De prive- holocaust van dokter petiot

Op 31 oktober 1944 werd in Parijs kapitein Valeri gearresteerd. In eerste instantie werd hij er slechts van verdacht in dienst van de Franse binnenlandse strijdkrachten bezittingen te hebben genaast van alle als collaborateurs ontmaskerde landgenoten. Maar al gauw bleek er iets ernstigers aan de hand te zijn. Bij fouillering bleek kapitein Valeri te beschikken over 33 persoonsbewijzen van anderen. Hij droeg het lidmaatschap bij zich van de communistische partij, maar ook dat van de met de Duitsers samenwerkende Milice. Hij bleek lid te zijn van de vrienden van de USSR, maar ook van de Franse fascistische partij PPF waarvan de leiding inmiddels naar Duitsland was gevlucht.

Kapitein Valeri bleek, toen men zijn baard en snor verwijderd had, een ongehoord vette vangst. Het was dokter Petiot, de in maart, na de ontdekking van zijn dodenhuis midden in Parijs, als ‘l'abominable docteur Petiot’ of 'Doctor Satan’ berucht geworden huisarts, die minstens een jaar lang een prive-holocaust voltrok. Toen men hem kort na zijn arrestatie onder de neus wreef dat hij zou worden aangeklaagd wegens het uit de weg ruimen van ten minste zevenentwintig mensen, riep Petiot verontwaardigd: 'Dan wel correct blijven he: het waren er drieenzestig.’
Hij zei het lachend. Van stond af aan stelde Petiot namelijk wat hij tot het eind van zijn proces in maart 1946 heeft volgehouden: dat al de door hem vermoorden, van wie resten werden aangetroffen in zijn knekelhuis aan de rue Lesueur, agenten of medewerkers waren van de Gestapo, hoe verwonderlijk zulks ook was, omdat de meesten van hen joden en jodinnen waren. Petiot beweerde een en ander te hebben verricht in dienst van en in samenwerking met de verzetsgroep Fly Tox, waar hij de identiteit niet van mocht prijsgeven.
Voordat het Ardennenoffensief half december aller aandacht zou opeisen, bleven de Parijse bladen wekenlang met voorpaginanieuws over de affaire-Petiot komen.
Dat was merkwaardig genoeg ook het geval geweest in maart 1944. Toen werd, nadat buurtbewoners waren gaan klagen over de ondraaglijke stank die uit de schoorsteen van Petiots pand kwam, eindelijk een onderzoek gedaan naar de herkomst van de walgelijke caramelgeur. De brandweerlieden en politieagenten die een onderzoek deden, vielen bijna bewusteloos neer. Ze waren in een knekelhuis beland. Overal lag de vloer bezaaid met gedeeltelijk ontlede en opengesneden lijken. Stukken vlees, armen, benen, borstkassen, sleutel- en kraakbeenderen sudderden onder ongebluste kalk. Op twee roodzinderende kachels stonden potten met vlees te koken. In doodlopende gangetjes, kleine kamertjes en 'oubliettes’ van de labyrintachtige villa trof men injectiespuiten en gasmaskers. Men had een slachthuis, tevens crematorium ontdekt!
Het krankzinnigste blijft nog dat Petiot, die elders woonde en inmiddels was gewaarschuwd, er in slaagde bliksemsnel de agenten wijs te maken dat hij van het verzet was en dat de lijken van Duitsers waren. Hij fietste op zijn gemak weer weg en bleef onvindbaar tot hij in oktober 1944, inmiddels tot kapitein opgeklommen in de gelederen van de Resistance, werd ontmaskerd.
Gedurende de tijd dat de Duitsers nog in Parijs zaten, gingen de vreemdste geruchten rond de affaire-Petiot. Het collaborateursblad Je suis partout hoonde, toen de politie inmiddels had achterhaald dat de meeste lijken van joden waren, dat Petiot dus de Duitsers concurrentie aandeed. 'Eindelijk een Fransman die de tekenen des tijds verstond!’
De Duitsers, met name de Gestapo en de Milice Allemande uit de rue Lauriston, die goeddeels uit Fransen bestond, hielden de zaak zo veel mogelijk in de doofpot. Zij wisten immers dat Petiot in 1943 al eens was gearresteerd en begin 1944 door hen vrijgelaten! Petiot, die al maandelang zijn vunzige spel speelde als zogenaamde bemiddelaar voor joden die naar het buitenland wilden ontkomen - hij liet zijn slachtoffers voor medische behandeling in het huis aan de rue Lesueur komen, vermoordde hen en sloeg hun bezittingen elders op - liep toen in de val van de Gestapo, die een heel complot achter Petiot vermoedde. Bovendien wilden de bij de zaak betrokken Duitsers zelf wel een graantje meepikken. Ze lieten Petiot weer gaan nadat hij een fortuin voor hen had neergeteld en nog meer had beloofd als hij zijn gang kon blijven gaan. Inmiddels hadden ook leden van de voor de Duitsers werkende bende van Bony en Lafont contact gekregen met Petiot.
Nooit is vast komen te staan of de gangsters Petiot gebruikten of Petiot de gangsters. In elk geval zijn enkelen van hen door Petiot geliquideerd, maar ook staat vrijwel zeker vast dat Petiot heeft deelgenomen aan moordpartijen op joden door de Bony-Lafont- bende, die er berucht om was dat ze delen van de lijken van hun slachtoffers in parken en plantsoenen in Parijs verspreidden. Petiot bekende later ook prive er dergelijke praktijken op te hebben nagehouden, maar daar waren zijn slachtoffers uiteraard weer joodse agenten in Duitse dienst.
Het is ongelooflijk met welk een waarlijk satanisch vernuft, zwarte humor en verpletterend cynisme Petiot in het proces, dat in maart 1946 werd gevoerd, zijn stelling dat hij voor het verzet had gewerkt, overeind hield. Hij werd daarbij gesteund door een der beste advocaten van Frankrijk, Rene Floriot. Niet alleen kon Petiot echter nauwelijks zijn vehemente antisemitisme verbergen, vooral zijn verleden sprak tegen hem. Als arts in Auxerre - hij vestigde zich pas in 1936 in Parijs - heeft hij zich aan diverse misdrijven schuldig gemaakt. Petiot was zo goed als zeker toen al een moordenaar. Hij brak in, stal voortdurend en was een beruchte sadist.
In Parijs geraakte hij wegens diefstal zelfs in de gevangenis, en alleen aan Floriot had hij het te danken dat hij niet uit zijn ambt werd gezet toen hij zich aan handel in verdovende middelen had schuldig gemaakt.
De verzetsgroep Fly Tox bleek nooit te hebben bestaan. En 132 van de 135 beschuldigingen tegen hem kon Petiot niet ontkennen of ontzenuwen. Hij werd ter dood veroordeeld; tenminste zevenentwintig onschuldigen heeft hij met mooie praatjes naar zijn dodenhuis gelokt en vermoord. Hij werd op 25 mei geexecuteerd. Een laatste glas rum weigerde hij met de woorden: 'Nee, dat is slecht voor mijn gezondheid.’ Paul Leautaud, wiens vriend Adolphe von Bever een slachtoffer was geweest van Petiot, schreef in zijn dagboek naar aanleiding van de executie: 'Dit is het teken dat het normale leven in Frankrijk weer begint terug te keren.’