Verkiezingen in Italië

De professor, de miljardair en de komiek

Op 24 en 25 februari gaan de Italianen naar de stembus. De politiek eist zijn rol weer op na het zware jaar onder curatele van Mario Monti. Europa houdt zijn hart vast, want jawel, daar is hij weer: Silvio Berlusconi.

Medium 18681879

De tegenligger op de provinciale weg knippert een paar keer nadrukkelijk met zijn koplampen. Dat betekent: pas op, je rijdt een patrouille van de carabinieri of van de politie tegemoet. Wie iets te verbergen heeft, kan nog rechtsomkeert maken. Wie gewoon veel te hard rijdt – zoals iedereen in Italië – zakt af naar de toegestane snelheid en knippert even dankbaar terug. Direct na de controlepost neem je het estafettestokje over en waarschuw je je onwetende medeweggebruikers uit tegenovergestelde richting die dezelfde val in dreigen te rijden. Grazie amico mio!

Het was nooit bij me opgekomen om in deze in mijn ogen volmaakt onschuldige solidariteit tussen kleine lieden de wortel van het Italiaanse probleem te zien. Zo wel mijn rechtschapen Nederlandse geliefde. Na veertien jaar veelvuldige Italië-bezoeken weigert hij nog altijd mee te doen aan het estafettestokje. ‘Dat zijn dezelfde idioten die mij drie bochten verderop met levensgevaar voor iedereen inhalen op een kronkelweg waar je geen tien meter vooruit kunt zien. En dezelfden die op mijn bumper gaan kleven met knipperend groot licht omdat ik me in het spitsuur aan de snelheid houd op de snelweg. En dezelfden die…’ Heftige discussies waren het. Als je zo nodig de Nederlander moet uithangen, doe dat dan in eigen land, vond ik. Hier in Italië werkt het zo, en als het je niet bevalt, enzovoort, enzovoort.

‘Knap hoe mijn buitenlandse collega-journalisten bij iedere Italiaanse verkiezing de indruk weten te wekken dat de uitslag hoogst onzeker, totaal onverwacht en natuurlijk typisch Italiaans “bizar” zal zijn’, schrijft Curzio Maltese, de editorialista van de grootste krant van links La Repubblica. ‘Terwijl de Italianen – of ze nou twintig of negentig zijn, dat maakt niet uit – de meest voorspelbare stemmers zijn van in ieder geval Europa, maar waarschijnlijk van de hele wereld.’

Medium 18794196

Italië heeft een granieten conservatieve meerderheid van ruim vijftig procent en een progressieve minderheid van hooguit veertig procent, helpt Maltese herinneren. Het stem­gedrag van beide staat van tevoren vast. De conservatieven zijn begin jaren negentig geruisloos verhuisd van de machtige Democrazia Cristiana naar Silvio Berlusconi. En de progressieven zijn mokkend opgegaan in de weinig overtuigende pogingen van de oud-kameraden van de pci, de grootste communistische partij van het Westen, om na de val van de Muur iets ‘Engels Labour-achtigs’ of ‘Amerikaans naar Obama’ te doen. De pd, de Partito Democratico, zoals het voortvloeisel van de pci na vele naamsveranderingen heet, is er nog steeds niet helemaal uit.

Maltese’s conclusie luidt: ‘Als rechts één blok weet te vormen, wint rechts altijd in Italië. Van nu tot de eeuwigheid. Er zal nooit iets veranderen, niet eens omdat we zulke slechte politici hebben, maar omdat de overgrote meerderheid van het Italiaanse volk veranderingen haat, in exact dezelfde mate waarin het dol is op klagen, mopperen en zeuren. Dus de allerbeste manier in Italië om aan de macht te blijven is niets doen. En in dat opzicht hebben we sinds de Tweede Wereldoorlog twee wereldkampioenen gehad: van de jaren vijftig tot begin jaren negentig Giulio Andreotti en toen Silvio Berlusconi.’

Curzio Maltese is een grote naam wiens commentaren je altijd als eerste opslaat om de zin der Italiaanse dingen te vatten. Ik ben dus zo’n buitenlandse journalist waar hij het over heeft. En, vind ik het spannend? Natuurlijk. Want de Italiaanse verkiezingen van 24 en 25 februari gaan een confrontatie worden tussen de nog resterende krachtvelden binnen de ontideologiseerde westerse democratieën: kapitalisme zonder regels (Berlusconi) versus imago uit de showbusiness (Beppe Grillo) versus Europa en de internationale banken (Mario Monti). Nergens ter wereld zijn ze zo uitgekristalliseerd en krachtig vertegenwoordigd als hier, omdat Italië nu eenmaal vaak de overtreffende trap der dingen is, in het goede en het kwade. Van het Romeinse Rijk tot de Renaissance van de Medici, van de Borgia’s tot Columbus, van Machiavelli tot Mussolini, van de oudste universiteit ter wereld (1088, Bologna) tot de eerste bank ter wereld (1472, Monte dei Paschi di Siena), van Fellini tot het Vaticaan, van Ferrari tot Armani. En nu dan deze verkiezingen, waarin een populaire cabaretier met een blogpartij het opneemt tegen een uitgestreken vertegenwoordiger van Europa en het internationale establishment van de banken en natuurlijk niet te vergeten tegen hem.

Stel dat Silvio Berlusconi (76) het toch weer wordt. Dat deze schuinsmarcherende multi­miljardair, uitgekotst/gelachen door de hele wereld, voor de vierde keer premier van zijn land mag worden. Dat de Italianen het na 1994, 2001 en 2008 nóg niet hebben begrepen, of, afhankelijk van hoe je het bekijkt, juist heel goed hebben begrepen. Gewoon weer Onze Silvio, die zijn grootste talent – verkiezingscampagnes voeren – weer uit de kast heeft gehaald.

Hatsikidee, alle Italianen krijgen het geld terug van de onroerendgoedbelasting op het eerste huis dat die nare Monti ze vorig jaar afhandig heeft gemaakt. Wie wil krijgt het contant op het postkantoor, of het kan op je bankrekening worden overgemaakt. Zegt u het maar. En natuurlijk doen we weer een nationale condono, een belastingkwijtschelding, over de enorme bergen zwart (maffia)kapitaal die in het buitenland staan geparkeerd. Voor een zachte prijs mag het legaal worden teruggebracht naar eigen land, schandelijk natuurlijk, maar in het land van de knipperende koplampen waarschijnlijk de enige reële mogelijkheid om nog iets van al die miljarden terug te zien. Ook gaat hij ergens vier miljoen arbeidsplaatsen creëren, waarmee het hele drama van de galopperende Italiaanse (jeugd)werkloosheid in één klap is opgelost. De details volgen later.

Berlusconi flonkert weer als vanouds in de talkshows, nieuwsuitzendingen en middag­babbelprogramma’s voor huisvrouwen op tv. Hij heeft de stralende lach van de overwinnaar al op zijn gezicht. Televisieoptredens van politici zullen voor zes op de tien Italianen de uiteindelijke doorslag geven in deze laatste twee weken, is berekend door de Italiaanse Maurice de Honden.

Verrassend zijn vooral Berlusconi’s optredens met de zware jongens van de journalistiek. Dus niet alleen met de gedecolleteerde Barbara D’Urso’s van zijn eigen commerciële zenders, waar hij in de middagprogrammering gewoon een rode loper krijgt uitgerold. Nee, hij draait zijn hand ook niet om voor een Michele Santoro of een Enrico Mentana op La7, de journalistieke onderzoekszender van het Italiaanse Telecombedrijf. Twee meedogenloze pitbulls, die Santoro en Mentana. En alleen al bij de naam ‘Silvio Berlusconi’ krullen de neusvleugels. Maar hoe hij het steeds weer voor elkaar krijgt weet je niet, een feit is dat hij op de een of andere manier het ontstekingsmechanisme van het journalistieke vuurpeloton dat voor hem staat opgesteld onklaar weet te maken.

Michele Santoro is zich nog steeds aan het verdedigen tegen de briesende aantijging van links dat hij de aartsvijand Berlusconi begin januari weer in het zadel heeft geholpen door hem drie uur lang de kans te geven alle nuances van zijn machiavellistische aanpassings­vermogen ten toon te spreiden. Hoogtepunt was de ‘tegenbrief’ die Berlusconi na tweeënhalf uur terechte, maar al heel vaak opgelepelde beschuldigingen uit zijn jasje trok en waarin hij de aanvoerder van het vuurpeloton op de hak nam. ‘Beste Marco Travaglio (de vlijmscherpe politieke columnist van het programma – ab), uw carrière is onlosmakelijk verbonden aan de mijne, want u hebt geloof ik wel twintig boeken over mij geschreven en u bent uw carrière begonnen bij mijn krant, Il Giornale, dankzij een aanbeveling van een vriend, zoals ik me kan herinneren…’

De uitzending haalde de hoogste kijkcijfers ooit op La7, bijna negen miljoen kijkers, en Berlusconi stapte als de winnaar uit de arena: ‘Ik wilde alleen even laten zien hoe makkelijk het is om iemand voor de camera’s af te breken door van tevoren bedachte lijstjes en briefjes voor te lezen, iets wat ik uit principe nooit doe omdat ik het onsportief vind. Travaglio heeft toch lang genoeg op mij gestudeerd om het uit z’n hoofd te kunnen? Waarom durft hij me niet aan te kijken?’

En ook Enrico Mentana, hoofdredacteur en presentator van het nieuws van La7, met voorsprong het beste journaal van Italië, zat beteuterd met zijn ogen te knipperen toen Berlusconi hem vorige week even liet zien hoe geen enkel format bestand is tegen degene die onder alle omstandigheden zichzelf weet te blijven. Mentana heeft, net als Santoro, een lange persoonlijke geschiedenis met Silvio Berlusconi, zijn voormalige baas als eigenaar van Canale 5, de zender waar Mentana doorbrak als harde en onafhankelijke go getter van het nieuws. Dat houdt natuurlijk geen stand als je voor Berlusconi werkt, want er breekt altijd een moment aan waarop de baas wil dat je even meedoet, vooral in verkiezingstijden. Mentana deed niet mee en vloog eruit. En nu zaten ze tegenover elkaar als twee onafhankelijke grootheden; de hoofdredacteur van het beste journaal van Italië en ‘de man die geen introductie behoeft’.

‘Zoals u weet’, begon Mentana op het gehaaste toontje dat hem eigen is, ‘krijgt u net als de andere politieke kandidaten vijf minuten om een spervuur van mijn vragen te beantwoorden. Ik attendeer u erop dat hoe korter uw antwoorden, hoe meer de kijker de kans…’

‘We kunnen het ook gewoon afdoen met sì e no, wat mij betreft’, onderbrak Berlusconi hem grijnzend.

Daar had Mentana niet van terug. Hij ging er niet op in en dat was een fout. Hij begon op het verkeerde been, nog gehaaster dan hij toch al is, en bood daarmee Berlusconi de kans om halverwege het mini-interviewtje nog een keer te treiteren met de vraag: ‘Scusi, Mentana, maar ben ik nu snel genoeg, volgens u? Of moet er nog een versnelling bovenop?’ Wat hij precies heeft geantwoord op de mitrailleurvragen van Mentana met een nerveus tikkende eier­wekker in beeld herinnert niemand zich meer, maar deze kleine plaagstoot wel. En dat weet Berlusconi. In een land waar ‘niets doen’ de beste manier is om te overleven aan de macht tellen andere factoren. Berlusconi weet tegen wie hij het heeft. Niet tegen de interviewer van dienst, maar tegen zijn volk, oftewel de granieten meerderheid van de Italianen.

Berlusconi heeft maar één echte concurrent: de hoogleraar economie en huidige premier Mario Monti. Il professore is de enige die Berlusconi op het vlak van de meerderheid naar de kroon kan steken, al vergt het ingewikkeld rekenwerk en vele bochten door het doolhof van de Italiaanse politiek om tot die optelsom te komen. Oud-eurocommissaris Monti is zogenaamd een ‘politieke debutant’ en heeft begin januari nog snel even een eigen lijst uit de grond gestampt, met de naam Scelta civica con Monti per l’Italia (Beschaafde keuze met Monti voor Italië). ‘Wat een fantastische naam voor een politieke partij!’ schreef de al eerder genoemde Marco Travaglio in zijn kleine, anarchistische krant Il Fatto Quotidiano (Het Dagelijkse Feit). ‘Heeft Monti misschien regisseuse Lina Wertmüller in de arm genomen? We denken meteen aan haar onvergetelijke jaren-zeventigfilmtitels als Meegesleept door een ongewoon lot in augustus in een azuurblauwe zee of Film over de liefde en de anarchie, ofwel vanochtend om 10.00 uur in het bekende bordeel van Via dei Fiori’.

Mario Monti heeft waarschijnlijk niemand in de arm genomen, want hij hoeft het niet van zijn eigen lijst te hebben. Bij Monti gaat het om de keuze die de onkreukbare professore, die Italië van november 2011 tot nu op het wereldpodium heeft vertegenwoordigd, gaat maken. Hij kan de weegschaal doen doorslaan naar rechts of naar links, en het lijkt erop dat hij voor links gaat kiezen. Het mag verbazing wekken dat dat nu, zo’n tien dagen voor de verkiezingen, nog steeds niet helemaal duidelijk is, maar ook dat is Italië. Monti wikt en weegt, want iedere stap kan fataal zijn. Zijn lijst met de onmogelijke naam is goed voor een kleine vijftien procent in de peilingen en dat is dan nog bijeengeschraapt met hulp van twee andere centrumsplinterpartijtjes die aangevoerd worden door de politieke water­hoofden Fini en Casini. Twee has beens, de eerste afkomstig uit het nog altijd kloppende zwarte hart van Italië, de ‘post’-fascisten, de tweede de voormalige tassendrager van de laatste christen-­democratische stuiptrekkingen aan de toppen van de macht. Zij hebben zich gierend door de bocht der vergetelheid aangesloten bij Monti, of beter gezegd aan hem opgedrongen.

De qua Italiaanse politiek onervaren professore dacht toen nog dat zijn naam alleen toch wel voldoende was, dat hadden Obama, Merkel en Draghi hem immers verzekerd. Het verbaal begaafde en fotogenieke duo Fini Casini zou geruststellend werken voor de Italiaanse middenmoot, het electoraat waar iedereen op uit is. Dat dacht Monti, maar de getallen vallen hem tot nog toe niet mee. Zo makkelijk is het blijkbaar ook weer niet, consensus vergaren. Van het volk, niet van het Europese en Amerikaanse establishment. Want – o, ja – het volk moet stemmen. Het Italiaanse volk.

Daarom krijgen de Italianen nu op het laatste moment ‘de man achter de robot Monti’ door de strot gedouwd. Niemand was er benieuwd naar. Monti is een merknaam, geen man, en daar waren de Italianen in zeker opzicht best wel een beetje trots op. Sympathie wekte hij niet, maar het was toch van hé, dat kunnen wij ook. Gewoon, even een man uit de mouw schudden die internationaal gerespecteerd wordt – geen idee waarom – en die er blijkbaar allerlei knalharde voorwaarden voor Italië op internationale podia weet door te drukken. Ook geen idee wat voor voorwaarden, maar gewoon, dat kunnen wij ook.

Niemand zit te wachten op een tweet van Monti met ‘Wow! 100.000 followers!’ Voor de zekerheid wordt het hem nog gevraagd in het soort tv-programma waar hij eerst wijselijk niet aan deelnam: ‘Was die echt van u, professore? Kunt u dat echt, twitteren? Laat het dan eens zien.’ En vervolgens slaat Monti aan het klungelen op een schermpje, traag, onhandig, nee, het is duidelijk: hij kan niet twitteren. Test nummer twee: Monti krijgt een puppy in de armen. Ideetje van de redactie, in navolging van Berlusconi’s puppy-campagne, omdat hij zijn kleinzoontjes niet meer durft of mag gebruiken voor de foto. Dat krijg je van die bunga-bunga-feestjes en Ruby. De dochters van de tweede ex-mevrouw Berlusconi die het bruikbare fotomateriaal hebben geproduceerd (kinderen doen het op de foto goed tot ze vijf jaar zijn) doen nu zuinig, dus dan maar puppy’s. Berlusconi met een puppy, Monti ook met een puppy. Neemt u hem mee naar huis? Ja hoor, hij neemt hem mee naar huis. Hij lijkt al met al een beetje in de war, Mario Monti. Berlusconi nadoen is zeker niet de winnende strategie, want daar heb je er maar één van. Maar een mens worden, hoe doe je dat?

Alleen als de kritiek uit onverwachte hoek komt zie je ineens iets doorschemeren van de mens Monti. Toen de Financial Times op 21 januari een editorial schreef onder de kop ‘Monti Is Not the Right Man to Lead Italy’, ging hij door het lint. De kritiek van de FT was dat hij Italië weliswaar van een financiële crisis heeft gered, maar dat de economische crisis zich onder zijn bewind enorm heeft verdiept. Het gaat slecht met Italië, aldus de stelling van de FT, en de cosmetische Operatie Monti doet denken aan de te zware en onzinnige economische en fiscale maatregelen van de Duitse bondskanselier Heinrich Brüning tijdens de Weimar­republiek, waarmee hij de weg voor de opkomst van Hitler plaveide. Monti belde op hoge poten met de hoofdredacteur van de Financial Times, Lionel Barber, hetgeen resulteerde in een beetje een lullige en nietszeggende tweet van Barber: ‘Wie denkt dat de Financial Times Berlusconi steunt, vergist zich verschrikkelijk.’ Dat dacht niemand, nee, dat de FT Berlusconi steunt.

Al net zo overgevoelig wordt vanuit het Monti-kamp gereageerd op een documentaire over Italië van de ex-hoofdredacteur van The Economist, Bill Emmott. Girlfriend in a Coma had op 13 februari vertoond moeten worden in het Maxxi Museo voor moderne kunst in Rome. Het museum valt onder het ministerie van Culturele Zaken van de demissionaire regering-Monti, en vanuit die hoek is er een stokje voor gestoken. Ná de verkiezingen, luidt het devies. De documentaire is een anti-Italië-pamflet, in die zin dat het alle ellende op het gebied van maffia, bureaucratie, kastes en wanbeleid van het historisch erfgoed in beeld brengt, inclusief het met een dikke laag cement overgieten van het Unesco-landschap ‘wo di Zitronen blühn’ (Goethe tijdens zijn Italienische Reise, 1786-1788). Ook Bill Emmott is gek op Italië – welke buitenlander is dat niet? Hij is er na zijn hoofdredacteurschap gaan wonen en voelde zich geroepen om eens goed te laten zien hoe het er eigenlijk voor staat. Geen reclamespot voor de regering-Monti, dus, want Girlfriend in a Coma laat een doodziek land zien.

Monti’s lange tenen jegens kritiek uit het buitenland hebben een reden. Zijn enige legitimatie is immers het buitenland. Berlusconi kreeg van de toenmalige hoofdredacteur Emmott een cover om de oren met ‘Berlusconi Unfit to Lead Italy’, vlak voor de verkiezingen in 2001, die hij niettemin glansrijk won. Hij wist de cover om te zetten in zijn voordeel, omdat Berlusconi, net als de meeste Italianen, uitblinkt in de slacht­offerrol. En omdat hij is zoals de meeste Italianen werd deze hautaine inmenging uit Londen in interne aangelegenheden destijds ook niet geaccepteerd. De granieten meerderheid koos in 2001 voor Berlusconi, en hij maakte zijn ambtstermijn van vijf jaar vol, iets wat geen enkele Italiaanse premier sinds de geboorte van de Italiaanse republiek in 1946 was gelukt.

Over de kritiek op Monti is weinig vernomen, behalve van Monti zelf. Men voelde zich in Italië niet aangesproken. Alleen de Duitse bondskanselier Angela Merkel schoot hem tien dagen later te hulp. ‘De afgelopen maanden hebben Italië en Duitsland veel voor Europa gedaan’, zei ze op 31 januari in Berlijn, ‘maar het moet ook gezegd dat Mario Monti de belangen van zijn land met een zekere hardheid heeft verdedigd.’ Naast haar stond Monti te glunderen. Het was een opkontje van Merkel voor Monti. Ze moeten er in Europa niet aan denken, al weer het een of andere ongeleide projectiel uit Italië. Silvio Berlusconi is natuurlijk de grote rode vlag, maar een andere nachtmerrie is Beppe Grillo, de woeste cabaretier met zijn blogpartij.

Van het fenomeen Grillo snappen ze in Europa en Amerika helemaal niets. En ondanks het feit dat hij in de gunstigste peilingen op ‘slechts’ twintig procent staat, wordt hij met argusogen in de gaten gehouden. Al zal hij niet winnen, hij kan wel roet in andermans eten gooien, bijvoorbeeld in dat van Monti met zijn beoogde linkse coalitie. Want Grillo vangt in de vijver van links, niet van rechts, al is het opvallend hoeveel Italianen die zich liever nooit uitlieten over hun voorkeur in de stembus – kan klanten kosten! – je ineens eigener beweging vanachter de toonbank van hun door belastingen geplaagde kruidenierswinkeltje of trattoria toevertrouwen: ‘O, ik ga op Grillo stemmen. Ik heb er tabak van, van dat hele corrupte zooitje. Laat Grillo het maar eens proberen, want erger dan dit wordt het toch niet. Kunnen we tenminste lachen.’

De enige voor wie niet geldt dat de stem in de laatste twee weken op tv zal worden bepaald, is Beppe Grillo. Om een eenvoudige reden: Grillo verschijnt niet op de televisie. Dat is de les die hij uit 25 jaar Italiaanse tv-censuur heeft getrokken. Hij heeft zijn succesvolle carrière als cabaretier zonder tv opgebouwd op de pleinen en in de theaters, omdat niemand hem durfde uit te nodigen. Ja, nu willen ze hem wel, in de vele avondvullende politieke programma’s. Maar nu wil híj niet meer. Dus mogen de televisie­camera’s zijn Tsunami Tour door heel Italië komen vastleggen; hij gaat niet als een afgerichte hond in talkshows zitten meeblaffen. Grillo heeft zijn eigen spelregels gecreëerd, aanvankelijk noodgedwongen, inmiddels als keuze. Hij bereikt als enige de kiezer direct, want de Tsunami Tour is een groot succes, van Sicilië tot Bologna. Hij zal de tour op vrijdag 22 februari, de laatste avond van de verkiezingscampagne, afsluiten op het historische plein van de communisten, het immense Piazza San Giovanni in Rome. Terwijl de Partito Democratico weer eens aan het dutten was, of bezig met de kwestie ‘wie zijn wij en waar gaan we naartoe?’, heeft Grillo ze deze symbolische plek weten af te kapen. ‘We hebben Piazza San Giovanni!’ liet hij zijn blogpubliek triomfantelijk weten op beppegrillo.it, de site die dagelijks door miljoenen Italianen wordt aangeklikt.

Op diezelfde site staat het programma van Grillo en zijn Vijf Sterren Beweging handzaam samengevat. Twintig voor iedereen makkelijk te begrijpen punten, die je kunt uitprinten op één A’4tje, en ronddelen. Veel punten gaan over het terugschroeven van de politieke macht, het afschaffen van publiek geld voor politieke partijen en voor de oneindige hoeveelheid kranten die leven van de belastingbetaler, en over de invoering van ‘politometro’, oftewel controle van de bankrekeningen en bezittingen van de politici van de laatste twintig jaar. Wie zich onrechtmatig heeft verrijkt met publiek geld geeft het terug en Gaat Direct Naar De Gevangenis.

Grillo’s Monopoly-spel voor wie niets moet hebben van de politiek biedt verder: afschaffing van de onroerendgoedbelasting op het eerste huis, een verbod op inbeslagneming van het eerste huis door banken, een ‘burgersalaris’ van duizend euro per maand voor wie geen werk kan vinden, financiële hulp aan de vele kleine ondernemingen die op het punt van sluiten staan, en een referendum over de euro.

Over tien dagen is het zo ver. Dan zullen de Italianen op hun heilige zondag weer naar de stembus gaan. In de meer dan achtduizend gemeenten van de laars die zich uitstrekt van de Zwitserse Alpen tot bijna Tunesië zullen ruim zestig miljoen Italianen zich die dag even belangrijk voelen. Niet iedereen gaat stemmen, uiteraard. Behalve de niet-stemgerechtigden tot achttien jaar is de partij van de aangekondigde stemonthouders op dit moment net zo groot als de grootste partij in de laatst toegestane peilingen, de Partito Democratico. 35 procent zegt het nog niet te weten of al besloten te hebben niet naar de stembus te gaan. Maar dat is nu. Uiteindelijk zullen de meeste Italianen op het laatste moment toch doen wat ze altijd hebben gedaan: naar het stemhokje gaan in de dichtstbijzijnde basisschool en ergens een kruisje zetten. De aversie tegen de politiek is groot, maar het gaat wel om de portemonnee, een argument waar de Italianen na het zware jaar Monti zeer gevoelig voor zijn. De ‘meest voorspelbare stemmers ter wereld’ moeten kiezen tussen het saaie, strenge Europa van Monti, het Italië van Berlusconi of de antipolitieke revolutie van Beppe Grillo. Oftewel tussen nog meer belasting, doorfeesten op de Titanic of allemaal een laptop kopen en een meedenkende burger worden op internet. Voor voorspelbare stemmers lijkt dat geen moeilijke keuze, maar wie weet verrassen de Italianen deze keer niet alleen de wereld maar ook zichzelf.