Kort verhaal

De prins, de vlieg en het everzwijn

De prins houdt zijn adem in terwijl er een vlieg op het Calydonische Everzwijn neerstrijkt.

Hij zit in mijn systeem, zoals de snelweg in je aderen kan gaan zitten wanneer je in een enkele dag vanuit de Alpen naar dit lage land afdaalt. Gisteren heb ik de tocht weer eens gemaakt, vanuit mijn huis boven de bossen van Vaduz. Ik heb elf uur met de auto over de snelweg geraasd. Toen ik eindelijk op bed kon gaan liggen, schoten de witte strepen van het asfalt met een vaart van 230 kilometer per uur door mijn bloedstroom. Mijn lichaam suist er nog van.

Zo langzamerhand kan ik zijn gedrag niet alleen voorspellen, ik zie de prins op elk moment van de dag voor me. Hoe ver ik ook van hem verwijderd ben. Ik weet wat hij doet, waarover hij aarzelt, welke naam hij zich niet kan herinneren.

Hij vraagt zich af hoe hij onder de jacht uitkomt die staat gepland voor de namiddag. Terwijl hij een sinaasappel laat pellen, probeert hij een goede reden te bedenken om niet te hoeven gaan. Bij elk partje van de sinaasappel dat hij in zijn mond steekt, geeft hij zichzelf een kans iets briljants te bedenken. De flarden van een idee die aan zijn geestesoog verschijnen, lijken op wat iemand van een sluipschutter zou kunnen ontwaren wanneer die zijn positie zoekt in het struikgewas. De prins kauwt lang op elk stukje, zuigt het vocht uit de vrucht en lispelend spuugt hij de vellen naast zijn bord. Hij eet nog een sinaasappel, en nog een. Maar de wazige contouren van een oorspronkelijke gedachte willen maar geen vaste vorm krijgen.

Om de verbeeldingskracht van de prins aan te wakkeren, heb ik hem aan het begin van de zomer een jachttafereel geschonken, De jacht op het Calydonische Everzwijn. Ik heb het meesterstuk uit Gent laten halen door drie Slovenen die graag iets wilden bijverdienen. Ik had ze gevraagd nog wat extra’s mee te nemen uit het Museum voor Schone Kunsten. Eén van hen bleef op de uitkijk staan terwijl de andere twee de doeken van de muur haalden. Een bewaker die de boel dacht te kunnen verstieren werd onderuit geschopt. In hun vlucht naar buiten lieten ze een doek vallen, de lummels. Maar mijn jachttafereel hadden ze te pakken. Ik heb het bijna twee jaar aan de muur gehad, voordat ik het als geschenk bij de prins heb laten bezorgen.

Naar het schijnt heeft de prins het op zijn lievelingsplek gehangen, boven de trap, waar de treden die naar de tuinkamers leiden een bocht maken. Als peuter was hij daar matroos, en de breedste traptrede was zijn schip. Als kleuter werd hij kapitein van een vliegdekschip. Als tiener was hij coureur van een formule 1-wagen en al gauw werd hij straaljagerpiloot. Toen begon het mis te gaan. Hij wilde alleen nog maar schieten, dagen achtereen. De prins weigerde zijn droomvliegtuig te verlaten. «Hij aardt naar zijn grootvader», meenden velen.

Vanaf de trap vuurde de prins zijn kanonnen en zei dat hij alleen een wapenstilstand zou overwegen als hij mee mocht met de jacht in de paleistuinen. Ik was behalve jachtmeester aan het hof activiteitenbegeleider van de prins. Het kwam erop neer dat ik pepermuntjes voor hem haalde. Dat ik hem boeken voorlas terwijl hij ruimteschepen uit de lucht schoot. Ik vouwde zijn kleren op, snoot zijn neus, veegde zijn kont af, en vertelde hem hoe de wereld buiten de hekken van het paleis eruit zag. Hij keek wel naar me, maar ik geloof niet dat hij ooit naar een woord van me heeft geluisterd.

Ik heb hem nog even op andere gedachten kunnen brengen. Ter afleiding liet ik hem handtekeningen verkopen op school. Ik trok die handtekeningen over van allerlei documenten die ik vond in het paleis en liet de kleine prins de kunststukjes verkopen aan zijn klasgenoten. En omdat de ouders van die kinderen het ook wel interessant vonden om bijvoorbeeld een handtekening van de koningin te bezitten, telden ze er een klein fortuin voor neer. De helft van de opbrengst was voor de prins, de andere helft voor mij. Uiteindelijk werd de aard van de zaak natuurlijk ontdekt, en kreeg de prins een standje. Ze vonden het op het paleis alleraardigst dat de jongen zo’n ondeugende streek had uitgehaald. En toen hij mij als bedenker van het plan aanwees, kreeg hij een aai over de bol. «Hij heeft dat gezonde van een jongeman», werd er gezegd. Zijn grootvader begon zelfs belangstelling te tonen voor het kind. En ik kocht er een alleraardigst jaguartje van.

Na deze affaire was er geen houden meer aan. Ik heb zijn moeder gewaarschuwd dat het kind het coördinatievermogen had van een Portugees oorlogsschip, maar ze was ervan overtuigd dat de prins sterk zou worden van de jacht. Het was de eerste en misschien wel de laatste keer dat de prins graag naar buiten ging.

Nu kan hij niet anders meer dan meedoen aan de jacht, om de schijn op te houden dat er nooit iets is voorgevallen. Terwijl in de rest van het land de jacht is verboden, gaat het Konin k lijk Huis rustig zijn gang. De prins heeft van de Rijksvoorlichtingsdienst wel wat moeten doen om de boel te maskeren. Toen hem in een interview op televisie werd gevraagd of hij wil blijven jagen, zei hij: «Het is een complexe discussie tussen rationele en emotionele argumenten. Die wens ik hier niet te voeren. Maar ik sta volledig achter de wijze waarop er op het kroondomein wordt gejaagd.»

En dat terwijl de Faunabescherming er net op had gewezen dat er onverantwoordelijk veel zwijnen werden bijgefokt ten behoeve van de hofjacht. In een brief aan de koningin beschreef de vereniging het als dieronvriendelijk om de zwijnen in totale paniek in de richting van de leden van het Koninklijk Huis en hun jachtgasten te drijven, die rustig staan te wachten op hun prooi. Ook voor de jagers zagen ze een risico in de onderneming. En ze hadden gelijk. Want een beetje opgejaagd everzwijn rent al gauw met een snelheid van zeventig kilometer per uur, en veel jachtgasten van de koninklijke familie staan voor het eerst met een geweer in hun handen, en hebben een gemiddelde leeftijd van 85.

Binnenshuis houden ze het op een ongeluk. Maar ik zag hem richten en de prins raakte mijn beste vriend tussen de ogen in plaats van een everzwijn. Binnen enkele minuten was de ramp aangeveegd en opgeruimd. Mijn goede vriend werd, bedekt met een paardendeken, het bos uitgedragen, de prins snelde naar zijn trap als leerling-matroos en alle ogen waren op mij gericht.

Ik stond vlak achter de prins toen hij zijn schot loste. Als de koninklijke familie de wet die het jagen verbood naar haar hand kon zetten, waarom dan niet de geschiedenis? Niemand heeft zich ooit afgevraagd hoe het kon gebeuren dat een jachtmeester met twintig jaar ervaring ertoe kwam om mis te schieten, zo verdomde volgzaam zijn de koningsgezinden in dit land. Want stel dat ik, zoals naar buiten werd gebracht, de gruwelijke stommiteit had begaan een vriend van het leven te beroven, zou een gerechtelijk onderzoek dan niet op z’n minst terecht zijn geweest? «Een jachtopzichter is tijdens de hofjacht overleden aan de gevolgen van een ‹ricochet›. Een afketsende kogel uit het geweer van de jagermeester van Hare Majesteit trof hem tussen de ogen.»

Dat ricochet was briljant, dat moet ik de RVD nageven. Iedereen ging zich afvragen wat dat precies is. En hoe groot de kans is dat zoiets gebeurt. Terwijl de kranten zich bogen over die futiliteit werd mij de keuze geboden tussen een ruim salaris met een bungalow in de Alpen, of een veroordeling tot levenslang in eigen land. Wat kon ik doen? Het is een mooi huis. Maar ik zal nooit meer normaal kunnen functioneren.

Ik heb een miniatuur van hem en zijn lekkere vrouw. Het is een klein beeld dat gemaakt is om de top van een bruidstaart te sieren. Ze staan hand in hand op mijn bureau. De mond van de dwergprinses vormt een volmaakte «o». Ze zegt «o» terwijl ik met de punt van een potlood haar borsten streel. Ze zegt «o» terwijl ik tussen haar benen een streep zet en ze zegt «o» terwijl ik het potlood tussen haar benen dwing. De prins zegt niets.

Stilte heelt alle wonden, zie je hem denken.

Zo was het hem tenslotte ook gelukt zijn geliefde te trouwen. Het was niet gemakkelijk. De vader van de aanstaande prinses was lid van een regering tijdens een repressief regime dat dertig duizend doden op zijn geweten heeft. Maar door de ernst van haar vaders verleden systematisch te onderschatten, en door commentaar van wat opstandig volk te negeren, ging het probleem vanzelf over. De gewetensvragen die er al waren, verdwenen in het vage gebied waar vermoedens rondkruipen. En losten uiteindelijk op in het duister dat al dertig duizend mensen uit het vaderland van de prinses had opgeslokt.

De koningin kwam op voor haar zoon. In een toespraak verzekerde ze het volk ervan dat haar zoon en toekomstige schoondochter «zich ervan bewust zijn dat veel mensen in ons land begrijpelijke aarzelingen voelen over hun liefde». Het volk trapte erin. Niemand wil het op zijn geweten hebben een liefde te ruïneren. Tot mijn verbijstering kwam het de prins zelfs ten goede. Want veel mensen in dit land herkenden zich in de sociaal bewogen prins die er geen enkele onwrikbare mening op na houdt.

Ik werd weggestopt, en ik weet niet of het ongeloof over mijn eigen situatie was of stompzinnige verslagenheid, maar ik heb me in mijn lot geschikt. Ik zag weinig, en dacht zo mogelijk nog minder. Er was een meisje dat elke dag schone lakens om mijn bed vouwde. Ze bereidde elke dag een warme maaltijd. En er was een jongen die de heggen om het huis in de vorm van dieren knipte. Er verscheen een haas met kippenvleugels, een hond met vinnen en als ik het me goed herinner een tweekoppige pauw. De jongen probeerde met zijn woeste verbeelding vermoedelijk indruk te maken op het meisje. Maar hoe onwaarschijnlijker de dieren werden, hoe duidelijker ik zag dat zijn verbeelding niet boven het combineren van dierlijke onderdelen uitsteeg.

En toen combineerde ik zelf een aantal zaken. Ik begon, voorbij het gemis van mijn vriend, wat mij was overkomen van betekenis te voorzien. Mijn verleden op het paleis, mijn onwakkere staat in het bos, en mijn verlangen om weer normaal te kunnen leven, grepen in elkaar als een kogel die met een harde klik in het magazijn van een geweer wordt geladen. Ik besloot het gat in het hoofd van mijn vriend te wreken en scherpschutter te worden, met als enig doelwit de prins.

Mijn eerste daad heb ik verricht toen de prins net dertien was geworden, en zou mee maken dat zijn moeder tot koningin werd gekroond. Buiten stond een stad in brand. De prins beschermde met zijn handen zijn oren tegen het lawaai van helikopters die boven de kerk cirkelden. Het was mij om zijn gezicht te doen. De jongen hoorde voor het eerst mensen brullen. En ze brulden tegen hem en zijn familie. Het enige wat zijn moeder tegen het geweld wist in te brengen, was een wijsvinger tegen haar mond leggen. Zo suste ze misschien haar kinderen, maar niet een woedende massa. Die dag verloor de prins zijn onaantastbare moeder. Ik heb de gebeurtenis vastgelegd en aan alle kranten verkocht die het maar wilden hebben.

De prins is een gemakkelijke prooi. Meestal hoef ik hem maar een klein beetje in de verkeerde richting te duwen. En de mensen geloven zo graag in zijn soevereiniteit, dat ze niet eens willen overwegen dat zijn blunders stuk voor stuk zijn geregisseerd. Niemand heeft zich bijvoorbeeld afgevraagd waarom een prins die nog nooit een boek heeft uitgelezen, rondliep op de Buchmesse. De RVD wilde er het image van de prins, die ook wel «de Domme» wordt genoemd, wat mee opvijzelen. Maar het liep goed af. Het commentaar op de vraag van de pers wat hij er precies deed, was dat hij vulling zocht voor de meters lege boekenplanken in zijn paleis.

En heeft iemand zich ooit afgevraagd hoe het kwam dat de prins op zijn reis naar Amerika was verstoken van zijn particulier secretaris? Ik had toevallig een vermoeden dat er nog wel wat geschaafd kon worden aan het politiek besef van de prins. En hij gaf me op een schitterende manier gelijk. Terwijl de discussies over het verleden van zijn aanstaande schoonvader waren losgebarsten, presteerde de kroonprins het om op te komen voor de gevaarlijke man door de pers te attenderen op een brief waaruit zou blijken dat de aantijgingen tegen de man een onbetrouwbare bron hadden. Als de prins zijn secretaris bij zich had gehad, zou die hem hebben gewaarschuwd dat die brief geschreven was door de baas van zijn aanstaande schoonvader.

Toen heb ik even overwogen me voorgoed terug te trekken. Mijn taak leek volbracht. De stommiteit van het uilskuiken werd breed uitgemeten in de media. Maar dit land vergeet snel. De koningin legt een wijsvinger tegen haar mond. En nu de prins een prinses heeft die hem een kind zal baren, ligt het volk weer aan zijn voeten.

Inmiddels vaart er zelfs geen kano meer op de woeste golven van de paleistrappen. Ik zie hem staan, voor het reusachtige everzwijn. Elke keer dat de prins het beest passeert, wenst hij een verandering in de voorstelling. Hij wenst eerst de pijl, en dan de jager het doek af. Hij wenst dat iedereen thuis was gebleven. Maar hij zou zich met de kleinste verandering al tevreden stellen. Al was het maar een hondje minder om de roerloze geschiedenis, trots als een vrouw die haar gelijk volhoudt, geweld aan te doen. Niemand zou het merken, maar de prins zou het weten, en opgelucht adem halen. En terwijl hij met zijn neus boven op het schilderij staat, kruip ik tussen de rododendrons langs de laan die naar het zwijnenwoud achter het paleis leidt. Zo meteen komt hij langs.