H.J.A. Hofland

De proef op de som

«Hoewel het tot de doelstellingen van iedere grote mogendheid hoort een grote oorlog te kunnen voeren, is het alleen mogelijk een grote mogendheid te blijven door zo’n oorlog te vermijden», zei A.J.P. Taylor, de Britse historicus. Om zo’n mooie paradox te waarderen, moet je niet naar bewijzen vragen. De geschiedenis geeft genoeg voorbeelden van grote mogend heden die door grote oorlogen nog veel groter zijn geworden. Maar dat wordt hier niet bedoeld. Iedere grote oorlog sloopt ook de winnaar. Voor hem is de laatste vraag in welke mate hij na afloop tegen de schade bestand zal zijn.

Niet alleen Amerika maar het hele Westen is op het ogenblik op vier fronten bezig. Aan het eerste wordt de strijd tegen het fundamentalistisch terrorisme gevoerd. Het tweede front is dat van het conflict tussen Israël en Palestina. We doen wel alsof we het in quarantaine hebben gezet, maar in werkelijkheid is het direct met de terreur van al-Qaeda verbonden (en niet in de zin dat Arafat een zetbaas van Bin Laden is). De vijandelijkheden aan het derde front, in Irak, zijn nog niet begonnen. En het vierde front is dat waaraan het Westen tegen zichzelf vecht.

De vier fronten zijn onderling nauw met elkaar verbonden. Wat zich op het ene afspeelt is direct van invloed op de andere drie. Eerst het vierde front. Al lang voor de elfde september was het Westen in een toestand van maatschappelijke desorganisatie, gepaard aan een pathologisch overspannen economisch optimisme. Het optimisme verdrong de zorg om de desorganisatie. Het belangrijkste symptoom, als je het zo nog kunt noemen — de criminaliteit in alle lagen van de maatschappij — werd geleidelijk, ad hoc bestreden. Zo zijn we gewend geraakt aan de private politionering van banken, bedrijven en alle kwetsbare openbare ruimte. Geen supermarkt, tram, vliegveld, tankstation of disco zonder videocamera. Geen westers land zonder cellentekort. Geen politieke partij die niet méér politie wil. Dat was allemaal al normaal in de roaring nineties. Alleen een paar wereldvreemde scherpslijpers bleven nog nazeuren over privacy en burgerrechten.

Toen kwam de grote aanval. «De staat is terug», schreef Francis Fukuyama. Hij bedoelde de staat die oorlog tegen de buitenlandse vijand voert. «Microsoft heeft geen vliegdekschepen.» Nee, daar zijn particuliere ondernemingen niet voor. Maar de staat kwam nog verder terug dan hij al had voorzien. Met een reeks van maatregelen voor het bewaren van de binnenlandse veiligheid keerde de staat ook terug in het particuliere leven van de burger. Ten slotte kwam John Pointdexter, bekend van het Iran-Contra-schandaal, met zijn Total Information Awareness, waarbij alle persoonlijke gegevens van iedereen uit alle computerbestanden aan elkaar zouden worden gekoppeld. «Iedereen verdacht», schreef William Safire. Dit was te gek, het ging niet door. Maar wel wordt door zo’n denkbeeld van een elektronische Maginotlinie duidelijk hoe ver het Westen in de verdediging is gedrongen; hoe vast het initiatief nog in handen van het terrorisme is.

Dat geldt ook voor de toestand in het voormalige poldermodel. Onze geheime dienst luistert mee in de moskee. Het is een grote opluchting als blijkt dat de bommen bij Ikea van een afperser afkomstig zijn.

Wat wil je dan? zult u vragen. Die mensen hun gang laten gaan? Ga dan zelf naar Siberië, zeiden we in de Koude Oorlog. Laat je zelf dan ontploffen. Ik heb het over iets anders: dat de staat terug is, defensief, en gemotiveerd door een angst waartegen geen remedie bestaat behalve uitbreiding van toezicht en controle. Angst en verlangen naar repressie horen tegenwoordig tot de belangrijkste politieke motieven.

Dat is een feit van het dagelijks leven, overal in het Westen. Dit alles overkomt ons in een tijd van economische teruggang. De klassieke factoren voor paniek liggen direct onder de oppervlakte.

Onder deze omstandigheden staan we op het punt om de strijd aan het derde front, dat van Irak, te openen. We? Ja, ook ons demissionaire kabinet wil eventueel wat demissionaire strijdkrachten sturen (die, zoals het er nu naar uitziet, ook niets anders dan wat demissionair kluswerk zullen doen).

Wat zijn de argumenten die voor deze oorlog pleiten? Dat Saddam moet worden «verwijderd» voor hij de kans krijgt zijn massavernietigingswapens te voltooien en te gebruiken. Dat hij een dictator is, van wie het onderdrukte volk bevrijd moet worden. Dat met het Irak na Saddam aan de reconstructie van het hele Midden-Oosten kan worden begonnen. Na zijn verwijdering kan worden begonnen aan de uitvoering van een geopolitiek grand design dat onder een Pax Americana de olievoorziening zal garanderen. We beseffen dat de oorlog grote risico’s heeft, maar bij de verwachte winst zijn die het waard te worden genomen.

De tegenstanders verwachten in de regio een langdurige chaos die de crisis van de wereldeconomie zal verergeren, alleen het terrorisme voordeel zal brengen en het hele Westen in een nieuw Vietnam zal doen verstrikken.

Alle argumenten pro en contra kennen we langzamerhand; er valt niets aan toe te voegen. Alleen de proef op de som kan leren wie er gelijk heeft.

Toch is er een argument dat nog nadere bespreking verdient. Iedere oorlog laat diepe sporen na, niet alleen op de slagvelden maar ook in de samenleving van de strijdende partijen. «Geloof me», zei professor A.J.N. den Hollander, die de Tweede Wereldoorlog intensief had meegemaakt. «Niemand steekt van een oorlog iets goeds op. Je hebt helden en lafaards, maar uiteindelijk wordt niemand er een beter mens van.» De samenleving vergroft, de burgerij wordt gelijkgeschakeld door wetten, opgevoerd patriottisme en onverdraagzaamheid. Dat is de fall-out van de fronten in de burgermaatschappij.

Sinds 11 september wordt aan beide kanten van het wereldfront geradicaliseerd. Komt er een oorlog met Irak, dan betekent dit dat het Westen het front verlengt in plaats van dat het zich erop concentreert eerst het initiatief in de andere sectoren, tegen al-Qaeda en in het Palestijns-Israëlisch conflict, te hernemen. Daardoor wordt een zware wissel getrokken op het moreel en de redelijkheid van onze toch al verre van schokvrije publieke opinie. Een grote mogendheid kan alleen een grote mogendheid blijven door het volk maar aan één beproeving tegelijk bloot te stellen. Die variant op Taylor neem ik voor mijn rekening.