De provinciale staat

IN EEN ESSAY met de titel ‘Over de dwang en onmogelijkheid om jood te zijn’ verhaalt de van oorsprong Oostenrijkse schrijver Jean Améry over de dag dat hij in een Weens café in de krant leest over de zojuist in Duitsland afgekondigde Neurenberger wetten. Hij hoefde, schrijft hij, die wetten maar vluchtig te lezen om onmiddellijk te begrijpen dat ze hém betroffen, en dat veroorzaakt een dubbele schok. Natuurlijk in de eerste plaats vanwege de aard van die wetten zelf, maar ook omdat hij plotseling beseft dat die wetten hem voor het eerst van zijn leven volledig tot jood stempelen. Améry was etnisch gesproken dan weliswaar joods, hij werd echter niet binnen de joodse maar binnen de katholieke traditie opgevoed. En, zoals hij stelt, ‘men kan bij een traditie die men verloren heeft weer aansluiting zoeken. Men kan haar echter niet zomaar voor zichzelf uitvinden’. Joods kon hij derhalve niet zijn, noch ooit worden, zo had hij gedacht. Toch werd hij het die dag in dat Weense café. De maatschappij, die van de nationaal-socialistische staat - een staat die door de hele wereld werd erkend als de legitieme vertegenwoordiger van het Duitse volk, merkt Améry fijntjes op - máákte hem tot jood. ‘Niet het zijn benauwt me’, schrijft hij dan ook aan het slot van zijn essay, ‘of het niets of God of de afwezigheid van God, alleen de maatschappij.’

Het is altijd de blik van de ander die ons maakt tot wat we zijn moeten. ‘L'enfer, c'est les autres’, stelde Sartre, en de blik die Améry trof, daar in dat café in Wenen, was natuurlijk een extreme gewelddaad, omdat het van hem een jood maakte in een tijd dat een jood ein Nichts was, Ungeziefer. Het is de blik in zijn meest extreme, naakte gedaante, de blik in zijn brutale essentie, die duidelijk maakt dat het opleggen van een identiteit aan een ander (etnisch, cultureel, nationaal of anderszins) uiteindelijk altijd bedoeld is om die ander te vernietigen als wie of wat hij is, om de ander niet te zien. In een boek dat Améry een paar jaar voor zijn zelfverkozen dood in 1978 over de Freitod schreef, Hand an sich legen (1976), vindt men echter ook een uiterst beklemmende, pagina’s lange beschrijving van de laatste uren van de suïcidant, die op een merkwaardige manier duidelijk maakt dat het zonder de bepalende, usurperende blik van de ander ook niet gaat. Die beschrijving wordt vrijwel geheel gedomineerd door het zelfgesprek van de suïcidant met zijn eigen spiegelbeeld, een spiegelbeeld dat niets meer terugkaatst. Tegenover een dergelijk beeld staat men machteloos. Men kan zich nu eenmaal niet tegen niets verzetten; het is een logische onmogelijkheid, en Améry’s zelfmoord was dan ook de paradoxale daad van iemand die alleen door nee te zeggen tegen wat hij zelf was nog een mogelijkheid zag om zichzelf te bevestigen tegenover het niets dat anderen van hem hadden gemaakt. Men moet íets zijn, zo maakt die beschrijving duidelijk, en men wordt pas iets in de ogen van een ander. Op een bepaalde manier hebben wij de blik van de ander dus ook nodig. Die blik berooft ons dan misschien van een door ons ervaren eigenheid, in haar minder extreem gewelddadige vorm biedt ze ons tegelijkertijd de mogelijkheid om te bestaan. Denk maar aan de liefde. In haar vorig jaar verschenen indrukwekkende boek Hapschaar schrijft Anneke Brassinga dat liefde uiteindelijk niets anders is dan de projectie van het eigen verlangen in de ander. Die wordt zo tot symbool gemaakt, móet symbool zijn zelfs, alles, behalve zichzelf. Maar: 'Berg je maar wanneer je geen symbool meer bent’, schrijft Brassinga ook. Zonder de in wezen overweldigende blik van de ander gaat het blijkbaar niet in de liefde. De ander móet ons een hel zijn, willen we iets van de hemel deelachtig worden, zo lijkt het. PROVINCIALIS SUM ergo sum, zo zou ik nu, met een zoveelste variant op Descartes’ beroemde uitspraak, bijna willen zeggen: ik ben provinciaal dus ik ben. Het provinciale is een identiteit die ik nooit voor mezelf gekozen zou hebben, maar die mij door anderen is opgedrongen, door hen die zich in het centrum van de economische, politieke en culturele macht bevinden. En die benaming betekent niets goeds, natuurlijk. Ze is bedoeld om mij volledig te identificeren met een bepaalde plek die zelf weer synoniem is met overwegend negatieve waardebepalingen. Wie, zoals ik, jaren als een 'Groningse dichter’ is geïdentificeerd, weet daar alles van. Hij draagt onmiddellijk gele oormerken. De dichter mag dan misschien een koe zijn, zoals Achterberg ooit dichtte, hij is dat toch alleen in metaforische zin. Wie middels het epitheton Gronings wordt geoormerkt, is vooralsnog de metaforen voorbij en zijn poëzie is tot nader order verbonden met wat achter een dergelijk bijvoeglijk naamwoord schuilgaat, is provinciaal - een woord dat volgens mijn te Utrecht en Antwerpen uitgegeven Van Dale nooit zonder bijgedachten wordt uitgesproken. Provinciaal, dat is: 'minder cultuur, minder ontwikkeling hebbend, benepen, niet-ruimdenkend’. Niets goeds dus. Ik ben met dat alles inmiddels zo vertrouwd geraakt dat ik het op een zeker moment heb opgegeven om mij ertegen te verzetten en bijvoorbeeld te vragen waarom J. Bernlef dan geen Amsterdamse dichter wordt genoemd. Al moet ik toegeven dat ik soms nóg de neiging heb om degene die mij aldus identificeert te wijzen op het feit dat ik inmiddels allang verhuisd ben. (Niet dat dat veel zou helpen: ik verhuisde naar Leeuwarden, naar Haarlem en ten slotte naar Gent.) Voor een dergelijke identiteit kiest men niet zelf, zei ik zoëven, zodat het wel moet lijken dat mijn 'ik ben provinciaal dus ik ben’ in feite een ironische uitspraak is die precies het omgekeerde betekent van wat hij zegt: een trap achterwaarts met de hoeven naar diegenen die mij die hoefjes hebben aangemeten. En niets is gemakkelijker dan om bijvoorbeeld het epitheton Gronings (of Fries, of Vlaams) tot geuzennaam te verheffen en zalig te schimpen op de door zelfglorificatie aan beide ogen blind geworden Amsterdammers - bij uitbreiding: de Hollandse randstedelingen, of, bij een nog wat nadere toespitsing: grachtengordeldieren - die te weinig buiten hun zelfverklaarde centrum treden om te beseffen dat hun air van kosmopolitisme en internationalisme, van tolerantie en multiculturalisme in wezen een gemakkelijk door te prikken fictie is waarachter niets anders schuilgaat dan de benauwende mentaliteit van de dorpspomp. Misschien moet men juist wel in Groningen wonen om dat te kunnen zien. Of in Gent. Niets lijkt eenvoudiger dan om met gebruikmaking van dezelfde bijgedachten het werkelijke provincialisme daar te situeren waar het zo vaak en, wat erger is, zo gedachteloos over mij wordt uitgesproken. Maar zo gemakkelijk wil ik het mijzelf niet maken. Het zo eenvoudig vast te stellen 'randstedelijk provincialisme’, zoals ik dat wel eens noem, zou mij precies datgene ontnemen waarbij ik grotendeels besta: de illusie van het centrum, de illusie van het randgebied dus ook. Zodat ik wel moet concluderen dat ik het 'ik ben provinciaal dus ik ben’ blijkbaar zónder ironie uitspreek, dat het voor mij een bepaalde waarheid vertegenwoordigt zelfs, iets betekent althans waarvan ik blijkbaar geloof dat het mij in beeld brengt als dat wat ik ben. Dat moet ook bijna wel, want wie als ik de laatste jaren zo vaak verhuisde en in de vrije keus - want ik had de vrije keus - om zich waar dan ook te vestigen steeds, opzettelijk leek het wel, vermeed om zijn domicilie in het alom erkende centrum te kiezen, terwijl hij anderzijds vanwege zijn werkzaamheden noodzakelijkerwijs op dat centrum was aangewezen - op de daar aanwezige uitgeverijen, kranten, weekbladen, op de literaire infrastructuur -, die heeft daarbij blijkbaar een zeker belang. Hij wil buitenstaander zijn, of meer precies: hij wil als buitenstaander deelnemen aan het centrum. De lange autoritten waartoe hij zichzelf dwingt zijn een diepe behoefte waarmee hij ook in fysieke zin terugkeert naar wat hij in metafysische zin blijkbaar wil zijn: zichzelf. 'IDENTITEIT’ IS ALTIJD een kwestie van metafysica. Dat komt al meteen aan de oppervlakte als je het 'ik ben provinciaal dus ik ben’ vergelijkt met de uitspraak waar het zo duidelijk de variant van is: Descartes’ 'ik denk dus ik ben’. Natuurlijk is de eerste uitspraak door de herhaling van dat 'ik ben’ lang zo elegant niet, maar zij is ondanks de gelijkenis ook van een andere aard. Descartes koppelt denken (een menselijke activiteit) aan zijn (een toestand) en rekent zo onder andere af met de gedachte dat de mens zijn bestaan aan God dankt. Niet voor niets speelt de twijfel bij Descartes een allesbepalende rol, zodat je kunt zeggen dat er aan zijn beroemdste uitspraak eigenlijk nog eentje voorafgaat: ik twijfel dus ik denk. Niet voor niets ook begint wat wij de Verlichting noemen juist bij Descartes. Van enige twijfel is zo ogenschijnlijk in mijn variant niet veel meer over. Integendeel: dit is je reinste teleologie. De provinciaal als alpha én omega, en wie nu naar de bijbel grijpt heeft groot gelijk. Hij hoeft ook niet lang te wachten voordat hij een uitspraak tegenkomt waarmee je de mijne misschien beter kunt vergelijken dan die van Descartes. Al in Exodus 3, vers 13 en 14, vraagt Mozes aan de uit zijn brandende braambos tot hem sprekende God wat hij moet zeggen als de Israelieten willen weten hoe de God heet met wiens boodschappenlijstje hij de berg af zal komen. 'Ik ben die ik ben’, antwoordt God. Hij voegt er ten overvloede aan toe: 'Aldus zult gij tot de Israelieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden.’ Dit is waarschijnlijk wat het woordenboek met 'niet-ruimdenkend’ moet bedoelen, en waarom zou ik mij per se tot iets dergelijks willen bekennen? Want, als ik overstap van de metafysica naar de politiek, leidt een dergelijke provincialiteit in de politiek niet tot het vertalen van 'eigenheid’ in opvattingen die men aantreft bij partijen met namen als Front National, FPÖ, Lega Nord, Vlaams Blok of Centrumdemocraten? Het valt niet te ontkennen dat er een verband bestaat tussen het insisteren op de eigen identiteit en de partijprogramma’s van extreem-rechts en dat wie zichzelf al te gretig tot het provincialisme bekent, het bijvoorbeeld inderdaad als geuzennaam gaat dragen, er gevaarlijk dicht bij in de buurt komt. Maar ik zei al: ik zou het provincialisme nooit als mijn identiteit hebben gekozen; het wordt mij opgelegd door een centrum dat zichzelf tegenover mijn veronderstelde benepenheid als ruimdenkend definieert, en dat zelf dus meent aan elke meer omkaderde identiteit te ontsnappen. En je kunt je afvragen of dat politiek gesproken niet veel gevaarlijker is. In Cynicism and Postmodernity stelt Timothy Bewes, verwijzend naar Tony Blairs zo succesvolle New Labour, dat politici vandaag de dag lijden aan een fundamentele verwarring 'between the affairs of politics and those of metaphysics’. Wie als Blair (of als Kok), zich impliciet beroepend op het postmoderne 'einde van de meta-verhalen’, het socialisme van zijn ideologische lading ontdoet, geeft zich over aan de status quo en is in wezen cynisch. Het politieke heeft nu juist altijd bestaan bij juist het verzet tegen die status quo. Politieke partijen beloven een andere dan de bestaande wereld, móeten die zelfs beloven, willen zij althans een politieke partij zijn. En al die verschillende beloften tezamen vormen de keuzemogelijkheden die men als burger heeft, en vormen daarmee dus ook het hart van een democratie. POLITIEK IS ALTIJD een kwestie van provincialisme, zo zou je kunnen zeggen, of zou dat moeten zijn. De enigen die dat vandaag de dag nog lijken te begrijpen, zijn nu juist de extreem-rechtse partijen, zo stelt de Sloveense filosoof Slavoj Zizek in een recent verschenen essay met de wat opruiende titel 'Pleidooi voor intolerantie’. Extreem-rechts, zegt Zizek, is op dit moment 'de enige serieuze politieke factor die nog vraagtekens bij de onbeteugelde heerschappij van de markt plaatst’. Bij vrijwel alle andere politieke partijen - gematigd links en rechts, zij die traditioneel tot het midden behoren - overheerst het idee 'dat je zonder vooringenomenheid goede ideeën moet gebruiken en toepassen, ongeacht hun (ideologische) oorsprong’. Maar, zo vraagt Zizek vervolgens, 'wat zijn die goede ideeën dan wel? Ideeën die “werken” natuurlijk.’ Echter: 'Zeggen dat effectieve ideeën hetzelfde zijn als goede ideeën, betekent een acceptatie op voorhand van de (…) constellatie die bepaalt wat werkt’ - en dat is vandaag de dag de wereld omvattende, kapitalistische constellatie. Het is warempel net of hij het over het alom zo bewonderde Hollandse poldermodel heeft, dat immers uitgaat van de gedachte dat politiek de kunst van het mogelijke is. Net als Bewes stelt echter ook Zizek dat de 'authentieke politiek’ nu juist het tegendeel is: 'de kunst van het onmogelijke - ze verandert de parameters van wat binnen de bestaande constellatie mogelijk wordt geacht’. Authentieke politiek veronderstelt het verschil, het conflict, zo zeggen beiden dus eigenlijk, en waar dat ontbreekt ontstaat een vacuüm dat vele malen gevaarlijker is dan welk conflict ook maar. Het is een vacuüm dat verdacht veel gelijkenis vertoont met de blik in de spiegel die niets meer terugkaatst. Dat maakt enerzijds dat men maar al te graag bereid is zich onmiddellijk te identificeren met de ook nu weer gewelddadige, maar toch in eerste instantie vooral als bevrijdend ervaren blik waarmee extreem-rechts ons opnieuw een eigen identiteit verschaft. En anderzijds verklaart het de uitbarstingen van het sociologen, psychologen, ethici en politici tot wanhoop drijvende zinloze, niet in enige ideologie gewortelde geweld: de voetbalvandaal, het molesteren van buitenlanders, het doodtrappen van wie dan ook maar. 'De afschaffing van antagonismen, het “gerijpte” universum van het aan onderhandelingen onderhevige samenleven van verschillende groeperingen, valt samen met zijn radicale tegendeel, de volkomen contingente geweldsuitbarstingen’, schrijft Zizek. Of, om dat wat toe te spitsen, het multiculturalisme zoals dat heden ten dage (in het centrum) beleden wordt, berooft ons van de mogelijkheid onszelf tegenover iets wérkelijk anders, tegenover het andere of de ander tout court, te ervaren en te definiëren. En wij willen in onze spiegels iets zien; wij willen Iemand zien. Het niets dat ons aanstaart leidt tot de drang het te vernietigen. Provincialis sum ergo sum - misschien klinkt dat nu al iets anders dan zoëven: als iets riskants ongetwijfeld, als iets dat zeker raakt aan alles wat ik beslist níet wil zijn - de xenofoob, de racist, God zelf -, maar ook als iets dat zich niet in slaap wil laten sussen door de in het centrum van onze cultuur gedroomde droom van het politiek correcte denken. Integendeel: ik heb die daar gedroomde droom nodig om mijzelf wakker te weten op de lange ritten naar die provincie toe. Met elke kilometer groeit er een daadwerkelijke, fysieke afstand tot een denken dat mij het andere en het eigene ontzegt uit naam van een universeel gedachte en als redelijkste redelijkheid voorgestelde ruimdenkendheid. Met elke kilometer word ik 'bekrompener’, krimp ik steeds meer in tot datgene wat ik tegenover die in het centrum beleden waarheden inderdaad ben. Met elke kilometer die ik mij van dat centrum verwijder, begin ik er ook meer en meer van te houden. De veroordelende, vernietigende blik die ze mij nazendt, verleent me steeds meer een bestaan. Dus niet omdat ik mij gretig met die blik identificeer, maar omdat ze mij een spiegel voorhoudt waarin ik niet langer een niets ben en waartegen ik mij dus met succes kan verzetten. Ik kan mijzelf een gezicht geven tegenover de 'provinciaal’ die men van mij maakt zonder mij direct te hoeven uitleveren aan de waarheden van het centrum. Ik kan mij opeens onttrekken aan het één (zeg maar: de met provincialisme verbonden extreem-rechtse ideeën) als aan het ander (de mij mijn eigenheid ontzeggende ruimdenkendheid). Ik kan mijzelf ergens halverwege situeren: onderweg. Voor de goede orde: dit is alles een kwestie van geloof. Ik zei het al: juist wie te Gent of Groningen zijn domicilie koos is bij uitstek in staat om in de zo tolerant lijkende en als universeel gepresenteerde waarheden van het centrum de in wezen provinciale kern bloot te leggen. Om dat nog eens te illustreren aan de hand van het multiculturalisme: de politiek correcte opvattingen daarover wissen het 'andere’ van de andere cultuur juist uit door een gelijkheid te veronderstellen die in wezen niet bestaat. Wij westerlingen leggen aan onze zo vriendelijk als medelanders betitelde 'inwijkelingen’ (zoals de Vlaming dat noemt) onherroepelijk onze blik op. Die bestaat niet uit een met klompen, windmolens en stamppot boerenkool verbonden moraal - je zou bijna zeggen: wás dat maar zo - maar uit een zelfrelativering die het principieel andere van de vreemdeling tegelijkertijd in zich opneemt én ontkent. Wij laten hem niet zien wie hij in onze ogen is omdat wij hem niet laten zien wie wíj zijn, omdat wij in de van onszelf nooit betwijfelde redelijkheid tot de slotsom zijn gekomen dat het onredelijk, ja bijna zelfs fascistisch is om Iemand te zijn. Natuurlijk nemen we juist in die manoeuvre pas onze werkelijke gedaante aan: die van de mens die het andere, het principieel van ons verschillende, niet kan accepteren als wat het is, een mens die insisteert op zijn eigenste eigenheid. Een gruwelijke provinciaal kortom. MAAR IK ZEI ook al dat een dergelijk beeld van het centrum mij precies datgene ontneemt waarbij ik grotendeels besta: de illusie van het centrum, de illusie van de provincie zelf. Niet dat ik dat beeld van een in wezen provinciaal centrum wil ontkennen - ik heb het niet voor niets over een illusie tenslotte - maar ik moet wel in dat beeld kunnen geloven om zelf iemand te kunnen zijn. Ik heb het centrum nodig als een symbool voor mijn verlangen een buitenstaander te mogen zijn, en daartoe is het noodzakelijk dat dat centrum mij tot symbool maakt van haar eigen verlangen voor ruimdenkend, tolerant, kosmopolitisch, multicultureel en wat dies meer zij door te gaan. Juist in de gedachteloosheid waarmee zij mij tot een Gronings dichter stempelt, waarmee ze mij, haast zonder het zelf te beseffen, telkens weer oormerkt, in de volstrekte vanzelfsprekendheid ook waarmee ze zichzelf in de media tot maatstaf verheft van heel de lage landen, bevestigt zij dat zij een dergelijk centrum wil zijn, en verleent mij zo precies die kritische positie van de deelnemende buitenstaander - en ik ben die ik ben. Wie nu concludeert dat ik op deze manier in feite alles tot een fictie verklaar - niet ongelijk aan de wijze waarop dat nu juist in het centrum gebeurt - zal ik niet tegenspreken. Maar 'berg je maar als je geen symbool meer bent’, zeg ik Brassinga nog maar eens na. Juist in een wereld waarin elke waarheid tot fictie is verklaard - die van het centrum, die van de provincie zelf - laat de daadwerkelijke fysieke verplaatsing waartoe ik mij telkens weer dwing, mij aan den lijve ervaren dat ik één van die ficties leven moet, en op datzelfde moment ook leef. Met alle risico’s van dien. Om het nog eens met Améry te zeggen: geconfronteerd met de door poststructuralisten beleden 'dood van de mens’ stelde hij dat hij - die Auschwitz overleefde - de laatste was om dat tegen te spreken. Hij had alleen graag gezien dat men het wat minder enthousiast had omarmd en zich wat meer bewust was geweest van de praktische consequenties van een dergelijke overtuiging, genoeg om ook in die overtuiging de leugen te ontdekken en uit te komen bij wat er werkelijk op het spel staat: onze werkelijke aanwezigheid. En die van de Ander.