Economie

De prooi

De gok van een kabinet met een wankele meerderheid heeft verkeerd uitgepakt en Nederland betaalt daarvoor. Rutte’s kabinet heeft zichzelf de opdracht gegeven om de overheidsfinanciën op orde te brengen door achttien miljard te bezuinigen. Aan die opdracht heeft het kabinet bij lange na niet voldaan: er is een gapend gat in de staatskas; het vertrouwen van de consument is op een dieptepunt; de politieke chaos is zo groot dat een ordentelijke begroting voor 2013 ijdele hoop is en dat de Nederlandse economie een prooi lijkt voor een afwaardering door de credit rating agencies of een speculatieve aanval van financiële markten.

Rutte produceert een grandioze mislukking maar hoopt toch op een spectaculaire bonus, namelijk het voordeel van de premier in de strijd om de gunst van de kiezer. Rutte is de Rijkman Groenink onder de politici.

Maar de schade van het gevallen kabinet is veel groter dan een gat in de begroting; het vertrouwen in de toekomst heeft een flinke deuk opgelopen. Dat vertrouwen was al niet groot. Op de vraag of hun kinderen het beter hebben dan zij antwoorden steeds meer Nederlanders ontkennend. De angst voor de toekomst heerst niet alleen aan de onderkant van de sociaal-economische ladder maar ook bij een flink deel van de middenklasse. Tezamen maken zij de flankpartijen PVV en SP groot. Deze partijen houden publieke regelingen als gratis zorg, ontslagbescherming, WW-uitkeringen en de huidige pensioenleeftijd in ere. Een flink deel van de middenklasse lijkt derhalve zekerheid te zoeken bij deze publieke regelingen, temeer omdat traditionele verbanden als familie, dorp, kerk en vakbond dit niet meer bieden. Deze redenering veronderstelt wel dat de positie van de middenklasse onder druk staat. Maar is dat zo?

Het is niet zo dat het reële inkomen van de middenklasse structureel onder druk staat. Het beeld van toenemende inkomensongelijkheid is op Amerika maar niet op Nederland van toepassing. Terwijl dáár economische groei volledig toevalt aan de één procent van de rijksten en het reële inkomen van de middenklasse niet stijgt, is híer de inkomensongelijkheid nagenoeg stabiel. Wel is in Nederland het verschil tussen de onderkant en het midden van het inkomensgebouw toegenomen. Dit heeft een groei in werkgelegenheid mogelijk gemaakt, met name in de jaren negentig, zodat Nederland nog steeds een relatief lage werkloosheid en een relatief hoge arbeidsparticipatie kent.

Het is wel zo dat inkomen geen volledige karakterisering van de sociaal-economische positie biedt. De econoom Robert Frank wijst er in Falling Behind op dat de Amerikaanse middenklasse minder spaart, meer uren werkt, een langere forenstijd heeft en minder slaapt. Volgens Frank poogt de middenklasse op die manier hun materiële, zichtbare status overeind te houden, hoewel het reële inkomen van de Amerikaanse middenklasse structureel stagneert. Tevergeefs natuurlijk. In Nederland heeft zich ook een ongelijke strijd voltrokken, vooral rondom schaarse woningen. Amsterdam kan als voorbeeld dienen. In de jaren tachtig is de daling in het bevolkingsaantal gestopt en de trek naar de stad op gang gekomen. Met name de hoogopgeleiden hebben voor de geneugten van de stad gekozen, en zij maken inmiddels meer dan de helft (!) van de bevolking uit. Deze trek heeft Amsterdam meer dan gemiddelde groei in productie en werkgelegenheid opgeleverd maar ook fors stijgende huizenprijzen. Daarmee is de stad voor sommige groepen onbetaalbaar geworden. De laagopgeleiden zijn in goedkope sociale huurwoningen achtergebleven maar de middenklasse is verbannen. Een flink deel is onder druk van de almaar stijgende huizenprijzen uitgeweken naar plaatsen als Almere, Purmerend, Lelystad en Zaanstad. Zo heeft de economische concurrentie om schaarse woningen geleid tot een geografische scheiding van sociaal-economische klassen en van politieke voorkeuren. Zo domineert in Amsterdam Paars-plus. Daar hebben PVV en SP geen voet aan de grond terwijl in banningsoorden als Almere en Purmerend deze partijen juist een flink deel van het electoraat voor zich hebben gewonnen. Zo heeft het CDA vrijwel geen positie in de grote steden en ondervindt het in Brabant en Limburg grote concurrentie van PVV en SP.

De Nederlandse politiek moet zich niet het tempo door alleen de financiële markten laten dicteren. Het moet zich realiseren dat in het Catshuis het Nederland van twee snelheden abrupt tot stilstand is gekomen. De roep om snelle bezuinigingen en echte hervormingen is niet te verenigen geweest met de hang naar het behoud van een beetje koopkracht en gratis zorg. Paars-plus kan misschien de financiële markten en de grote steden overtuigen met harde ingrepen, maar een deel van Nederland en de middenklasse zal zich prooi van grootstedelijke arrogantie en de financiële markten voelen en zal verder vervreemden van de Haagse politiek. Als de SP bij de komende verkiezingen een grote winst weet te boeken, mag zij in het nieuwe kabinet deze keer niet ontbreken.