Brusseprijs

De prins der journalisten

M.J. Brusse dompelde zich onder in werelden waar de keurige burgers het bestaan niet van vermoedden, en bracht de armoedzaaiers en kleine scharrelaars tot leven.

Een van de mooiste anekdotes uit Onder de mensen, de journalistieke biografie die Peter Brusse over zijn vader M.J. – ‘Rie’ – Brusse schreef, gaat over saucijzenbroodjes. Twee om precies te zijn. Rie Brusse werkte als stadsverslaggever voor De Telegraaf, toen nog een piepjonge krant met brutaal elan, toen hij in 1894 een reportage maakte over de paardenraces in Bussum. Destijds een voornaam evenement voor de Amsterdamse high society; zelfs de Beurs bleef die dag gesloten. Er werden extra treinen voor ingezet uit de hoofdstad, een onafzienbare stoet rijtuigen stroomde toe, net als bezoekers die te voet of per rijwiel kwamen. Ook de twee koninginnen – de koningin-regentes in het zwart en de jonge Wilhelmina in wit satijn – maakten hun opwachting.

Het was hard werken voor de 21-jarige verslaggever. Nog net voor het zakken van de avondeditie van de krant had hij een voorpaginastuk over de twee vorstinnen doorgegeven. Voor het ochtendblad maakte hij een verslag van de races en de winnaars. Hij kwam die avond afgepeigerd thuis en declareerde twee saucijzenbroodjes. Dat was tegen de zin van zijn hoofdredacteur, die vond één saucijzenbroodje meer dan genoeg. Rie dreigde verontwaardigd op te stappen. De hoofdredacteur bond niet in en hij werd op staande voet ontslagen.

Journalistiek, zo blijkt uit Onder de mensen, was eind negentiende, begin twintigste eeuw nogal anders dan nu. Natuurlijk, autoritair gedrag was in die tijd het voorrecht van álle bazen, maar het is op dit moment, nu elke zichzelf respecterende universiteit een journalistenopleiding heeft – om over de hbo-‘scholen voor journalistiek’ nog maar te zwijgen – bijna niet meer voor te stellen dat Nederland aan het eind van de vorige eeuw slechts vierhonderd burgers telde die van beroep journalist waren. Kranten en weekbladen werden volgeschreven door mannen die hun brood veelal als dominee, politicus of leraar verdienden. De beloning was ook schamel. Dat Rie, een jongen uit de Amsterdamse gegoede burgerij, na het behalen van zijn hbs-diploma in 1890 niet voor een comfortabele kantoorbaan maar voor de journalistiek koos, was dan ook zeer ongewoon.

Hij kreeg daardoor wel de kans om een pionier te worden in een vak dat nog allerminst geprofessionaliseerd was. Na het conflict over de saucijzenbroodjes kreeg hij een brief van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, een krant van serieuze oudere heren die werd gelezen door havenbaronnen, kooplieden en heren van de beurs. Of hij niet eens wilde langskomen voor een gesprek. De jonge Brusse, die in De Telegraaf al zijn eigen stedelijke rubriek mocht vullen, was ook in Rotterdam opgevallen. Hij was meteen al een echte verslaggever, die het liefst de straat op ging en opschreef wat hij hoorde, zag en voelde.

Bij het dagblad De Amsterdammer, waar hij direct na school voor ging schrijven, begon hij met het genre waar hij als geen ander in zou uitblinken: de literair-sociale reportage. Een van de eerste verhalen die hij maakte ging over twee pas opgerichte volksbadhuizen in Amsterdam. Voor zijn reportage ging hij ook zelf in bad, waarna hij de gemeente kon prijzen voor het fijne hete water, maar tegelijk kon klagen over de glibberige natte vloeren, waardoor het je vrijwel onmogelijk werd gemaakt je voeten af te drogen en je sokken en schoenen aan te doen. Het was een vorm van participerende journalistiek waar hij in Nederland het patent op kreeg.

Peter Brusse beschrijft hoe de spraakmakende Engelse journalist William Thomas Stead al vroeg een voorbeeld was voor Rie. Stead schreef in zijn Pall Mall Gazette over mensonterende armoede, werkloosheid, woningnood en kinderprostitutie. Voor een paar pond kon hij een dertienjarig meisje kopen van haar moeder – hij werd daarvoor gearresteerd vanwege slavernij, maar zijn stuk erover leidde er wel toe dat seks met kinderen werd verboden. Hij was een van de grondleggers van de onderzoeksjournalistiek en het ‘new journalism’ – zoals de Amerikaanse ‘muckrakers’ dat ook waren. De verslaggever was in die nieuwe vormen van journalistiek zelf aanwezig, hij maakte de lezer zo deelgenoot van zijn wederwaardigheden.

Rie werd nog sterker geïnspireerd door de Franse naturalisten, en dan met name Émile Zola, omdat zij niet alleen de buitenkant beschreven, maar ook de innerlijke gevoelens. Het ging hen niet alleen om het horen en zien, maar evenzeer om voelen en ruiken, om de inzet van alle zintuigen.

De ruzie om de saucijzenbroodjes was welbeschouwd een zegen. Rie verhuisde naar Rotterdam, waar alles er nog wat harder en meedogenlozer aan toe leek te gaan dan in de hoofdstad. Het waren, rond de vorige eeuwwisseling, hoe dan ook gouden tijden voor de sociale reportage: het kapitalisme was nog ongetemd, er was nog geen overheid die het barre leven in de sloppenwijken verzachtte. En in ‘dat stomweg voortjakkerende’ Rotterdam, waar vanwege de haven het werken nooit ophield, toonde dat kapitalisme meer dan waar ook zijn rauwe gezicht. Zoals hij schreef: ‘De schepen regeren Rotterdam (…) en wat niet direct of indirect voor de schepen dient, komt hier niet tot zijn recht.’

Vermomd als zeeman kon Rie ervaren hoe de koppelbazen het geld uit de zakken van de zeelieden klopten

Bij de NRC moest Rie eerst het vak leren op de redactie, maar toen hij eenmaal de ‘kooi’ van het kantoor mocht verlaten, kwam hij snel tot grote bloei. Vermomd als zeeman – een vroege proeve van undercoverjournalistiek – kon hij zelf ervaren hoe geraffineerd de koppelbazen het geld uit de zakken van de zeelieden klopten. Hij mengde zich onder de ‘korrepikkers’, mannen die in roeiboten met hengels, netten en haken alles wat overboord was geslagen of van de kade was gevallen uit het water visten. Helaas soms ook lijken. En hij begaf zich in de rosse buurt van Rotterdam, in de Zandstraat, met zijn schildervrienden Kees van Dongen en Isaac Israëls, en de zanger Koos Speenhoff. ‘De polder’, zoals de achterbuurt in de volksmond heette, was niet alleen een broeinest van hoeren en dieven, maar ook het laatste toevluchtsoord voor werklozen, zieken, invaliden, weduwen en paupers die een paar stuivers probeerden te verdienen.

Rie had ondertussen zijn eigen rubriek gekregen, het twee keer per week verschijnende ‘Onder de menschen’. Die werd meteen een begrip onder de lezers van de nette, liberale krant. Brusse dompelde zich onder in werelden waar zij het bestaan niet van vermoedden, hij moraliseerde niet maar bracht de armoedzaaiers en kleine scharrelaars tot leven, liet hen spreken in hun eigen taal, onvervalst plat Rotterdams. Veel later, in 1929, toen hij in een interview met zichzelf zijn eigen taak in het leven probeerde vast te leggen, schreef hij: ‘En ’t enige wat mij dan ook mogelijk gelukt is, is om den argeloze brave burgers een min of meer vage node (notie) te geven van ’t bestaan van die onbekende gebieden, die onbekende mensensoorten, buiten de Chinese muur van hun maatschappelijke burgerlijkheid.’

Dat is wat al te bescheiden, want toen Brusse dit schreef was hij al decennia een beroemdheid. Lezers lazen zijn ‘Onder de menschen’, dat vaak vervolgverhalen bevatte, aan elkaar voor na het avondeten. Veel van die series verschenen na publicatie in de krant in boekvorm; een zo’n reeks uit 1900, ‘Boefje’, over een jonge crimineel (leerplicht bestond nog niet), werd als boek een bestseller, kreeg een ongekend populaire toneelbewerking en werd ook nog verfilmd. En voor Brusse misschien het belangrijkste: zijn reportages hadden invloed. Boefje bijvoorbeeld werd gelezen als een aanklacht tegen de hardvochtige behandeling van jonge crimineeltjes die gevangen werden gezet tussen volwassen dieven en moordenaars. Het zette aan tot een brede discussie over de vraag of er geen speciaal kinder- en jeugdrecht moest komen.

Peter Brusse schreef met Onder de mensen veel meer dan een portret van de ‘prins der journalisten’; zijn boek is ook een zoektocht naar zijn vader die overleed toen hij pas vier jaar oud was. Het gaat niet alleen over M.J. Brusse de journalist, maar evenzeer over Rie de rusteloze echtgenoot – hij trouwde drie keer – en de vader – hij kreeg zeven zonen. Het is een ingetogen Vatersuche, de journalist Peter Brusse geeft bovenal een aanstekelijk beeld van de journalistieke pionier die Rie was, de bevlogen wereldverbeteraar die zich niet tot ideologie en revolutie liet verleiden. M.J. Brusse was in hart en nieren verslaggever, een man die opschreef wat hij zag, hoorde, rook en voelde.

Wie krijgt de Brusseprijs 2017?

De gelukkige winnaar van de prijs – een initiatief van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten – zal bekend worden gemaakt in een speciale uitzending van NOS Met het oog op morgen, zaterdag 10 juni. Hij of zij ontvangt een oorkonde en tienduizend euro.

Van de vijf genomineerden werden er al drie besproken op de pagina’s van De Groene Amsterdammer. Hier vindt u de recensies van de twee nog-niet-besproken boeken, Heineken na Freddy: De strijd van een Nederlands wereldconcern van Stefan Vermeulen en 1936: Wij gingen naar Berlijn van Auke Kok.

Martin Bossenbroek schetste in Fout in de Koude Oorlog: Nederland in tweestrijd 1945-1989 (Prometheus) de politieke patstelling tussen links en rechts aan de hand van de biografieën van Joseph Luns en Joris Ivens. Chris van der Heijden schreef in De Groene dat ‘Bossenbroek niet alleen een goed stilist [is], hij is ook bedreven in het construeren van een historisch verhaal’.

In Frank Westermans Een woord een woord (De Bezige Bij) worden de lessen uit de omgang met terroristen in de jaren zeventig getoetst aan de terroristen van nu. ‘De verhalen die Westerman vertelt zijn spannend, de personages die hij opvoert zijn levendig, en de thema’s die hij aanboort hebben genoeg dwarsverbanden om de lezer volledig geabsorbeerd bij de les te houden’, schreef Joost de Vries.

Over Jolanda WithuisJuliana: Vorstin in een mannenwereld (De Bezige Bij) schreef Koen Kleijn dat de biografie een ‘belangrijke bijdrage aan de deconstructie van de mythologie van “ons” koningshuis [is] en een schrijnend beeld van het zich over generaties doorzettend ongeluk dat “constitutionele monarchie” heet. In die zin is het ook een portret van een natie, de onze, die van laf geschipper en achterbaks geaccommodeer aan elkaar hing, en hangt.’