De prinses op de erwt

Irene was een moeilijke prinses, maar lag dat aan haar of aan de omgeving waarin ze opgroeide? Leden van het koningshuis kunnen zich meestal maar beter schikken. En dat deed Irene liever niet.

Prinses Irene en Hugo van Bourbon-Parma maken hun verloving bekend, 9 februari 1964 © Nationaal Archief Fotocollectie Anefo

Een cruciale foto in Daniela Hooghiemstra’s boek toont een groepje adellijke jongeren, die in 1954 samen een boottochtje hebben gemaakt op het jacht Agamemnon. Dat was een plannetje van koningin Frederika van Griekenland: de jeunesse van de Europese vorstenhuizen moest elkaar maar eens in ongedwongen omstandigheden leren kennen, om zo de relaties te versterken. Een datingreisje, zo zou je het kunnen noemen.

Van de aanwezigen waren er drie die concreet uitzicht hadden op een troon: Constantijn van Griekenland, Beatrix van Oranje en Juan Carlos de Bourbon – al zat die laatste in een wachtkamer waar zich nog meer pretendenten ophielden. Franco had beloofd na zijn regering de monarchie te herstellen, maar of die aan Juan Carlos zou toevallen of aan diens vader, of aan nog iemand anders, dat hield de dictator nog even voor zich. Voor de andere vakantiegangers als Philippe van Orleans en Simeon van Saxe-Coburg was een troon onbereikbaar geworden. Ze waren een verloren generatie. Het afschaffen van al die tronen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was in 1954 nog niet zo heel lang geleden. Die jongeren hadden allemaal vaders en ooms die zich op hun oude kastelen of in ballingschap opvraten van spijt en rancune.

De jongeren ogen niettemin vief en intelligent. Zonder politieke of staatkundige rol lag hun toekomst in het jetsetleven, in het vinden van een acceptabele (liefst stinkend rijke) huwelijkskandidaat, en in het iets omhanden krijgen, iets in de diplomatie, de Verenigde Naties, in een charitatieve ngo, misschien in een religieuze orde als de Maltezer Ridders. Meer viel er niet te hopen, tenzij er in de politieke situatie van Frankrijk of Bulgarije of Oostenrijk iets zó ingrijpend zou veranderen dat die oude troon tóch… Dat ‘tenzij’ is de hoofdmoot van dit boek. Irene, de verlegen zus van de Nederlandse kroonprinses, vond in de betovering van zo’n ‘tenzij’ een levensvervulling.

Daar kun je op twee manieren naar kijken: een politiek-kritische en een vriendelijk-menselijke manier. Van die laatste kant gezien beschrijft dit boek het leven van een jonge, sportieve, intelligente vrouw. Ze is ‘vrij’ opgevoed in een zeer beschermde, welgestelde omgeving, maar die vrijheid heeft allerlei grenzen, zichtbare en onzichtbare, politieke en religieuze. Ze heeft bovendien ouders die het in veel opzichten niet met elkaar eens zijn. Dat is verwarrend, en het werpt een schaduw over haar persoonlijke ontwikkeling. Dan wordt ze verliefd op een leuke Franse prins, Hugo van Bourbon-Parma, die net als haar vriend Juan Carlos recht meent te hebben op de Spaanse troon. Ze bloeit op. Ze kiest voor hem en voor het avontuur. Ze wordt katholiek. Ze trouwt. Ze wordt de naaste paladijn van haar man als die zich in Spanje opwerkt tot een acceptabele kandidaat voor het koningschap. Zijn carlistische beweging blijkt een raar zootje. Oud-strijders van de Burgeroorlog, radicaal-conservatieve katholieken, functionarissen van Opus Dei, antikapitalisten, federalisten: er zit van alles bij waar de goeiige Nederlandse regering zich geen raad mee weet. Men begint er maar mee om het paar zo veel mogelijk tegen te werken.

Ze hervindt zichzelf pas als ze in de tuin van Soestdijk een boom omhelst

De campagne van de carlisten voor hun pretendent is een verhaal op zich. Hooghiemstra heeft er in Spanje duidelijk puik onderzoek naar verricht. Irene komt als moderne Noord-Europese vrouw de carlisten vooral politiek van pas. Het huwelijk bewijst dat Hugo een moderne Europeaan is, en dat hij door een regerend koningshuis wordt erkend als een van hun. De campagne en het huwelijk lopen echter uit op een deceptie. Franco kiest voor Juan Carlos. Het carlistisch vuur dooft. Hugo vindt een baan in de Verenigde Staten. Het paar gaat in 1981 uit elkaar. Irene trekt weer bij haar ouders in. Ze hervindt zichzelf pas, als vrouw, moeder en feministe, als ze in de tuin van Soestdijk een boom omhelst, ik verzin het niet.

Politiek-kritisch bekeken is dit óók een boek over een jonge vrouw, die erfelijk belast is met een gapend gebrek aan realiteitszin. Ze gaat naar de zweverige school van Kees Boeke, waar haar meer praktisch ingestelde zusjes het vreselijk vinden, maar zij niet. Ze woont in een paleis en vraagt zich af hoe ‘die mensen’ aan de andere kant van het hek leven. Ze vraagt zich af wat het betekent ‘prinses’ te zijn. Niemand die tegen haar zegt: ‘Kind, dat betekent dat niemand je tegenspreekt, dat ministers voor jou achterwaarts het bordes af wankelen, en dat iedereen zegt dat je heel bijzonder bent, ook al kun je niks.’

Haar betrokkenheid bij de carlistische campagne wordt gemotiveerd door oprechte trouw aan haar geliefde, en Irene is zeker moedig en strijdbaar. Haar politiek is echter een wirwar van dromerige inconsistenties. In de loop van een paar jaar varieert ze van Franco-bewonderaarster (‘Geweldig, wat hij met Spanje bereikt!) en aanhangster van absurd conservatieve katholieke denkbeelden, tot een vurig feministe en een fan van de regeringen in Cuba, Joegoslavië en Mao-China. Je herkent in dat gewentel en gezweef en gedweep dezelfde walmende mix van religieuze, mystieke en historische denkbeelden waarmee ook haar moeder behept was. Juliana zag in de jaren vijftig een rol voor zichzelf als ‘wereld-vredesvorstin’. Waarom zou Irene dan niet koningin van Spanje kunnen worden, als al die hartelijke gewone mensen met die rode baretten dat de hele tijd tegen haar zeggen? Ook Hooghiemstra legt de vinger precies op die zere plek.

Enigszins onduidelijk blijft hoe ten tijde van Irene’s overgang naar Rome en haar betrokkenheid bij Hugo’s politieke beweging de ministeriële verantwoordelijkheid nou precies lag. Irene’s bekering lijkt een hete staatsrechtelijke aardappel, maar was het ook echt een crisis? Volgens de grondwet (en het katholieke volksdeel) verloor zij niet haar recht op de troonsopvolging, maar of zij eventueel tegelijk vorstin in Spanje én Nederland zou kunnen zijn bleef onduidelijk. Is het mogelijk dat die ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ zich juist door de keuzes van Irene is gaan uitstrekken tot de hele familie en niet alleen tot ‘de Koning’, het staatshoofd, zoals Thorbecke dat had geponeerd?

Het relaas bevestigt nog maar eens dat het bestaan van een ‘koningshuis’ de leden daarvan opzadelt met een schier onmogelijke opdracht. Wie daar, zoals Irene, niet tegelijk weerbaar en inschikkelijk in is grootgebracht, is gedoemd te worden teleurgesteld.