De produktieve ambivalentie

Oppervlakkig gezien is de Engelse literatuur onverzoenlijk blank en Brits. Maar wie dieper blikt, vindt vele vreemde invloeden. Van zwarten, maar ook van blanke Britten die buiten hun land geboren werden. Hun bijdrage kon wel eens van groot belang worden nu de post-imperiale crisis toeslaat. Vertaling: Tinke Davids. Dit essay werd door de auteur onlangs voorgedragen in het programma “In Other Words”, dat plaatsvond in het Soeterijn-theater te Amsterdam. Van Caryl Phillips verscheen dit jaar in het Nederlands De rivier over (vertaling Rene Kurpershoek, uitgeverij De Bezige Bij).
GROOT-BRITTANNIE IS in raciaal opzicht nooit een homogene maatschappij geweest, en daardoor is het land ook nooit in cultureel opzicht homogeen geweest. Het is echter verkeerd aan te nemen dat de “bastaardering” van Groot-Brittannie slechts een gevolg is van de post- imperiale status die het land in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft gekregen. Al in de derde eeuw n. Chr. brachten de Romeinen een divisie zwarte soldaten uit Noord-Afrika naar het land, en ze werden gestationeerd in Carlisle. Deze militairen zijn vijf jaar gebleven, van 253 tot 258 n. Chr. Daarna zwijgen de annalen weer tot aan het begin van de zestiende eeuw, toen een kleine groep Afrikanen aan het hof van koning Jacobus IV van Schotland verbleef. Zij waren waarschijnlijk afkomstig van Portugese slavenschepen, en naar Schotland overgebracht om bekeken te worden door de modieuze society.

Een overeenkomstige ontwikkeling zag men in Engeland, waar Afrikanen een rol speelden in het dagelijks leven, als huisslaven, prostituees of om het hof te vermaken. Op 11 juli 1596 werd door koningin Elizabeth I het eerste voorbeeld van racistische wetgeving afgekondigd, namelijk: “Hare Majesteit heeft vernomen dat de laatste tijd diverse zwarten naar dit koninkrijk zijn gebracht, en van dit soort mensen zijn er al te veel. Hare Majesteit wenst dus dat dit soort mensen uit het land wordt weggezonden.” De toon van deze verklaring en de kracht waarmee ze werd uitgesproken, zijn van een type dat de afgelopen vier eeuwen in Groot-Brittannie maar al te bekend is geworden.
Het zijn echter niet alleen wat Amerikanen “gekleurde mensen” noemen, die gezorgd hebben voor “bastaardering”. Het Engelse karakter - in tegenstelling tot het Britse - is, als dat van de meeste volken, gesmeed in een smeltkroes van hybriditeit. Men denkt dan onmiddellijk aan Defoe en zijn satirische gedicht “The True-Born Englishman”, dat uithaalde naar de Engelsen wegens hun slechte behandeling van de Nederlanders die samen met Willem III naar Engeland waren gekomen. Defoe somt de diverse groepen op waaruit dat heterogene wezen, de Engelsman, was voortgekomen. Hij noemt de Romeinen, de Schotten, de Picten, de Ieren, de Welsh, de Saksen, de Denen en een hele reeks Fransen. Het is duidelijk dat het Britse leven op alle niveaus, inclusief de koninklijke familie, de muzikale traditie, het parlement, het leger, sport en amusement, en het handelsleven, versterkt, gevormd en tot op zekere hoogte bepaald is door de toevallig zo heterogene aard van het Britse leven, al leeft de mythe van de homogeniteit nog steeds voort. Als schrijver ben ik geinteresseerd in de manier waarop deze toevloed van “buitenstaanders” - gekleurd dan wel anderszins - invloed heeft uitgeoefend op een literaire cultuur die oppervlakkig gezien onverzoenlijk blank lijkt, behorend tot de middenklasse, overheerst door mannen - kortom: “Engels”. Ik ben eigenlijk zelfs nog meer geinteresseerd in een specifiek aspect daarvan. De schrijvers voor wie ik belangstelling heb, dat zijn degenen die in zeer fundamenteel opzicht buitenstaanders zijn, vooral wanneer men het heeft over een “eilandcultuur”. De auteurs die mij het meest interesseren zijn de Britse schrijvers die niet in Groot-Brittannie zijn geboren, maar die boeken schrijven die in veel opzichten de kern raken van wat het betekent om Brits te zijn.
DE OUDSTE GROEP “buitenstaanders” die zich in Groot-Brittannie bezighield met schrijven, bestond in haar geheel uit nevenprodukten van de slavenhandel. Alleen al het bestaan van zwarte auteurs in de achttiende en negentiende eeuw weerlegt in niet onaanzienlijke mate de algemene opvatting dat zwarten nooit zelf hebben geschreven over de aard van hun bestaan in Groot- Brittannie. Die schrijvers waren vaak zonder daar zelf voor gekozen te hebben in Groot-Brittannie terechtgekomen, en het spreekt vanzelf dat hun geschriften - hoofdzakelijk kronieken, dagboeken en autobiografieen - de stijl en gewoonten imiteren van de literaire bewegingen van hun tijd. Ze blijken echter “anders” dan hun blanke tijdgenoten door wat ze te vertellen hebben over de Britse maatschappij.
De belangrijkste zwarte schrijvers van de late achttiende eeuw zijn waarschijnlijk Ignatius Sancho en Oladauh Equiano. Beide mannen waren als kind tot slaaf gemaakt, maar hadden beiden de vrijheid weten te verwerven en hadden leren lezen en schrijven. De autobiografische geschriften van Equiano zijn geinspireerd door zijn verzet tegen de slavernij - wat heel begrijpelijk is voor een man die een groot deel van zijn jonge jaren slaaf was geweest -, terwijl het werk van Sancho, dat de vorm van brieven heeft, een meer algemeen beeld geeft van de problemen van de geassimileerde schrijver die in Groot-Brittannie probeert te werken.
Ignatius Sancho zette in 1773, na als butler gediend te hebben voor de hertog van Montagu, een kruidenierswinkel op in de Londense wijk Mayfair. Hij woonde in de stad met zijn vrouw en zes kinderen en had contact met de vooraanstaande literaire figuren van die tijd, onder wie Sterne, David Garrick en Samuel Johnson. Zijn brieven, die na zijn dood zijn verzameld voor publikatie, zijn voor het grootste deel gewijd aan de problemen van het dagelijks leven: zijn bestaan als kruidenier en zijn zorgen over de gezondheid van zijn kinderen. Bovendien wordt in zijn brieven verwezen naar meer algemene problemen, zoals de oorlog in Amerika tegen het leger van Washington en de nadelen van het leven in Londen.
Men kan echter reeds hier, aan het allereerste begin van een schrijftraditie van niet in Groot-Brittannie geboren auteurs, een zekere ambivalentie bespeuren ten aanzien van de relatie met Groot-Brittannie, een ambivalentie die zich manifesteert als lofprijzing van, maar ook als kritiek op het land waar de schrijver nu woonachtig is. Sancho spreekt met wanhoop over de achteruitgang van zijn geliefde Groot-Brittannie, maar beseft tegelijkertijd dat hij gedoemd is altijd een buitenstaander te blijven: “Ld Sh (Lord Sandwich - cph) is naar Portsmouth vertrokken, om getuige te zijn van Engelands schande - en zijn eigen beschaming. - Waarlijk, mijn vriend, de tijd van heden is tamelijk comique - Ierland bijna evenzeer in opstand als Amerika - admiraals die twisten in West-Indie - en in eigen land admiraals die weigeren te vechten - het Britse imperium dat afbrokkelt in het Westen, vernietigd is in het Noorden - Gibraltar dat op het punt staat te verdwijnen - en Engeland is vast in slaap. Wat zegt mijnheer B. van dat alles - hij is een regeringsgezinde - wat mijzelf betreft: mij maakt het niets uit, ik ben slechts een bijwoner, en zelfs dat maar nauwelijks.”
Er zijn tal van voorbeelden in Sancho’s brieven waaruit blijkt dat hij zich hyperbewust was van zichzelf als deel van een traditie waar hij tegelijkertijd buiten stond. In een bijzonder veelzeggende passage eigent hij zich een shakespeariaans beeld toe, dat hij vervolgens ondermijnt met de realiteit van zijn eigen uiterlijk: “Stelt u zich voor, geachte heer, een man met een bolle buik, die Falstaff nog overtreft - met bovendien een zwart gezicht.”
Bij schrijvers - blanke schrijvers - die niet in Groot- Brittannie waren geboren, maar door het toeval ter wereld waren gekomen in een Britse kolonie waar de culturele zeden in alle opzichten Brits waren, kan het gevoel dat ze buitenstaanders zijn tot uitdrukking komen in een zekere ambivalentie tegenover Groot-Brittannie, een ambivalentie die niet zo heel sterk verschilt van die van zwarte auteurs. Het controversiele chauvinisme van iemand als Rudyard Kipling, de sociale betrokkenheid van een man als George Orwell, het politieke “extremisme” van Wyndham Lewis - dat alles houdt volgens mij verband met hun speciale gevoel van Brits-zijn.
Maar behalve die subjectieve ambivalentie tegenover Groot-Brittannie heeft het feit van de geboorte in zo'n marginale positie nog een ander effect op de schrijver in kwestie. Een dergelijke auteur voelt vaak de verleiding zijn of haar eigen unieke reactie op de situatie op een “on- Britse” manier weer te geven. Met andere woorden: de formele afwijking - het verlangen om niet alleen iets anders te zeggen, maar ook om het op een andere manier te zeggen - lijkt kenmerkend voor het werk van de besten en belangrijksten onder deze schrijvers. William Thackeray, Joseph Conrad, T. S. Eliot, Lawrence Durrell, Doris Lessing, Wilson Harris: dat zijn zes van de radicaalste vormvernieuwers in de Engelse literatuur, en die zijn geen van allen in Groot-Brittannie geboren. (Als ik ook de Ieren in deze vergelijking had opgenomen, had ik eveneens Yeats, Joyce en Beckett kunnen noemen, maar met alle respect voor de Ieren - het bewijsmateriaal is al krachtig genoeg, en ik heb nooit echt zeker geweten of de Ieren wel opgenomen wllen worden in de hoofdstroom van de Engelse literatuur.)
Men heeft veel verklaringen opgesteld voor deze situatie, onder meer de bewering van Terry Eagleton dat diverse crises van de Britse maatschappij dergelijke schrijvers met “toegang tot alternatieve culturen en tradities” een mogelijkheid gaf om krachtiger te reageren, doordat ze de beschikking hebben over een “breder kader waarbinnen de erosie van de orde van hun tijd geplaatst kon worden”. Eagleton verklaart op die manier iets van de aard van de “reactie” op Groot-Brittannie, alleen biedt hij daarmee nog geen verklaring voor de radicale aard van de reactie wat de vorm betreft.
Misschien ligt het antwoord voor de hand: dat de schrijver die zowel binnen als buiten een maatschappij staat (en tot die maatschappij behoort ook de literatuur), deze ambivalentie niet alleen zal uiten in zijn keuze van en aandacht voor de dingen waarover hij schrijft, maar zich ook gedwongen zal voelen een nieuwe vorm te zoeken ter expressie van die nieuwe denkbeelden. Daartoe zal de schrijver proberen de traditionele vormen van de literatuur om te buigen en om te vormen, zodat er ruimte komt voor zijn standpunt - iets wat hij liever doet dan zichzelf om te buigen teneinde te passen in een traditie die, althans oppervlakkig, zijn beeld van de wereld niet insluit.
GEZIEN DE ONWRIKBARE realiteit die de Engelse literaire traditie vormt, merkt men hoe Britse auteurs die niet in Groot-Brittannie zijn geboren, en die voor het overige niet veel gemeen lijken te hebben, plotseling verklaarbaar worden als “partners”.
Laten we twee voorbeelden noemen: de een construeert de anarchistische vorm van de roman Vanity Fair, met blanco pagina’s, tekeningen en een bizarre intrige. En de ander creeert met zijn speelse, uitbundige vindingrijkheid Midnight’s Children. “Zijn dat partners?” kan men zich dan afvragen. Rekening houdend met de verschillen in sociale achtergrond en tijd heb ik het gevoel dat het feit dat de Britse auteurs van deze boeken beiden in India zijn geboren, een factor is die in de vergelijking moet meetellen en geen toevallig gegeven dat men snel vergeet in de speurtocht naar meer verklaarbare en misschien beter verteerbare redenen voor hun “uitdaging” van de literaire vorm. Uiteindelijk ontdekt elke schrijver dat de worsteling hoofdzakelijk draait om dat ene woord: vorm. Een intrige is relatief gemakkelijk te verzinnen en personages zullen zich, als men zowel geduld als geluk heeft, uiteindelijk openbaren. Maar de vorm, de manier waarop men zijn verhaal vertelt, dat is de ultieme uitdaging, en die uitdaging houdt altijd in dat de auteur kijkt naar wat eerder is geweest en dat hij de verschillende keuzemogelijkheden in overweging neemt. Op dat punt is het mogelijk dat de “buitenstaander” minder bereidwillig reageert dan iemand die in het hart van de traditie is geboren. Met andere woorden: het is mogelijk dat de buitenstaander overvallen wordt door hartstocht, zonder de noodzaak te voelen eerst te breken. Juist omdat hij een buitenstaander is, valt er niets te breken.
In de twintigste eeuw - en met name in de tweede helft van die eeuw - is het mogelijk geweest het optreden gade te slaan van een groep schrijvers die is voortgekomen uit het Britse imperium. Deze schrijvers uit voormalige kolonien hebben zichzelf de taak opgelegd om aansluiting te zoeken bij een literaire traditie, bij gebrek aan een duidelijk definieerbare traditie in eigen land. De migratie naar Groot-Brittannie heeft bij hen echter een ambivalentie gewekt die overeenkomst vertoont met die van de schrijvers uit de achttiende en negentiende eeuw die waren voortgekomen uit slavernij.
De elegante, maar ook stekelige lofzang op Engeland door V. S. Naipaul in The Enigma of Arrival, en het meer directe Inglan is a Bitch van Linton Kwesi Johnson - dat zijn twee boeken die spreken van gehechtheid en afstandelijkheid. Maar hoe passief of agressief het gekozen standpunt van de schrijver ook is, het blijft een feit dat Britse auteurs die buiten Groot-Brittannie zijn geboren, nog steeds een bijdrage leveren aan een traditie die beweert homogeen te zijn - al is hun werk, zowel naar onderwerp als naar vorm, een radicale weerlegging van dat sprookje.
SCHRIJVERS REAGEREN op de maatschappij waarin ze terecht zijn gekomen, en bewust dan wel onbewust weerspiegelen ze de gezonde of zieke toestand van die maatschappij. En dat brengt me weer terug bij Defoe en zijn satirische gedicht “The True-Born Englishman”. Eigenlijk hebben de Britten er geen flauw idee van wie ze zijn. De gedachte van assimilatie vinden ze hinderlijk, want met dat woord zouden ze moeten toegeven dat het Britse karakter verrijkt en gebonden kan worden - als een soep “met nieuwe ingredienten uit andermans tuin”. Aan de andere kant moet men, als men bezwijkt - een woord dat ik opzettelijk kies - voor multiculturalisme, stevig in zijn schoenen staan aangaande de eigen identiteit, hetgeen kennelijk niet mogelijk is in een Groot-Brittannie dat in een zware post-imperiale crisis verkeert.
Onder deze omstandigheden zullen Britse schrijvers die niet in Groot-Brittannie zijn geboren - schrijvers met een gekleurde huid of anderszins - een zekere ambivalentie tegenover Groot-Brittannie blijven voelen, ongeveer net als Sancho - “Ik ben slechts een inwonende, en zelfs dat maar nauwelijks.” Een dergelijke ambivalentie is produktief. Zulke auteurs moeten ook een kloof overbruggen tussen de homogene traditie die verkondigd wordt en het heterogene karakter van de maatschappelijke en literaire wereld waarin ze wonen. De ontdekking van zulke discontinuiteiten is eveneens produktief. Impulsen van buiten hebben altijd dat wat wij als Engelse literatuur zien verrijkt, gevormd en tot op zekere hoogte bepaald. En dat is een proces dat, nu we de eenentwintigste eeuw naderen, weinig tekenen van een naderend eind vertoont.
In zijn gedicht definieert Defoe het verbasterde “mengsel” dat de heterogene Britse traditie schraagt, als volgt:“The Scot, Pict, Briton, Roman, Dane, submit,And with the English-Saxon all unite;And these the mixtures have so close pursued,The very name and memory’s subdued.No Roman now, no Briton does remain…Fate jumbled them together, God knows how;Whate’‘er they were, they’’re true-born English now.”(De Schot, Pict, Brit, Romein, Deen, onderwerp ze/ en verenig ze met alle Angelsaksen;/ en daar hebben de mengsels zo vlijtig naar gestreefd/ dat naam en herinnering verloren zijn gegaan./ Er is nu geen Romein, geen Brit meer over…/ Het lot heeft hen dooreengeklutst, God mag weten hoe;/ wat ze ook waren - nu zijn ze allen geboren Engelsen.)
In de driehonderd jaar die zijn verstreken sinds dit gedicht werd geschreven, kan men aan het “mengsel” toevoegen: de Pool, de Amerikaan, de Nigeriaan, de Jamaicaan, de Hongaar, de Indier, de Pakistani, de Barbadiaan, de Trinidadiaan, de Srilankaan, de Canadees enzovoort. Zoals Defoe al zei, “nu zijn ze allen geboren Engelsen”, hun bijdrage tot de Britse maatschappij is omvangrijk en belangrijk, en de bijdrage tot de Engelse literatuur is onmiskenbaar.
Groot-Brittannie blijft een land waar het gevoel van continuiteit met het verleden een hoofdelement van de nationale identiteit is. Anders gezegd: men is slechts Brits voor zover men altijd als zodanig is beschouwd. Deze geborneerde preoccupatie met continuiteit heeft in de loop der jaren de mythe van de homogeniteit gevoed. Helaas kan men de ongerijmde uitspraken van lieden die zo denken niet negeren, want in de loop der jaren hebben opeenvolgende generaties politici dit Britse gevoel van continuiteit gebruikt om zich in hun eigen positie te verschansen. In de jaren zestig was het Enoch Powell en in de jaren tachtig Margaret Thatcher die voedsel gaf aan een zekere vrees om zich te “vermengen” met “het andere”, zowel binnen Groot-Brittannie - waar “het andere” bestaat uit mensen van ander ras of huidskleur - als buiten het eigen land, en dan gaat het om Europeanen, en in het begin van de jaren tachtig zelfs om Argentijnen.
Het lijkt mij van wezenlijk belang dat dit mythische denkbeeld van “Brits-zijn” op zijn kop wordt gezet, en een beetje snel ook, want tenzij “anderen”, mensen met andere achtergronden, geboorteplaatsen en etniciteit, worden toegelaten tot het hoofdverhaal van het Britse leven, zal het land in een nog ernstiger intellectuele en morele crisis komen te verkeren. De meest voor de hand liggende plaats om te beginnen aan een herstel van het evenwicht, om de “buitenstaander” als wezenlijk element van het Britse leven eerst te identificeren en zich vervolgens aan hem gewonnen te geven, is in de sfeer van de literatuur van dat land.