De privatisering op de spits

Moet de Tweede Kamer nog discussiëren over de prijzen van het treinkaartje? Nee, zegt de VVD zijn minister na, we hebben het spoor geprivatiseerd en dus moeten ze het daar maar uitzoeken. Ja, zeggen oppositie, D66 en PvdA, want ze zijn bezig de spitsreizigers via prijsverhogingen de trein uit te jagen.

Aanleiding tot het debat is de aankondiging van NS om de prijs van de jaarkaarten te verhogen. Tot nu toe kunnen gezinsleden van jaarkaarthouders voor een paar honderd gulden ook een jaar lang met de trein. Die gezinsleden, zo heeft NS geleerd uit enquêtes, zijn niet meer de huisvrouwen van weleer die af en toe de trein pakken, maar de werkende partners van die jaarkaarthouder. Met als gevolg dat zij voor een prikkie meereizen in de spits. Dat is het spoor een doorn in het oog. Want op de spitsreizigers legt het bedrijf toe. In die uren moet NS namelijk de maximale capaciteit van mensen en materieel inzetten die de rest van de dag onrendabel stil staat.
Dat was geen probleem, zolang het spoor een heidsbedrijf was. Het is wel een probleem nu het als elk bedrijf geld moet verdienen. Want, zo redeneren Rob den Besten en zijn collegae, wij moeten geld verdienen om de nodige investeringen te kunnen financieren. Als het niet van de overheid komt, moeten we het van de kapitaalmarkt halen. Hoe? Door naar de beurs te gaan. Om daar met enig succes te kunnen opereren, moeten we tien procent rendement halen op het geïnvesteerde vermogen. Dat kan alleen door de kosten omlaag te brengen of de opbrengsten omhoog.
De privatisering heeft van NS eigenlijk een bedrijf gemaakt als de KLM. Het merkwaardige is nu dat de Kamer niet discussieert over de tarieven van de laatste, wel over die van de eerste. Hier openbaart zich een politiek probleem. Met de privatisering van NS en streekvervoer dacht de politiek niet alleen de verantwoordelijkheid voor een bedrijf af te stoten, maar ook die voor het goed functioneren van het openbaar vervoer. Door de regulering van de vraag naar vervoer over te laten aan de markt, zou het vervoersprobleem nog slechts indirect een politieke verantwoordelijkheid zijn. Dat laatste blijkt, tot ergernis van minister Jorritsma en haar politieke achterban, in z'n tegendeel te verkeren. Met de door de privatisering beoogde bedrijfsmatige aanpak van Den Besten c.s. wordt de politieke discussie over het openbaar vervoer niet op het gewenste zijspoor gerangeerd, maar komt zij juist hoger op de politieke agenda te staan.
Dezelfde paradox is waarneembaar in de discussie over de tweedeling in de gezondheidszorg tussen mensen met en mensen zonder werk, een tweedeling die het gevolg lijkt van de privatisering van de ziekenfondsen, en die paradox zal binnenkort ook waarneembaar worden in de op stoom rakende privatisering van de sociale zekerheid. Of het nu gaat om openbaar vervoer, om gezondsheidszorg of sociale zekerheid, telkens gaat het om de verdeling van schaarste en de bescherming van de zwakkeren door het voorkomen van risicoselectie. Die vragen laten zich niet privatiseren.