De prototypische fortuynist

tekening: PJ Roggeband

Jaap Bos
Evart van Dieren: Een kroniek van het falen
Amsterdam University Press, 296 blz., € 37,50

Medium opening 2

Wie regelmatig een antiquariaat of een minder voorname zaak met tweedehands boeken bezoekt, is ongetwijfeld wel eens gestuit op boeken of brochures met titels als Het socialistisch gevaar: Eene bijdrage tot de kennis der besmettelijke zielsziekten, tevens een waarschuwing aan autoriteiten, ouders en onderwijzers enz. of De nadeelige invloed van fel zonlicht en sport op lichaam en geest, met een inleiding over ‘de Engelsche ziekte’ en ‘het Engelsche gevaar’. Wie vervolgens nieuwsgierig het boek opensloeg, zal hebben ontdekt dat de auteur ene E. van Dieren was, arts te Amsterdam, die tevens publicaties op zijn naam had staan als Voor artsen en leeken: Indien ik aan tuberculosis leed, liet ik mij niet inspuiten met het middel van Koch en Prof. Freud. De uitvinder van de z.g. psychoanalyse of te wel ‘diepte’-zielkunde en het door velen onderschatte perverse gevaar.

Hier rijst onmiddellijk het beeld op van een maniak, van een even conservatieve als querulanteske betweter die fanatiek tekeergaat tegen de moderne tijd. Zijn curieuze tirades tegen fenomenen als socialisme, feminisme, psychoanalyse, naaktlopen, zonaanbidding, de ‘dansziekte’ en de ‘hand-over-hand-toenemende sportepidemie’ doen de hedendaagse lezer onveranderlijk gniffelen, aangezien de rabiate toon waarop Van Dieren de ondergang van het Avondland aankondigt het gelijknamige boek van Oswald Spengler doet verbleken tot een uiterst blijmoedig en optimistisch geschrift. Het is dan ook geen wonder dat auteurs als Martin van Amerongen, Max Pam en Boudewijn Büch vanaf de jaren zeventig vermakelijke artikelen hebben geschreven over die malle dokter Van Dieren, die een hopeloos achterhoedegevecht had geleverd tegen de vooruitgang en die hooguit kon gelden als een op hol geslagen spreekbuis van de meest bekrompen kleinburgers.

Toch is dit dédain enigszins misplaatst, omdat het achteraf natuurlijk wel heel gemakkelijk is om te constateren dat Van Dieren meestal ongelijk had en dat zijn verzet zinloos was. Bovendien zijn er nog altijd mensen die met kracht van argumenten beweren dat Freud een charlatan wás, terwijl ook het socialisme heden ten dage een allesbehalve goede pers heeft. En in de controverse waarover Van Dieren ongeveer een halve eeuw heeft gepubliceerd – de oorzaak van beriberi – bleek niet hij het bij het verkeerde eind te hebben, maar aanvankelijk ook zijn opponenten. Het was echter tekenend voor Van Dieren dat toen onomstotelijk was aangetoond dat de ziekte voortkwam uit vitaminegebrek, en zijn voornaamste tegenstander hiervoor de Nobelprijs had ontvangen, hij weigerde zijn ongelijk te erkennen.

Iemand die er zulke zonderlinge ideeën op nahield en er in belangrijke kwesties vrijwel altijd naast zat, lijkt hooguit interessant als onderwerp van een onderhoudend weekbladartikel, maar zeker niet van een wetenschappelijk boek. Toen de socioloog Jaap Bos aankondigde dat hij over Van Dieren toch een boek ging schrijven, werd hem dat dan ook ten zeerste afgeraden. Het is echter goed dat hij zich hier weinig van heeft aangetrokken, aangezien deze door hem geschreven ‘kroniek van het falen’ zich niet beperkt tot het weinig opvallende leven en de curieuze denkbeelden van Van Dieren, maar tevens licht werpt op een maatschappelijk fenomeen: de verbitterde, rancuneuze mislukkeling die zich gedwarsboomd voelt door de ‘elite’, de ‘kliek’ van autoriteiten die elkaar de bal toespelen en de hand boven het hoofd houden en hun critici op geraffineerde wijze monddood maken.

Evart van Dieren (1861-1940) was de zoon van een huis- en rijtuigschilder, en hoewel zijn hbs-diploma hem toegang verleende tot de medicijnenstudie had hij niet het recht te promoveren. Zijn studie werd bekostigd door de overheid, waarna hij contractueel verplicht was enkele jaren als legerarts te dienen. In het elitaire studentenwereldje genoot hij dus weinig aanzien, wat zijn aversie tegen ‘de kliek’ zeker zal hebben gevoed. Als huisarts in Amsterdam was hij succesvol en kon hij zich op den duur een pand aan de Keizersgracht veroorloven. Hij had fameuze patiënten als Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Alphons Diepenbrock. Door de laatste kwam hij ook in contact met kunstenaars en intellectuelen als Jan Toorop, Herman Gorter, Frederik van Eeden, Albert Verwey en Henriette Roland Holst. Maar ook in hun kringen hoorde hij er niet bij, en werd smalend gesproken over ‘Van Dieren met zijn hbs-argumenten’.

Wellicht had hij zijn nederige afkomst en beperkte intellectuele capaciteiten kunnen compenseren met een forse dosis sociale intelligentie, en had hij door tactvol ellebogenwerk in het gevlij kunnen komen bij de mensen ‘die ertoe deden’. In plaats hiervan beschikte hij zeer waarschijnlijk over een persoonlijkheidsstoornis, die hem voortdurend de confrontatie deed zoeken en waardoor hij door tegenspraak slechts gesterkt werd in zijn eenmaal ingenomen standpunten.

Het goed geschreven boek van Bos laat zich niet alleen lezen als een profielschets van de ideale lpf’er of pvv’er, maar biedt tevens een interessant tijdsbeeld, dat nog eens duidelijk maakt dat veel van wat wij tegenwoordig als common sense beschouwen ooit controversieel was, en dus vol vuur en overgave werd bestreden. Niet alleen de overwinnaars van deze strijd hebben recht op een plaats in de geschiedenis, ook de verliezers zijn vaak heel interessant.