De prinsjes van prinsjesdag

Het heeft er serieus naar uitgezien dat er met koning Willem III een eind zou komen aan de Nederlandse monarchie. Prins Willem noch prins Alexander leken in staat de troon over te nemen. Het liep allemaal anders. Maar hoeveel lijkt prins Willem-Alexander op zijn naamgevers?

DE ROEPNAAM VAN Willem-Alexander, de huidige kroonprins, is samengesteld uit de namen van de laatste mannelijke troonopvolgers voor hem: de prinsen Willem (1840-1879) en Alexander (1851-1884), zonen van koning Willem III en Sophie van Wurtemberg. Zij waren het die het Oranjebastion in de negentiende eeuw op zijn grondvesten deden trillen. Hun levens zijn omgeven met tal van legenden en mysterien, die in hun raadselachtigheid doen denken aan de geheimen rond de Engelse prinsjes uit de Tower, met dit verschil dat Willem en Alexander grotendeels in de vergetelheid zijn geraakt.
Prins Willem (‘Wiwill’) groeide op tussen twee vuren. Het huwelijk van zijn ouders was uitgelopen op een veredelde guerrilla-oorlog over de vraag wie over de opvoeding van de jongen mocht beslissen. De zwaarmoedige koningin, die een eenzaam leven leidde aan het Nederlandse hof, wilde haar oudste zoon het liefst zo dicht mogelijk bij zich houden. Willem III wist echter gedaan te krijgen dat 'Wiwill’ onder het gouverneurschap van jhr. E. A. O. de Casembroot naar Noorthey werd gestuurd, een pensionaat in Voorschoten voor kinderen uit de hoogste standen. Volgens De Casembroot was het hoog tijd dat de prins werd onttrokken 'aan den pestilentielen invloed van koning en koningin beide’.
De afwezigheid van zijn ouders had echter een weinig heilzame uitwerking op Willems gedrag. Naar aanleiding van een straf die de troonopvolger van zijn externe opvoeders kreeg, schreef De Casembroot in zijn dagboek: 'Men ziet hoe vast een oorspronkelijk bedorven karakter bij een kind geworteld blijft.’ Hij ergerde zich dag in dag uit aan de 'onverschilligheid’ en de 'verregaande zelfzucht’ van zijn pupil.
Ondertussen gaf Willem III steeds vaker uiting aan zijn weerzin tegen het koningschap. Hij vond dat de grondwetswijziging van 1848, die bepaalde dat de ministers voortaan politiek verantwoordelijk zijn en de koning onschendbaar, hem in een staatskundig dwangbuis stopte en verklaarde met stijgend ongeduld de achttiende verjaardag van zijn oudste zoon af te wachten, om de kroon aan hem te kunnen overdragen.
Maar ook kroonprins Willem was uitermate ongelukkig met zijn hoge positie. Hij hield van gokken en drinken, en gruwde van de gedachte ooit koning te zullen zijn. De opvoedkundige adviezen van De Casembroot waren aan de jonge prins geheel verspild. Zijn reactie was elke keer dezelfde klaagzang: 'Ik heb om mijne positie niet gevraagd, ik ben er niet toe in staat, ik heb er een afkeer van.’
Naast de weerzin tegen het koningschap deelde de jonge Willem met zijn vader een voorliefde voor bordelen, benevens een reactionaire politieke inborst. Onderling betwistten de twee elkaar hun maitresses. Zo liet Willem III eens het conto van zijn zoon blokkeren vanwege diens affaire met de actrice Elizabeth Cookson in Parijs. Toen Cookson de koning op andere gedachten probeerde te brengen, installeerde hij haar in een appartement waar hij haar maandenlang dagelijks het hof maakte. Het was slechts een van de vele amoureuze affaires die de prins en zijn amoureuze vader in opspraak brachten.
IN DE TIJD DAT de opvoeding van 'Wiwill’ ten einde liep, schreef De Casembroot in zijn dagboek: 'Van den Prins, dit is zeker, hangt het behoud af, en de voortduur van het Huis van Oranje.’ Dat was op dat moment, in 1858, een logische gedachte. Willem was de oudste van de twee koningszonen - de derde Oranjetelg, Maurits, was in 1850 op zesjarige leeftijd overleden -, het huwelijk van zijn oom Hendrik was kinderloos, en een tweede huwelijk van Willem III was nog in de verste verte niet aan de orde. De Prins van Oranje belichaamde op dat moment de toekomst van de Nederlandse monarchie en dat zou voorlopig nog wel zo blijven.
Eind jaren zestig botsten koning Willem en prins Willem opnieuw hevig met elkaar. Ditmaal ging het om het prinselijke voornemen zich in de echt te verbinden met freule Anna Mathilde van Limburg-Stirum. Het standsverschil tussen de troonopvolger en de dochter van een graaf degradeerde een eventuele verbintenis tot een zogenaamd 'morganatisch’ huwelijk. Daar hadden zowel Willem III als de verschillende kabinetten onoverkomelijke bezwaren tegen.
Voor 'Wiwill’ was het conflict een test voor zijn gevoelens over de Nederlandse troon. In een tot nog toe ongepubliceerde briefwisseling met kamerheer-ceremoniemeester J. D. C. C. W. baron Constant de Rebecque, schreef hij: 'Ik heb het altijd voor een absurde, verouderde prejuge gehouden dat ik niet anders als met een prinses zou kunnen trouwen.’ In zijn brief verwijst de prins naar Napoleon III, die eveneens een morganatisch huwelijk had gesloten. 'Als dan iemand van zoveel hooger positie en wiens politieke positie van zoo oneindig meer belang is als de mijne, het met goed gevolg gedaan heeft, begrijp ik niet wat er van die zijde tegen mijn voornemen zou kunnen worden gezegd. De tijd is over dat familiebetrekkingen in de politiek een hoofdrol speelden.’ Prins Willem liet Constant de Rebecque weten eventueel afstand te zullen doen van zijn rechten als kroonprins. Hij voegde er zelfs aan toe: 'Ik reken ons land een dienst te bewijzen door heen te gaan, want wezenlijk, ik deug er niet voor.’
Alle vaderlijke adviezen die Constant de Rebecque hem gaf, waren tevergeefs. Wiwill was vastbesloten. 'Ik heb er aanleg nog lust in, het werken heeft mij altijd van kindstijd af tegengestaan en ik deed het niet anders als gedwongen; bovendien weet ik van veel zaken niets af. Van de tijd dat ik de Academie heb verlaten, en dat is elf jaar geleden, heb ik zoo gezegd niets uitgevoerd. U weet dat ik een lui beest ben.’
Op 1 december 1872 sloot de kroonprins een geheime overeenkomst met zijn broer Alexander, waarin hij afstand deed van 'al de regten, titels, waardigheden en betrekkingen’ en deze overdroeg aan zijn broer. Het document, waarvan twee exemplaren werden geschreven - een in het handschrift van Willem, een in dat van Alexander -, bestond uit vijf artikelen. Het eerste luidde: 'Het tijdstip van den afstand van de regten vangt aan zoodra de Troon der Nederlanden niet meer door Z. M. Koning Willem den derde zal worden bekleed.’ Tot dat moment verplichtten beide ondergetekenden zich in artikel 4 tot strikte geheimhouding. De twee exemplaren van het drie pagina’s lange document waren beide ondertekend door de twee prinsen: Alexander met zijn zwierige handtekening, Willem met een onbeduidend hanepootje.
HET LAAT ZICH gemakkelijk voorstellen tot welke potsierlijke taferelen het 'contract der prinsen’ zou hebben geleid, wanneer het tot een tenuitvoerlegging was gekomen. Maar koning Willem III overleefde de beide Oranjezonen en bespaarde daarmee het Nederlandse koningshuis een pijnlijk schandaal.
Halverwege de jaren 1870 geraakte de strijd van Willem junior om met de vrouw van zijn keuze te trouwen in een patstelling. Regering en koning weigerden in te gaan op zijn 'particulieren redenen’ zolang de in Parijs residerende prins niet naar Nederland terugkeerde. Bovendien hield Willem III nog een Russische prinses achter de hand, maar zijn zoon moest weinig hebben van 'die boerin’. Hij besloot voorgoed in Parijs te blijven, ook al omdat hij weinig vertrouwen had in het voortbestaan van de monarchie in zijn vaderland. 'Hoe goed dat ik niet getrouwd ben’, zou hij zich zelfs eens tijdens een diner hebben laten ontvallen, 'anders kon ik als verjaagde met mijn vrouw door Europa dwalen.’
Vanwege zijn afkeer van ceremonien en zijn norsheid bij openbare optredens had Willem in Parijs inmiddels de spotnaam 'Prince Citron’ verworven. De Figaro noemde hem boulevardier’ en 'une des plus curieuses physiognomonies de Paris’. Samen met de kogelronde Prins van Wales, de latere Edward VII, was hij een graag en veel geziene gast van salons en clubs. Binnen de kortst mogelijke tijd bouwde de Prins van Oranje al gokkend en boemelend een schuld op van zes miljoen francs, een schuld die hij inloste door de juwelen van zijn moeder te stelen en die in Parijs te verpatsen.
Ondertussen leidde hij een liederlijk leven. Hij sloeg prins Joseph Lubomirsky met een wandelstok, liep een blauwtje bij Sarah Bernhardt, kocht twijfelachtige champagne om die door te verkopen 'a vil prix’, en hield er vriendinnen op na die wedijverden om de slechtste reputatie: 'la petite Douglas’, 'Constance Piola’ en 'La Joya’. Eenmaal ontsnapte hij vermomd als keukenmeid uit een restaurant om te voorkomen dat een vooraanstaand Parijzenaar hem daar met zijn vrouw zou betrappen. Een andere keer kwam hij op de rug van een tamme krokodil een nachtclub binnen. Wanneer hij goed dronken was, placht hij op een stoel staande ellenlange passages uit Tollens’ De overwintering op Nova Zembla voor te dragen - uit het hoofd en in het Nederlands.
Koning en kroonprins waren ondertussen in een vicieuze cirkel van hatelijkheden terechtgekomen. Willem III kondigde aan zijn rebellerende zoon diens eerstgeboorterecht te ontnemen: 'Ik zal zijne uitlevering eischen van het Fransche gouvernement, en ik zal hem doen terechtstaan voor den Hoogen Raad der Nederlanden.’ Wiwill reageerde door op de dag dat zijn vader in 1879, twee jaar na de dood van koningin Sophie, hertrouwde met Emma, de luiken en deuren van zijn paleisje aan de Kneuterdijk in Den Haag te laten sluiten, hetgeen normaal alleen bij een sterfgeval gebeurde.
Vijf maanden later kwam de Prins van Oranje in Parijs op 39-jarige leeftijd te overlijden. Over de doodsoorzaak ging het gerucht dat hij in een duel zou zijn omgekomen. Het officiele medische dossier vermeldt echter een prozaische longontsteking, gecombineerd met pleuritis en bronchitis.
Met de nodige ceremoniele egards werd het stoffelijk overschot per trein naar Nederland vervoerd, begeleid door een hysterisch huilende prins Alexander. Want beide broers waren elkaar altijd zeer toegenegen gebleven, hoe zeer hun levens ook van elkaar verschilden. Willem belichaamde de decadentie van zijn tijd, Alexander de spleen.
DE JONGSTE ZOON van Willem III was van baby af aan een moederskindje geweest. Na de dood van prins Maurits in 1850 had de koningin tijdens een spiritistische seance van het Schotse medium Home vernomen dat haar overleden zoontje terug wenste te keren. Maurits verzocht, aldus Home, om een ander lichaam - dat werd de kort daarop geboren prins Alexander, die zich, aldus een dagblad, aan zijn moeder hechtte 'als de klimop aan den eik’.
Waarschijnlijk was hij homoseksueel: de bordelen waar Willem III de adolescente prins mee naar toe nam, verliet hij meestal schreeuwend. De enkele keer dat hij aan een verbintenis met een vrouw dacht, werd hij echter, net als zijn broer, in de wielen gereden door de koning. Zo verflauwde zijn belangstelling voor de Deense prinses Thyra terstond toen bleek dat hij concurrentie had van zijn vader.
De dood van zijn moeder Sophie in 1877 betekende voor hem een tragedie. 'Mijn leven is geknakt, mijn geluk is verwoest’, schreef hij aan zijn vriend Cor Beelaerts van Blokland. Tijdens de begrafenis in Delft stortte de prins zich wenend op de doodskist. Nog geen twee jaar na dit drama overleed kroonprins Willem. Opnieuw dompelde Alexander zich onder in rouw. Hij zocht afzondering bij zijn tante Maria van Wurtemberg in Zwitserland en verscheen in september 1879 zelfs niet bij de opening van de Staten Generaal, hoewel hij nu kroonprins was. Dit schoot het conservatieve Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, het lijfblad van Willem III, in het verkeerde keelgat. Onder de kop 'De teleurstelling’ schreef het dat het Nederlandse volk recht had 'Oranje in zijn midden te zien’, waarmee het tegelijk de buitenlandse escapades van de vorige kroonprins en het weinig frequente publieke optreden van Willem III laakte.
Alexander nam in het Zwitserse hooggebergte de ongebruikelijke stap hier rechtstreeks op te reageren. Hij stuurde een ingezonden brief aan de liberale krant Het Vaderland, waarin hij zijn afwezigheid verdedigde. Met het van hem bekende pathos noemde hij Den Haag 'een levend graf, waarheen het zwaar valt terug te keeren’. Het was voor het eerst dat een kroonprins zich per ingezonden brief tot het Nederlandse volk richtte. Er ontbrandde onmiddellijk een polemiek waarin vele redacties, van de Nieuwen IJsselbode tot de Maastrichtse Courrier de la Meuse, van zich lieten horen. De kroonprins was controversieel geworden. De Rotterdamsche Courant bitste dat hij 'vergetende de hoogte van het standpunt waarop Hij geplaatst is, afdaalde tot de laagte der polemiek’. De NRC was daarentegen van mening dat het de prins tot eer strekte dat hij niet onverschillig was voor de openbare mening. Het Handelsblad vond op zijn beurt dat de prins boven het perskrakeel moest staan, terwijl de Middelburgsche Courant het feit toejuichte dat de kroonprins zich 'een man van zijn tijd toonde, die zich niet op ongenaakbare hoogte verschanst achter zijn rang’.
EEN MAAND later deed Alexander opnieuw van zich horen door middel van een brochure, waarin hij de gehele verantwoordelijkheid voor zijn brief in Het Vaderland op zich nam en suggesties omtrent 'slechte raadgevers’ naar het rijk der fabelen verwees. Hij verklaarde zich nader aan de hand van de lotgevallen van zijn geliefde broer: 'Mijn broeder is bij Zijn leven in het algemeen niet begrepen, belasterd en verguisd geworden. Aan eene soortgelijke bejegening wenschte ik mij niet bloot te stellen, en van daar dan ook een der beweegredenen, die mij deden besluiten het stilzwijgen te verbreken. Niemand is te hoog geplaatst om zich tegenover zijne landgenooten te verantwoorden. Daarom ben ik zonder vrees voor de rechtbank der openbare meening verschenen, en heb haar vonnis met een gerust geweten afgewacht.’
Het verwijt dat Alexander het Nederlandse volk zou verwaarlozen, bleef hem echter achtervolgen. In 1882 schreef het rooms-katholieke dagblad De Tijd hem in een open brief: 'Het heeft den schijn alsof gij, koninklijke hoogheid, Prins van Oranje, u wilt scheiden van uw volk.’ De achtergrond van deze hernieuwde klacht was dat Alexander zich in 1882 tot Grootmeester-Nationaal van de Nederlandse vrijmetselarij had laten verkiezen. De verkiezing was omstreden, vierentwintig vrijmetselaars waren uit protest opgestapt, en toen de kroonprins ook binnen de loge argwaan proefde tegen zijn benoeming, kondigde hij direct aan te zullen opstappen: 'Uw woorden hebben mij diep beledigd. Na de dood van de koningin ben ik vijf jaar lang diep gegriefd. Men is in Nederland de kinderen van de koningin vijandig gezind.’
Alexander volhardde in zijn afzondering. Hij omringde zich met de portretten van zijn overleden moeder en broer en had voornamelijk contact met zijn papegaai, zijn hondje en zijn secretaris. Hij las de belangrijkste kranten en nodigde met enige regelmaat politici uit. Een huidziekte maakte het hem vaak onmogelijk zich geheel te kleden, zodat hij de vice-voorzitter van de Raad van State Van Reenen in onderbroek ontving. Minister Weitzel schreef na een ontmoeting met de troonopvolger dat deze er in zijn ochtendjas naargeestig uitzag, 'men zou zeggen een zieken struikrover’. Desalniettemin zag hij in de kroonprins de contouren van 'een zeer liberaal vorst’.
Alexanders neiging volledig op te gaan in zijn melancholie, benevens zijn gebrekkige fysieke conditie, stonden een normale voorbereiding op de troon in de weg. De prins bracht het grootste deel van zijn tijd in bed of in bad door, kwam nooit buiten, en in zijn paleisje aan de Kneuterdijk bleven ramen, deuren en gordijnen hermetisch gesloten.
MEDIO 1884 KREEG Alexander tyfus. Willem III was op dat moment in Duitsland aan het kuren en zijn dokters weerhielden hem ervan naar zijn zoon te vertrekken. Hij was op dat moment bovendien al hertrouwd met Emma en was vader geworden van Wilhelmina. De ziekelijke Alexander, die eigenlijk al door niemand meer serieus als troonopvolger werd gezien, beschouwde hij inmiddels als een deel van zijn vorige leven.
Op 22 juni 1884 overleed kroonprins Alexander na drie dagen intensief behandeld te zijn door zijn lijfarts, dokter L. Vinckhuyzen. De arts werd royaal voor zijn diensten beloond, maar werd desalniettemin een jaar later uit de hofhouding ontslagen.
Al deze gebeurtenissen, tekenend voor de slechte verhouding tussen Alexander en Willem III, laten tot op heden de nodige ruimte voor speculaties. Zo heeft cultureel antropoloog annex thrillerschrijver Tomas Ross de verwikkelingen als uitgangspunt gebruikt voor een dramaserie waarin hij de stelling beproeft dat de kroonprins in 1884 helemaal niet is overleden, maar door zijn vader uit het zicht is verwijderd omdat hij een zwartboek over de koning aan het opstellen was. De serie zal 'Bij de gratie Gods’ gaan heten en opent met een scene in een psychiatrische inrichting, in het jaar 1909, waar een man beweert dat hij Alexander is. De negendelige serie zal op zijn vroegst in november 1996 bij de KRO op het scherm komen. De belangrijkste tegenslag bij de voorbereiding was de weigering van de Rijksvoorlichtingsdienst om in Nederlandse paleizen te filmen. De Oranjehuizen zitten nog even dicht als een eeuw geleden.