Kleinschalige biodiversiteit in Nederland

De proeftuin als paradijs

Goede plannen tot behoud van biodiversiteit stuitten tijdens de top in Johannesburg op praktische bezwaren. Hoe dit in het klein werkt, laten twee opmerkelijke initiatieven in Nederland zien. Het idealisme van Het Hof van Eden en het realisme van De Nationale Proeftuin.

Omgeven door voetbalstadion Galgenwaard, snelwegen en een padvindersclubhuis woekert aan de rand van Utrecht een klein oerwoud. Op een kilometer afstand ligt tuincentrum Intratuin, waar mensen dagelijks hun karretjes volladen met kant en klare planten en groenproducten. Het contrast met de chaotische flora van biologische boerderij Het Hof van Eden kan bijna niet groter zijn. Met oneindig geduld worden hier vele duizenden zaden of stekjes tot groei gebracht. Tijdens een rondleiding ontleedt de gids meter voor meter de dichte vegetatie tot rijtjes individuele gewassen, bloemen en planten. Vanonder manshoog onkruid komt een bed met zo’n honderd soorten wilde aardbeien te voorschijn. En kijk, zegt hij, daar liggen in emmers zestig types knoflook. En hier groeien wilde bieten en daar radijzen, kolen, granen uit het Midden-Oosten en Koreaanse venkels.

De grootste levende genenbank van Nederland is het in ieder geval, maar op de homepage van de stichting staat vermeld dat het zelfs een van de grootste van Europa is. Het kleine paradijs herbergt op zo’n zes hectare naar schatting dertigduizend soorten en variëteiten planten en zaden, die oprichter Guus Lieberwerth sinds 1979 met behulp van zijn vele contacten door de hele wereld heeft verzameld. Iedere plant koestert hij als was het zijn eigen kind. Alle kennis slaat hij op in zijn hoofd. «Vroeger gaf ik gratis zaden weg, maar ik zag ze dan later terug in dure catalogi», zegt de selfmade plantenveredelaar en dierenfokker.

Maar nu stagneren de bezigheden. «Door ruimtegebrek kunnen we niet uitbreiden. Bovendien gaat onze kostbare tijd verloren door een tegenwerkende gemeente. Ik moet vechten voor iedere vierkante meter. Wij hebben tekort aan alles waar ze in Johannesburg over zaten te vergaderen.»

Enkele werknemers van Het Hof van Eden zitten bijeen rond de buitentafel. In een grote gietijzeren pot wordt op een houtvuur water gekookt voor het avondeten. Ze roken onophoudelijk joints terwijl ze de komende rechtszaak bespreken. 22 mensen, deels met een Melkertbaan en deels vrijwillig, zijn verantwoordelijk voor de tuin. Daarnaast verzorgen ze verschillende dieren. Die worden gekruist om nieuwe rassen te fokken en dienen om een natuurlijke kringloop in stand te houden. Ze eten het afval uit de tuin en grazen het onkruid weg. Omgekeerd wordt de poep van de wilde geiten, varkens en yaks gebruikt als mest. «We zijn een drie-eenheid met als doel de mensheid te wekken om belangstelling te krijgen voor zaden en gebruiksgewassen. Levende geschiedenis en geschiedenis brengen we bijeen om een bron te vormen voor de basismiddelen waarop de geschiedenis van de mens is gebaseerd», legt Lieberwerth uit.

Fatima zit aan tafel stilletjes vanonder haar zwarte hoofddoek naar haar handen te staren. Zij zorgde altijd voor de Chinese Meischanzwijnen, en ze is helemaal van slag sinds «haar» varkens in beslag zijn genomen en tot worst vermalen. Met horten en stoten komt het verhaal eruit. Na de nodige bezoeken van milieupolitie en veeartsen kwamen op een maandagochtend in december vorig jaar veewagens voorrijden. Gealarmeerd door klachten over het welzijn van de dieren deden de politie en de Algemene Inspectiedienst een inval. Edwin Jager, een forse man die zo blind is als een mol, vertelt met zijn keurige stem hoe hij op die bewuste dag aan zijn lot werd overgelaten: «Ik heb uren alleen gestaan en kon niks doen.» Ze namen twintig yaks, tientallen schapen en geiten, eenden en tweehonderd kippen mee. Een deel is vanwege de MKZ-regels «geruimd», een klein deel keerde terug nadat was voldaan aan de eis tot betere stalling en oormerken, en een deel staat nog «bij kassing» (in bewaring). Daarover dient deze week een rechtszaak. Het Hof eist de dieren terug.

«De varkens mochten niet in de modder lopen, dat is niet schoon.» «Ze zouden het koud hebben omdat de haren recht overeind staan. Ja, er ligt wel eens een dier te sterven in de wei, maar dat is in de natuur heel gewoon», vertellen Guus, Els Stolk, Dirk Jan Toorop en Edwin Jager om beurten. «Ons hele fokproject is naar de kloten. En door dit alles komen onze werkzaamheden in de tuin in de knel. Het is een aanslag op ons zenuwstelsel. Alle energie zit nu in het procederen, maar we hebben niet eens geld voor een goede advocaat.» Telkens zeggen ze mismoedig: «En de grote vraag is: waarom? Snap jij het?»

De Utrechtse officier van justitie H. Rutgers zegt desgevraagd dat «de dieren verregaand verwaarloosd waren en er niet werd voldaan aan allerlei regels, zoals goede stalling tegen de kou, mestopslag en het bijvoederen met krachtvoer. Zij zeggen: die yaks komen uit Tibet en daar giert de kou ook door de neusgaten. Nou, dan moet je ze daar houden. Wie in ons land boert, zal aan de eisen van hygiëne, verzorging en mestopslag moeten voldoen. Ik zie een discrepantie tussen nobelheid voor de dieren en de feitelijke uitvoering. Ik ben ervoor om de naleving te controleren.»

Eigenlijk weten Lieberwerth en zijn kompanen rond de tafel best wat de werkelijke reden is. «Het is pesten. Onze autonome bedrijfsvoering wordt niet geaccepteerd», zegt Lieberwerth, die als baas het woord neemt, waarop zijn omgeving knikt en aanvult. Alhoewel niemand het met zoveel woorden zegt, ligt het terrein van de biologische boerderij bovendien op peperdure grond. Zo wil FC Utrecht stadion Galgenwaard, dat een verlies lijdt van enkele miljoenen, uitbreiden tot een sportterrein «van olympische allure». De gemeente Utrecht heeft al eerder duidelijk gemaakt andere plannen te hebben met dit gebied. Begin jaren negentig aasde PvdA-wethouder Mik van Ruimtelijke Ordening op deze wat rommelig ingerichte strook waar stad en platteland op natuurlijke wijze in elkaar overvloeien «om het gebied in structuur te brengen». Zijn voorstel kwam erop neer dat oude volkse voetbalclubs, tuinders die van vader op zoon hun kleine bedrijf voeren en Het Hof van Eden verplaatst zouden worden naar elders, zodat de grond «keurig ingericht zou kunnen worden». Voor zijn geestesoog zag hij golfbanen, villa’s en keurige fiets- en wandelpaden met wegwijzers opdoemen. Het omstreden voorstel werd uiteindelijk onder meer tegengehouden door de kleine politieke partij Stad, waar later Leefbaar Utrecht uit voortkwam.

Het Hof van Eden kreeg vervolgens onverwacht de politieke wind mee toen tijdens de UNCED-conferentie in Rio de Janeiro in 1992 voor het eerst mondiaal een verdrag werd gesloten met het voornemen wereldwijd de genetische diversiteit in stand te houden. Dat gold niet alleen voor de Derde Wereld, waar het tropisch oerwoud in het tempo van voetbalvelden per dag wordt weggekapt, maar ook voor de westerse wereld. Twee jaar later tekende Nederland het verdrag, waarin werd beloofd «alle biologische diversiteit in bodem, planten en dieren te bewaken en te bewaren». De al bestaande plantengenenbank in Wageningen werd samengevoegd met de genenbank voor landbouwhuisdieren en kon rekenen op een gulle subsidie van het ministerie van Landbouw.

De vele kleine initiatieven, zoals Het Hof van Eden, genoten opeens de warme belangstelling van de overheid. Toenmalig minister voor Ontwikkelingssamenwerking Pronk en milieuminister De Boer kwamen in Utrecht langs met in hun kielzog andere ambtenaren. Buitenlandse delegaties namen een kijkje bij de bloeiende Hollandse genentuin. Want wat daar gebeurde, stond in het klein model voor het nieuwe bewustzijn over de gevaren van schaalvergroting en monocultuur in de landbouw en de wens om meer milieuvriendelijk te boeren. Om dat te zien, hoefde je niet helemaal naar Brazilië af te reizen.

Iedereen was razend enthousiast, maar als het aankwam op subsidie werd de medewerking verbroken. «We konden — of liever: wilden — geen bedrijfsplan overhandigen. Dat doen ze alleen om ons te controleren. Autonomie staat bij ons voorop. Ik eis mijn eigen leven op, ik wil heel graag dat wetenschappers hier kunnen komen werken, of schoolklassen les krijgen om bijvoorbeeld hun eigen sla te leren verbouwen, maar dat kan niet als elk moment de kans bestaat op een politie-inval. We willen met niemand ruzie maken, maar ik wens niets met de wereld buiten ons hek te maken te hebben», zegt Lieberwerth, terwijl zijn blauwe ogen rollen.

Hij beroept zich in zijn hermetisch idealisme op het Biodiversiteitsverdrag van Rio, waarmee Het Hof van Eden formeel valt onder artikel 8J, waarin vrij vertaald staat dat de ondertekenende partijen «autochtone en lokale gemeenschappen met tradities die van belang zijn voor het behoud van de biodiversiteit dienen te eerbiedigen». «Nou», pleit Lieberwerth — die op deze warme dag gekleed gaat in twee wollen truien, een lange broek vastgesnoerd met een touw en daarover een zwarte jas tot op de grond — «wij beschouwen onszelf als een inheems volk. Ik ben net zo goed een inboorling als de indianen in het Amazonegebied. Landen zijn verplicht de middelen te verschaffen voor het realiseren van het onderschreven doel. Ik eis meer grond, zo’n 55 hectare.»

Niet mee samen te werken, wereldvreemde types die niet wensen te communiceren — zo staan ze bekend bij politie en gemeente, die de groep achter de ijzeren hekken aan de rand van Utrecht-Oost op zich goed gezind zijn. De grondgedachte over de zadenkweek vindt veel goodwill. Ze betalen vanaf de eerste dag geen cent pachtgeld en ze mogen hun gang gaan «zolang ze maar aan minimale eisen voldoen». Maar de patstelling over de dieren maakt de verhouding er niet beter op. De meeste aanwezigen zijn gelaten, maar enkelen zeggen dat «als ze in een ander land zouden wonen, ze allang de wapens hadden gegrepen». Toorop zegt: «Ik moet bij wat er met ons gebeurt telkens denken aan Hitler. Ik kan het niet helpen.»

Iemand die niet kon aanzien hoe zo’n «bijzonder en goed project» letterlijk niet verder van de grond kwam, is Coen Jutte, goed bevriend met een van de werknemers van Het Hof van Eden. Toen zijn pogingen tot samenwerking met Het Hof sneuvelden, liet het idee hem niet meer los «iets te doen om onbekende en vergeten gewassen te behoeden voor uitsterven». Hij was geïnspireerd geraakt. Jutte, die zijn baan als consultant opgaf om elke avond op de planken te staan als cabaretier, richtte als tweede baan samen met filmproducent Michaela van Wassenaer en een groep bevriende kunstenaars ruim een jaar geleden stichting De Nationale Proeftuin op. Ook zij willen aandacht vragen voor biodiversiteit, maar in tegenstelling tot Het Hof van Eden kiezen zij voor samenwerking met andere partijen als het belangrijkste instrument om een breed aanbod van gewassen te ontwikkelen.

Jutte handelt niet zozeer vanuit verheven idealisme maar meer «omdat ik geïnteresseerd ben in eigenwijze mensen. Het is zonde dat kleine stichtingen zoals Het Hof van Eden, of de Oerakker in Friesland, die zich met groentediversiteit bezighoudt, met elkaar of met de overheid in de clinch liggen. Door de laagdrempelige mogelijkheid om via de digitale snelweg zaden uit te wisselen, kunnen particulieren op kleine schaal een bijdrage leveren aan het behoud van ons biocultuur-erfgoed. Tegelijk kweek je bewustwording als iemand met eigen ogen ziet hoe bijvoorbeeld in het achtertuintje rode spinazie opkomt. Concreter kan een ideaal niet zijn.»

De eerste activiteit bestond uit het opzetten van een gratis ruilbeurs op internet en het inrichten van een stand op de Floriade. De zaadruilbeurs loopt heel goed. Op de Floriadestand kunnen mensen nog tot oktober zaad meenemen om uit te proberen. «Een nationale kruisbestuiving met als doel een rijker aanbod van producten.»

Jutte wil samenwerken met onder meer de Landelijke Vereniging van Hobbytuinders, waar 24.000 volkstuinders actief zijn in een paar honderd volkstuinparken, en het natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden.

«Deze grote kennisbronnen moet je kunnen combineren met de zaadruil. Aan het einde van fase 2 van ons project, december 2003, zijn we klaar om drie miljoen Nederlanders te bereiken met biodiversiteit voor hun eigen achtertuin: kennis en zaadjes.»

Een elegante, bescheiden bijdrage noemt Jutte zijn project om tegenwicht te bieden aan de grootschalige commerciële landbouwindustrie. «De ‹economy of scale› van de landbouw en de voedselverwerkende industrie heeft ertoe geleid dat meer dan negentig procent van de inname van calorieën van slechts dertig gewassen komt. Ook de variatie binnen gewassen neemt af. Vroeger had iedere boer zijn eigen akker met aardappels en sla, nu wordt het zaad centraal ingekocht. Als er zo eenzijdig wordt gekweekt, raken veel oude gewassen en rassen verloren. Het is niet alleen saai, al diezelfde aardappels en tomaten, maar monocultuur maakt ook kwetsbaar: als die paar rassen niet meer bestand zijn tegen bepaalde ziekten, zoals je nu ziet met het bintje, dan worden ze óf kunstmatig in stand gehouden óf ze moeten verdwijnen uit de schappen van de winkel. Diversiteit stelt boeren en tuinders overal ter wereld in staat veestapels of gewassen te ontwikkelen als antwoord op ziektes of plagen, schommelingen in het milieu of klimaat of veranderingen in de vraag van consumenten.»

Het brede publiek enthousiast maken, dat klinkt minder pretentieus dan «de mensheid wakker schudden», zoals Het Hof van Eden zegt. Om dat doel te bereiken, schuwt De Nationale Proeftuin allerminst sponsors en samenwerking met het bedrijfsleven. «Er is kennelijk een doelgroep voor biodiversiteit. Het bedrijfsleven zou kunnen inspelen op de behoefte bij mensen die wij enthousiast hebben gemaakt. Je zou zo de markt kunnen beïnvloeden op een manier, die goed is voor de biodiversiteit. Dat is natuurlijk best lastig. In de eerste plaats moeten bedrijven winst maken: de hele keten van veredeling, kwekers, boeren, veiling, handel en detailhandel moet een graantje meepikken van die bijzondere producten. Dat kan normaal gesproken pas bij een behoorlijke schaal en daarmee creëer je juist weer monocultuur. En dat was nu net niet de bedoeling. Het verbreden van het aanbod in supermarkten is daarom slechts één van de mogelijkheden. De verkoop van bijzondere soorten inzetten als ondersteuning van een onderscheidend of milieuvriendelijk imago lijkt een betere: ‹Alleen bij ons kunt u dit voorjaar rode spinazie krijgen, goed voor de biodiversiteit en dus voor het milieu!› Een tweede lastigheid is de organisatie: hoe ga je ervoor zorgen dat de pro deo-inspanningen van al die lieve oerboeren of hobbytuinders bijdragen aan de winst van een keten van ondernemingen? En belangrijker: moet je het willen toelaten dat hobbytuinders dan misschien gaan afhaken? Mag je betrokkenheid van velen ‹bekostigen› met de principes van enkelen?»

Het is het dilemma van elk idealisme: als de ideeën breed aanslaan, ga je dan mee met het eigen succes, inclusief de ethische concessies die moeten worden gedaan, of blijf je een kleine principiële tegenbeweging van de gevestigde orde? Voorlopig is Jutte heel tevreden over de «grillige gangen van de natuur op internet». Tot zijn grote vreugde zag hij vorige week dat nu ook Het Hof van Eden materiaal heeft aangeboden.