaardagen.

Vóór Andere levens dan het mijne was Carrère al een veelgevraagd journalist, daarna werd zo’n beetje elk boek van hem een bestseller – wat Michel Houellebecq is voor de Franse fictie, is hij voor de Franse non-fictie, wordt vaak gezegd. In Nederland kreeg hij in 2013 voor Limonov, een biografie van de Russische dichter-terrorist met wie hij ooit half bevriend was, de Europese Literatuurprijs.

Heel even keert Carrère terug naar dat Sri Lankaanse hotel in zijn nu net verschenen boek, Yoga – heel soepel vertaald door Floor Borsboom. Hij herinnert zich dat in de directe nasleep van de tsunami een meditatiegroep aanwezig was in het hotel, die zich volledig afsloot van de panikerende gasten en reddingwerkers en in retraite bleef. Precies die afzondering zoekt Carrère begin 2015 zelf, wanneer hij tien dagen op vipassana-retraite gaat in de Morvan, in Midden-Frankrijk.

Yoga gaat over de illusie van controle over het lichaam en de geest, en over het onvermijdelijke falen

Zo’n vipassana is ‘een commandotraining in mediteren’, waarin er geen contact met de buitenwereld mag zijn en de deelnemers onderling zo min mogelijk communiceren. Yoga is al decennia voor Carrère een uitlaatklep. Voor hem is het niets zweverig, of spiritueels. Het gaat hem puur om het lichamelijke aspect. Uitvoerig beschrijft Carrère het indrukwekkendste dat hij in zijn leven heeft gezien: een Chinese yogameester die een simpele vechtsportbeweging zo langzaam doet dat hij vijfentwintig minuten duurt, zonder dat hij ooit stilvalt (volgens Carrère haalde hij hooguit twee keer adem). ‘Now fast’, zegt hij daarna, ‘en werd onzichtbaar. Ik maak geen grapje, ik overdrijf niet. Het was alsof hij was opgegaan in een andere dimensie’, schrijft hij, zo bliksemsnel herhaalt de meester de beweging.

Dat wilde Carrère allemaal opschrijven, vertelt hij – een klein, bescheiden, elegant boekje over wat meditatie voor hem betekent (‘Mediteren is alles wat er in je binnenste gebeurt in de tijd dat je roerloos en zwijgend blijft zitten. Je vervelen, dat is mediteren. Pijn in je knieën, je rug, je nek, dat is mediteren. Piekergedachten, dat is mediteren. Geborrel in je buik, dat is mediteren’). Maar dan, halverwege de retraite, wordt hij eruit gehaald; er is iets in Parijs gebeurd. Charlie Hebdo. Terrorisme. Paniek. De econoom Bernard Maris, de nieuwe geliefde van een goede vriendin, is onder de doden.

Het tweede deel vanYoga is een val, in een diepe depressie die tot een gedwongen opname en elektroshocks leidt. Tot op zekere hoogte erkent Carrère dat het hem niet lukt, nu, achteraf, te beschrijven hoe diepongelukkig hij was, en waarom. Had het met Charlie Hebdo te maken? Met zijn affaire die zijn huwelijk deed kapseizen? Met de onderbroken vipassana?

Een depressie laat zich niet uitleggen – al ligt dat in dit geval misschien ook aan de stijl van Carrère, die waar hij dan ook over schrijft, telkens zelfrelativerend is, ingehouden grappig. Hooguit kan Carrère de depressie laten zien, al vertelt hij dat hij het pas zag via de blik van iemand anders. Hij heeft een interview met Wyatt Mason, een Amerikaanse journalist van The New York Times Magazine. Eigenlijk moet hij die afspraak niet laten doorgaan, want hij is te instabiel. Maar hij is ook ijdel en wil graag meer erkenning in de VS. Hij neemt Mason als een toerist mee door Parijs, hangt de vrolijke gastheer uit, en als hij het stuk terugleest ziet hij hoe zichtbaar zijn wanhoop moet zijn geweest. Mason beschrijft hoe Carrère ‘wat verloren in het vertrek staat, als een enorme, depressieve hond die mistroostig op zijn baasje zit te wachten’.

Dat schrijft Mason niet eens vals, zegt Carrère. Hij is ook niet beledigd. Hij is alleen verbaasd over hoe een ander hem scherper ziet dan hij zichzelf: ‘Deze buitengewoon beleefde man, zo voorkomend voor zijn gesprekspartner, die zich heel precies probeerde uit te drukken, diende thee op’, schrijft Mason in zijn profiel, ‘was zo dienstbaar als het maar kon, maar het was onmogelijk om niet te zien dat hij verschrikkelijk leed.’

Hij haalt een herinnering op aan de acteur William Hurt, die hij als jonge journalist ooit eens interviewde (‘Hij zag eruit als iemand die mediteerde’, schrijft Carrère, ‘inmiddels pik ik ze er zo uit’). Hurt sprak over zijn behoefte een beter mens te worden. Maar waarom wil je een beter mens worden? vroeg Carrère. ‘Omdat je daar een betere acteur van wordt’, zei Hurt.

Al decennialang denkt Carrère over die opmerking na, schrijft hij. Hij mediteert omdat hij daarmee een beter mens wordt, en omdat hij daardoor denkt een betere schrijver te worden. Maar hij schrijft ook om beroemd en bewonderd te worden, ‘wat beslist niet de beste manier is om een beter mens te worden’. Zijn werk is het bastion van zijn ego, schrijft hij, dus wanneer zijn meditatie afbrokkelt, brokkelt zijn menselijkheid af, brokkelt zijn werk af, tot alleen zijn driften en lusten overblijven.

In Frankrijk zijn een paar honderdduizend exemplaren van Yoga verkocht, deels aangemoedigd door de publieke rel rond zijn ex, Hélène Devynck. Zij had, redelijk uniek, bij de scheidingsonderhandelingen vorig jaar afgedwongen dat hij niet over haar mocht schrijven zonder haar expliciete toestemming. Dat deed Carrère toch in Yoga. Zij het indirect: hij citeert een passage uit Andere levens dan het mijne, over hoe hij na de tsunami zweert dat zijn liefde voor Hélène zijn leven de moeite waard heeft gemaakt en dat hij die liefde niet uit zijn handen zal laten vallen. In Yoga voegt hij aan de passage enkel toe: ‘Dat is niet gebeurd.’

Afspraak of niet, deze toevoeging past. Yoga gaat over de illusie van controle over het lichaam en de geest, en over het onvermijdelijke falen.

Dat artikel van Wyatt Mason eindigt overigens als volgt: ‘Hoe geobsedeerd Emmanuel Carrère ook is door verlies, geweld en pijn, zijn boeken zijn altijd op weg naar een einde waar ruimte is voor vreugde. De kracht ervan is dat ze zijn geschreven door iemand die weet wat de vreugde kost.’

Je kunt precies hetzelfde over Yoga zeggen.