De princenjagers

‘Westerling op Celebes, dat was niet zo erg’, weet hij. Maar dat Poncke Princen zich onvergeeflijk misdragen heeft, staat voor hem vast. Luitenant Ulrici krijgt alleen de kans niet dat voor een groot publiek te vertellen. Want ‘dan zit daar die lul van een Hueting weer’.
‘PONCKE PRINCEN, dood of levend’, luidde het bevel dat eerste luitenant van de commandotroepen J. H. C. Ulrici en kapitein T. E. Spier van de speciale divisie-reserve in augustus 1949 in Bandoeng kregen. De krijgsorder lijkt de heren 46 jaar later nog steeds door het hoofd te spoken. ‘Het zou schandalig zijn als een deserteur die bovendien onze jongens vermoord heeft, Hare Majesteit lastig gaat vallen om zogenaamd eerherstel te krijgen’, zegt J. H. C. Ulrici (74).

Onlangs schreef de veteraan een brief aan minister Voorhoeve, waarin hij de bewindsman verzocht een ontmoeting tussen koningin Beatrix en Poncke Princen in Indonesie te voorkomen. Voorhoeve zegde toe alle noodzakelijke maatregelen te nemen om tijdens het op handen zijnde staatsbezoek de koningin en de deserteur van elkaar gescheiden te houden. Hij kwam daarmee tegemoet aan de wensen van de gerespecteerde oud-commando, die in 1949 werd bevorderd tot kapitein en naast andere onderscheidingen de Bronzen Leeuw kreeg opgespeld voor de manier waarop hij in dat jaar de militaire klopjacht op Poncke Princen op West-Java had geleid.
IN HOTEL Des Indes in Den Haag ontmoeten we Ulrici samen met zijn vriend en collega-Indie-veteraan T. E. Spier (78), inmiddels luitenant-kolonel bd. Joviale heren, die ondanks hun gevorderde leeftijd kwiek ogen. Bezorgde vragen over een aanrijding met een auto waar ze juist het slachtoffer van zijn geworden, wuiven ze bij een biertje en een Spa blauw laconiek weg. Ze hebben nog altijd een vierkant wereldbeeld, tot stand gekomen in de Tweede Wereldoorlog en de eerste helft van de Koude Oorlog. Spier heeft nog in Korea gevochten en Ulrici had in 1965 graag een vrijwilligersleger gevormd dat de Amerikanen in Vietnam zou assisteren.
Terwijl het grootste deel van de Nederlandse troepen die destijds naar Indie werden gezonden, bestond uit dienstplichtigen, ging Ulrici als vrijwilliger en Spier als beroepsmilitair. Ulrici: ‘Mijn zus had daar in een Jappenkamp gezeten, dus dan wil je wel.’ De officiele opdracht was orde, rust en veiligheid te herstellen. Dat het ging om een geleidelijke overgang naar een grotere onafhankelijkheid voor Nederlands-Indie, werd de heren er niet bij verteld. Spier denkt achteraf dat dat proces veel voorspoediger zou zijn verlopen als zich namens de Republiek Indonesie een gematigder figuur had gemanifesteerd dan Soekarno, 'die met de Japanners had gecollaboreerd’.
Het Nederlandse optreden in Indie tussen 1945 en 1949 wordt volgens beide oud- strijders te veel in verband gebracht met excessen. Ulrici: 'Het wordt allemaal zo opgeblazen op het ogenblik. Onze oude vijanden zijn geen vijanden meer.’ Om de uitstekende relaties die er tussen de oud-combattanten bestaan te illustreren, vertelt Ulrici dat Kabilarang, de toenmalige commandant van de Indonesische Siliwangi-divisie, na de soevereiniteitsoverdracht drie dagen in zijn huis verbleef. 'Hij herinnerde zich dat hij een keer tien meter van ons af lag toen ik met mijn mannen op patrouille was. Waarom heb je ons dan niet beschoten, vroeg ik. Ze vreesden dat achter onze kleine groep nog een hoofdmacht zou komen. Dus lieten ze ons maar passeren. Maar er kwam helemaal geen hoofdmacht. Daar hebben we met z'n tweeen hartelijk om moeten lachen.’
Spier begrijpt niet dat steeds geprobeerd wordt een smet te werpen op de oud-Indie- strijders. 'In elke oorlog gebeuren dingen die niet door de beugel kunnen’, zegt hij. 'Waarom komen er nu, zo veel jaar later, weer uitzendingen over excessen op de televisie? Ik vraag me af of ze wel echt plaatsgevonden hebben. We hebben natuurlijk krijgsgevangenen gemaakt, en bij onze acties zijn gewonden gevallen. Maar elke gewonde, Nederlands of Indisch, man, vrouw of kind, werd door ons meegenomen en naar een ziekenhuis gebracht. Altijd heb ik mijn troepen ingepeperd: er wordt niet gestolen of verkracht. Je gedraagt je correct. Want daarmee geef je een visitekaartje af.’
Ulrici: 'We waren beiden commandant van een speciale eenheid met de zwaarste taak die je je kunt voorstellen. We moesten met onze jongens gebieden zuiveren waar de gewone Nederlandse troepen niet meer in durfden. Dus ik vind dat wij wel recht van spreken hebben. En ik heb met mijn jongens geen excessen meegemaakt. Ik heb er ook nog nooit ergens iets over gelezen. Ze praten dan over Westerling op Celebes. Nou ja, dat is ook allemaal niet zo erg geweest. Een keer is een van mijn jongens zich te buiten gegaan en die is standrechtelijk geexecuteerd. We waren hard, keihard. Dat is nogal logisch. Als je je jongens terugvindt met hun afgesneden lul in de mond, de benen afgezaagd, met de zaag er nog naast, en je krijgt de vent die dat geflikt heeft te pakken, dan ga je geen espresso met hem drinken. Dan heb je absoluut geen consideratie, geen pardon. En dat noemt men dan excessen.’
VOOR ZIJN DESERTIE was Poncke Princen ingedeeld bij de brigade van Spier. De luitenant-kolonel: 'Daar had hij al een bijzondere, weinig populaire naam. Hij had een ongebreidelde fantasie en geldingsdrang en hield zich bijzonder veel met de dames op. Nadat hij herhaaldelijk contact had gezocht met de buitenwacht, is hij via- via in contact gekomen met een afdeling van de TNI (het Indonesische leger - jb/pr) en daar heeft hij een afspraak mee gemaakt. Op een goede dag was hij verdwenen.’
Nadat Princen voor het Indonesische leger was gaan vechten, kwam hij nog maar zelden op het grondgebied van zijn oorspronkelijke Nederlandse brigade, ten noorden van de lijn Buitenzorg-Bandoeng. Het bergachtige gebied in het zuiden bleek beter geschikt voor guerrilla-activiteiten. Niettemin is Spier toch nog een keer met hem in aanraking geweest. Spier: 'Ik kreeg het bericht dat zich in een kampong in mijn sector een vijandelijke eenheid bevond. Later bleek dat Princen daar als enige blanke bij was. We hebben ze te pakken gekregen en ze hebben ook wat verliezen geleden. Een deel van de groep is ontkomen, onder wie Princen. Maar ik schijn hem nog wel in zijn enkel geraakt te hebben.’
Toen de speciale eenheden van Spier en Ulrici in augustus 1949 van de generale staf van het Knil en de Koninklijke Landmacht het bevel kregen om deserteur Poncke Princen uit te schakelen, speelde prestige daarbij een grotere rol dan strategische overwegingen. Het einde van de vijandelijkheden was in zicht. Twee weken nadat het bevel was uitgevaardigd, zou een wapenstilstand ingaan die de soevereiniteitsoverdracht zou inluiden. Dat de naar de andere kant overgelopen Princen zoveel Nederlandse wapens buit had weten te maken, bleef de legerleiding echter een doorn in het oog.
Intensief speurwerk bracht aan het licht dat de prooi zich in de regio van Ulrici bevond. Uiteindelijk kon die met zijn stootgroep Erik - een grotendeels uit Ambonezen en Timorezen bestaande commando-eenheid - de opdracht op een haar na uitvoeren. Een groot deel van Princens gevechtsgroep werd 'veronzijdigd’, zoals de Nederlandse regering later met een understatement mededeelde. Bovendien werd Oddah, Princens eerste vrouw, bij de actie gedood.
Ulrici: 'Het was een vreselijke tocht die vijf dagen duurde. We wisten dat Princens kamp werd omringd door hoge bergruggen. Er was geen enkele mogelijkheid om het ongezien te naderen. Dus moest ik met mijn mannen een weg door het oerwoud kappen. We waren met ongeveer zestig man, maar we hadden niets aan die overmacht. Het pad dat naar het kamp leidde, was maar heel smal en we konden niet meer terug, want dan zouden ze ons opmerken.
De mannen van Princen stonden opgesteld voor een appel. Links was een bamboehut, maar die kon ik vanuit mijn positie niet zien. Ik overlegde met mijn tweede luitenant. “Thijssen”, zeg ik, “hoe zullen we dat nou doen? We hebben aan onze mensen niets.” Uiteindelijk besloten we om een stel handgranaten te gooien. Dan zou ik met een van mijn Ambonese commando’s stormen en Thijssen zou met een mitrailleur de groep beschieten. Dus we rennen schietend naar voren. In mijn linker ooghoek zie ik ineens die hut. Ik storm daar op af en ik trap de deur open. Ik krijg onmiddellijk een riedel, ik heb nog een litteken van een schampschot daarvan.
Omdat ik van het licht in het donker kijk, zie ik alleen wat vage bewegingen. Dus ik geef meteen een riedel terug. Toen bleek zijn vrouw daar te zitten, met een tommygun. Op haar schoot lag nog een dagboek van Princen. Hij was het raam uitgedoken. Daarbij heeft hij een schampschot in zijn rug gekregen. Later heeft hij gezegd dat hij tegen zijn mannen nog “Dekken!” heeft geroepen. Nou, hij heeft helemaal niets geroepen. Hij is hem gesmeerd en heeft zijn vrouw daar met zijn dagboek achtergelaten. Als hij was gebleven, had hij me zo te barsten kunnen schieten. Ik stond in de deuropening, in het volle zonlicht.’
De vogel was gevlogen. Ulrici moest tegen zijn zin de klopjacht staken, want de volgende dag ging de wapenstilstand in. 'Ik moest me terugtrekken, maar ik had hem makkelijk te pakken kunnen krijgen door in een hinderlaag te gaan liggen’, zegt de Princen-jager. 'We wisten dat hij zou terugkeren naar die plek, om te kijken wat er met zijn mensen was gebeurd. We hadden er negentien over de kling gejaagd. Dus die lagen daar allemaal, inclusief zijn vrouw.’
In zijn onlangs verschenen, door Joyce van Fenema opgetekende autobiografie beschrijft Princen hoe hij bij terugkomst in zijn kamp vijftien mannen dood in het gras zag liggen. 'Nee’, zegt Ulrici met een stalen gezicht, 'het waren er negentien.’ 'Vakkundig afgemaakt’, lezen we voor. Ulrici: 'Nou kijk, die Ambonezen stormen er met hun klewang op af en alles wat levend is, maken ze af. Vergeet niet dat de man gehaat was.’
HET DAGBOEK dat Oddah bij zich zou hebben gehad toen ze werd gedood, is met geheimzinnigheid omgeven. Ulrici heeft het naar eigen zeggen destijds meegenomen. Hij kan het ons echter niet laten zien, want het is spoorloos verdwenen. Volgens Ulrici heeft Princen het bestaan van het dagboek steeds ontkend. De ex-commando bezweert ons dat hij geen praatjes verkoopt. 'Het is geen mooi verhaaltje van mij, nu Indie weer volop in de belangstelling staat. In 1952, toen mijn herinneringen nog vers waren, heb ik hierover een interview gegeven dat is afgedrukt in het weekblad De Spiegel. En ik heb een band van een radio-interview met Princen. Daarin verspreekt die lul zich, want hij zegt: “Het staat allemaal in mijn dagboek.” ’ In het artikel in De Spiegel maakt Ulrici inderdaad gewag van het dagboek en zijn inhoud. Het zou zijn zoekgeraakt op het stafkwartier in Bandoeng.
Ulrici, bitter: 'Ik zal je dit zeggen: als ik dat dagboek had, dan was ik rijk. Er is me al zoveel geboden. Ik heb het niet, maar het zit wel in mijn hoofd.’ Ulrici verstrekt ons over de inhoud van Princens egodocument meer informatie dan destijds in De Spiegel stond. 'Ik zie die pagina’s nog voor me. Allereerst stond er precies in waarom hij in Indie niet aan de bak kon komen als officier. Dat zat hem vreselijk dwars. Verder talloze communistische slogans. En veel porno, van die tekeningetjes. Er stonden ook verschrikkelijke dingen in over de acties die hij uitvoerde. Bijvoorbeeld over een Nederlandse vrachtwagen die hij had aangehouden. Ik zie het nog zo staan: “Daar heb ik ze goed te pakken gehad!” ’
Volgens geruchten uit die tijd zou Princen de vijf inzittenden van deze vrachtwagen hebben neergeschoten, maar Princen heeft altijd ontkend dat hij zich met dergelijke praktijken zou hebben ingelaten.
Ulrici: 'Er zat een brief in van een Nederlandse officier. Die smeekte hem niets te doen als hij gevangen genomen werd, want hij had vrouw en kinderen. Princen moest maar zeggen wat hij nodig had en dan zou die officier daarvoor zorgen. En het adres van een arts in Soekaboemi die hem geholpen heeft toen hij een keer gewond was geraakt. Het dagboek is door mij afgegeven aan generaal Engles. Die heeft het weer doorgegeven aan de inlichtingendienst. En vanaf dat moment is het foetsie.
Wie daar belang bij had? Tsja, in het dagboek stonden waarschijnlijk belastende dingen voor de Nederlandse regering. Princen beschikte bijvoorbeeld over kistjes Nederlandse munitie. Wapens kun je nog meesjouwen, maar je loopt niet vijf dagen door de jungle met een kist munitie op je nek. Dus hoe kwam hij daaraan?’
NIET ALLEEN HET dagboek, ook andere zaken die Ulrici bij zijn acties buitmaakte, zijn in rook opgegaan. Ulrici somt op: 'Het vaandel van de Siliwangi-divisie heb ik ingeleverd, jammer genoeg.’ En tegen Spier: 'Jij hebt er gisteren nog de foto van gezien. Het is nooit meer terechtgekomen. Ik heb met mijn jongens tijdens de Tweede Politionele Actie Soekarno gevangen genomen. Hij kwam naar buiten met een verzilverde tommygun. Die heb ik afgegeven aan overste Van Beek, die toen onze commandant was. Nooit meer wat van gezien, nooit meer wat van gehoord. We hebben op het vliegveld van Djokja een Catalina-watervliegtuig te pakken gekregen met van alles erin. Briljanten, diamanten, drugs en de hele flikkerse keet. Met een Amerikaanse piloot. Overgegeven aan de militaire politie. Nooit meer wat van vernomen.’
Zijn er vreemde ontwikkelingen gaande? Volgens Ulrici wel. Een mysterieuze hand zou verhinderen dat hij zijn verhaal over Princen aan het grote publiek duidelijk kan maken. Pogingen van de Telegraaf en het Reformatorisch Dagblad om hem via een satellietverbinding op de televisie met Princen te laten debatteren, zijn verijdeld. 'Door wie? Ja, dat moet jij me maar eens zeggen. Ik krijg in elk geval niet de kans om mijn verhaal te vertellen.
Toen Princen op de televisie was, zat ik me te verbijten op mijn stoel. Dan denk ik: jongens, waarom stel je de juiste vragen niet? Ik ben de enige die hem te pakken heeft gehad. Ik heb allerlei inlichtingen verzameld om hem te vinden. Van zijn wandaden, van alles ben ik op de hoogte. Ik heb de hele documentatie gestuurd naar Kooymans, naar Lubbers, naar Weisglas. Van Kooymans en Weisglas heb ik antwoord gehad, van Lubbers heb ik nooit wat gehoord. Allerlei anderen mogen wel hun mening over Princen geven. Dan zit daar die lul van een Hueting weer.
En wat Princen zelf te vertellen heeft, wordt ook overal breed uitgemeten. Dan vertelt hij dat hij vijftien jaar was toen de oorlog uitbrak. Hij heeft in concentratiekampen gezeten, hij is gevangen genomen, hij is ter dood veroordeeld. Maar de Duitsers veroordeelden niet onder de achttien jaar ter dood. Als ik een gesprek met hem zou hebben, zou ik zeggen, vertel maar eens: in welk kamp zat je dan. Ik heb in concentratiekamp Amersfoort gezeten, dus ik kan erover praten. Hoe heette de kampcommandant, hoe lang heb je er gezeten, waarom heb je er gezeten. Waarom was je ter dood veroordeeld. Niemand vraagt hem dat.’
DE MANNEN ZIJN erg gegriefd over de ontvangst die Princen december vorig jaar in Nederland heeft gehad. Ulrici: 'Het hele parlement heeft tegen zijn visum gestemd. Van Mierlo zei: ik doe het toch, om humanitaire redenen. Hij werd op Schiphol ontvangen als een VIP, met een politie-escorte en alles.’
Princens bezoek aan Nederland liep bijna verkeerd af. Het wild kwam wel erg dicht in de buurt van de jagers. Ulrici: 'We hadden hem bijna te grazen. Hij heeft heel veel geluk gehad. Een zoon van een van mijn gesneuvelde jongens belde me op om te zeggen dat de actie mislukt was. Ze kwamen op zijn adres toen hij net naar een andere plek was gebracht. Een aantal jongens uit onze stootgroep was daarbij. Ik heb nog tegen ze gezegd: jongens doe het niet, je gaat de gevangenis in. Je mag niet je gezin en alles op het spel zetten voor zo'n figuur.’
Ook Spier wist dat Princen wel eens iets zou kunnen overkomen tijdens het bezoek. 'Een radicale groep oud-strijders wilde hem om zeep helpen. Mij ging een aanslag met wapens en explosieven te ver. Aan een ontvoering had ik best willen meewerken. Hem met een auto over de grens brengen en hem daar in zijn dooie eentje achterlaten. Ter dood veroordelen en hem executeren, dat is een moeilijke zaak, he. Dat kun je juridisch niet waarmaken. Maar hem kidnappen en met een harde schop het land uit trappen? Graag.’