INTERVIEW MET ILYA EN EMILIA KABAKOV 

De provocatie van het geheugen

Ilya Kabakov wordt geëerd met een retrospectief in Moskou. Kabakovs werk was sterk verbonden met het absurde leven in de Sovjet-Unie. Die bestaat niet meer. Het zijn de jonge oligarchen die Kabakovs rehabilitatie mogelijk maken.

ILYA KABAKOV geldt in de wereld als de belangrijkste levende Russische kunstenaar; zijn terugkeer naar Moskou is een evenement van jewelste. Er zijn verschillende tentoonstellingen tegelijk: één in het eerbiedwaardige Poesjkin Museum, drie kleine in de galeriewijk Vinzawod en twee zeer grote in Garazh, een prachtige modernistische autobusgarage uit 1926, die recent werd omgebouwd tot kunstcentrum.
De zondagochtend voor het spektakel begint, heb ik gelegenheid een klein uur met Ilya en Emilia Kabakov te spreken, in de lobby van het grote Baltsjoeg Kempinski Hotel. Het is vroeg. Emilia meldt zich stipt op tijd. Ilya laat op zich wachten.
Emilia Kabakov is Ilya’s nicht. Ze emigreerde in 1973 uit de Sovjet-Unie, eerst naar Israël, later naar New York, waar Ilya zich in 1989 bij haar voegde. Ze trouwden en wonen sinds 1992 op Long Island. Sindsdien treden ze op als kunstenaarsduo. Dat Ilya nog niet aanwezig is, maakt volgens Emilia voor het interview dan ook weinig uit. Zij is de Paloma bij haar Picasso. Zij beantwoordt vragen in zijn plaats. Ze weet alles: ‘Dat herinnert Ilya zich nog van zijn zevende verjaardag…’

Emilia is een stevig, fel dametje. De tentoonstelling in Moskou en de accolades van de Russische regering ervaart ze als een triomf.
Emilia Kabakov: ‘We doen iets op een schaal die geen kunstenaar voor ons ooit heeft aangekund en geen kunstenaar na ons zal kunnen doen. Bij het samenstellen van het project hebben we de keus gemaakt voor verschillende retrospectieven, verschillende contexten, op nieuwe, pure en verse locaties, zoals die fantastische garage van Melnikov. We bouwen zes installaties in twee maanden. Dat was financieel gezien alleen maar mogelijk in Rusland.’
De tentoonstelling wordt mogelijk gemaakt door Roman Abramovitsj en Dasha Zjoekova, jonge mensen die tien, twintig jaar geleden nog nooit van u gehoord hadden.
Emilia lacht. ‘Hmm, die zes maanden geleden nog niets van ons wisten. Ach ja.’
Hebt u meneer Abramovitsj ontmoet?
Emilia: ‘Ja, natuurlijk.’
Had hij al eens van u gehoord?
Emilia: ‘Dat heb ik hem niet gevraagd.’
Ze informeert wanneer het interview zal verschijnen. ‘Volgende week? Mooi, dan kan ik ’t u vertellen: wij krijgen de Praemium Imperiale.’ Ze leunt achterover en glimt van trots. Ik feliciteer haar. De Praemium Imperiale wordt sinds 1989 verleend door het Japanse keizershuis en gaat door voor de ‘Nobelprijs voor de Kunst’. In Nederland betekent de prijs niet erg veel. Voor Emilia wel. Deze fase in het leven van haar en haar man is oogsttijd.

Ilya Kabakov (1933) studeerde grafische kunsten en boekillustratie in Moskou en werd in 1959 lid van de Unie van Sovjet-kunstenaars. Dat betekende dat hij verzekerd was van werk, inkomen en status, maar Kabakov begreep al gauw dat er verschil was tussen officiële kunst en onofficiële. Hij werkte overdag als illustrator en daarnaast voor zichzelf, uit het zicht van de censor. Hij werd deel van een groep gelijkgestemden, die later het losse verband van de ‘Moskouse Conceptualisten’ zouden vormen.
Een grappige tekening van Kabakov, van een man onder een douche zonder water, die toevallig in Italië werd tentoongesteld, bracht hem in de problemen. Te kritisch. Vier jaar lang kreeg hij geen opdrachten en kon hij alleen onder een andere naam werken. Dat gebruik van een alter ego werd een bepalend element in zijn leven.
Kabakov maakte vanaf de jaren zestig ‘fictieve albums’, geïllustreerde verhalen over merkwaardige personages die het dagelijks leven het hoofd bieden, in situaties die nauw verbonden waren met de bizarre realiteit van het leven in de Sovjet-Unie – en met de absurdistische traditie in de literatuur van Gogol en Charms. Daar is bijvoorbeeld de gepensioneerde ambtenaar Malygin, die een dossier bijhoudt over ene Primakov, een man die zich angstig in zijn klerenkast ophoudt. Er is een chauffeur die zijn leven betert door elke dag tien minuten in stilte twee zelfgemaakte vleugels te dragen. Iemand uit Vitebsk schrijft over een ‘strafhoekje’ voor huishoudelijke voorwerpen die niet doen wat ze wordt gezegd. Ene Roedjantsev geeft het advies een paard te huren en daarmee de trap te beklimmen, tot het niet verder kan. Enzovoort.
Kabakov zag die albums als een genre op zichzelf, ergens tussen literatuur, beeldende kunst en cinematografie in, een soort ‘theater aan huis’, een privé-voorstelling over het sovjetleven, waar de kijker zijn eigen interpretatie aan moest geven.
Tot 1987 bleef Kabakov in Moskou, daarna begon hij met Emilia het leven van de succesvolle émigré, met veel opdrachten voor installaties, meestal op zeer grote schaal, die de bezoeker onderdompelen in kubieke meters sovjetlucht. In 1992 bouwde hij op Dokumenta 9 een openbaar toilet, waarin het complete huishouden van een sovjetfamilie was ondergebracht. Zo was het leven in de kommoenalka’s, de gemeenschappelijke appartementen, geweest: de woonkamer was de ontmoetingsplaats van dagelijks leven en officiële ideologie, van het publieke en het private tegelijk.
In zekere zin zijn Kabakovs installaties nog altijd die ‘privé-theaters’ van vroeger: absurdistische literatuur, maar dan in drie dimensies; opengewerkt, uitgewerkt, opgeblazen tot enorme proporties, maar altijd lichtvoetig, en geestig.

In de lobby laat Ilya nog altijd op zich wachten. De lift arriveert. Emilia veert op. Uit de lift stapt acteur Dolph Lundgren met een lawaaierig entourage. Lundgren speelde een Russische KGB-bokser in Rocky IV en daarna He-Man in Masters of the Universe. Hij ziet eruit als zijn eigen wassen beeld. Het gezelschap zet zich naast ons in de lobby en bestelt, ondanks het vroege tijdstip, grote glazen bier. Ze maken veel herrie. Emilia kijkt zorgelijk naar buiten. Daar is inmiddels het verkeer stilgelegd, omdat er een marathon gelopen gaat worden. De grote brug over de Moskwa en het Rode Plein zijn leeg, afgezet door honderden militia-mannen. Het is een nostalgische aanblik, alsof elk moment de Zil van Brezjnev voorbij kan zoeven.
Emilia kijkt nerveus naar buiten. ‘Neem me niet kwalijk, mijn ogen zijn niet zo goed, ik probeer mijn echtgenoot te vinden. Hij zou er moeten zijn. Hij is normaal heel punctueel. Hij zal zich toch niet hebben laten arresteren?’
Laten arresteren?
‘Laatst probeerden ze hem te arresteren. Hij liep voor het hotel een beetje op en neer, en omdat hij zich kleedt als een zwerver kwam de wacht op hem af en vroeg naar zijn documenten. Die heeft hij natuurlijk nooit bij zich, en ook geen geld, dus hij rent gewoon weg, de lobby in. Ze hadden hem bijna!’
Ze lacht, maar het was duidelijk niet leuk. ‘De toestand is hier grimmig, hoor, je wilt niet zomaar in handen van de politie vallen. En nu heeft hij ook weer niets bij zich, en daar word ik nerveus van, want hij is heel punctueel. Half tien is half tien.’
Kunnen we hem niet bellen?
‘Nee, want Ilya neemt nooit een telefoon op.’

Dan verschijnt Kabakov toch. Een vriendelijke, zwijgzame kabouter met wit haar, toegeknepen ogen, roze wangen en een prettig verfomfaaid uiterlijk. Hij was even afgedwaald.
Emilia is opgelucht: ‘In sovjettijden was iedereen bang voor het gezag. Ilya ook. Hij wordt nog steeds erg nerveus van die agressie.’
Is het leven in Amerika beter?
Ilya Kabakov: ‘Hm. Ik ben permanent kritisch. Het is jammer, misschien, maar een negatieve persoonlijkheid hoort bij een normale kunstenaar. Als je niet negatief bent, kun je niet modern zijn, lijkt ’t wel. Ik woon nu in de VS, dat is een enorme vooruitgang sinds de Sovjet-Unie, en toch, na zeven jaar begon ik kritiek te hebben. Op de politiek, het klimaat, het brood… dat is mijn innerlijke toestand. Het is een typisch communistische reactie. Mensen zijn nooit tevreden.’
Hebt u het gevoel dat u daar vrij bent?
Ilya: ‘Het is vreemd, of typisch voor mij, maar ik voel me altijd vrij. Ook als ik bij mensen op bezoek ben, voel ik me volledig vrij om op te staan en weg te gaan. Zomaar. Ik heb een permanente stem binnen in mij. Elke sovjetmens is een dubbele persoon. Er is een officieel leven, met een ideologie, en voor dat leven dien je sterk te zijn en flexibel. En dan is er het onofficiële leven, aan de keukentafel, waar je kunt klagen over hoe erg het allemaal is. Een meervoudige persoonlijkheid, dus, een dialoog tussen een sociale situatie en een psychologische situatie.’
Hebt u enig idee van de positie van uw kunst in Rusland, vandaag?
Emilia: ‘Een mythologische positie. Het is ambivalent: aan de ene kant hebben de oude conceptualisten in Ilya een vaderfiguur gevonden, aan de andere kant hebben de mensen zijn werk nooit in het echt kunnen zien.’
De Sovjet-Unie bestaat niet meer. Is de context erg veranderd?
Ilya: ‘Ik denk dat ze er hier vijftien jaar geleden niets van hadden begrepen, omdat het toen nog veel te dicht bij de werkelijkheid lag. Nu is het veel beter, want er is een zekere nostalgie naar de sovjettijd. Alles is onzeker, alles is problematisch, er is geen veiligheid, geen hoop op morgen, een moeilijk leven, dus nu is “gisteren” die oude sovjettijd, die er niet meer is.’
Voelt u zich door de tentoonstelling gerehabiliteerd?
Emilia: ‘U moet begrijpen, Ilya werkte hier twintig jaar vóór zijn emigratie zonder enige erkenning. Men vond hem compleet abnormaal. Geen tentoonstellingen, geen aankopen, geen kritiek. Daarna: onmiddellijke erkenning en een heleboel roem. Maar hoe groot was die roem? Was het omdat hij, de kunstenaar, zo groot was of omdat hij een Russische kunstenaar was, een zeldzaamheid, een vreemde eend? Dat kan ik niet precies zeggen.’
Ilya: ‘Het voelt vooral als heel hard werken en totaal uitgeput raken.’

Twee dagen later opent in Garazh de hoofdmoot van het retrospectief, De alternatieve geschiedenis van de kunst en De rode wagon. Stralend middelpunt van de presentatie is Dasha Zjoekova. Ze is pas 28, en beeldschoon. De ‘Garage’ is haar project; zij heeft het gebouw gehuurd en laten verbouwen. Ze is bovendien de vriendin van de miljardair Roman Abramovitsj, die de hele zaak sponsort. En dus trekt de gebeurtenis de aandacht van de complete internationale kunstscene. Iedereen die iets ís, is er. Veel van de buitenlandse gasten hebben er de Damien Hirst-veiling in Londen voor laten schieten. De liefde van Abramovitsj en Zjoekova voor elkaar en voor de kunst is pril. Abramovitsj kocht dit jaar een drieluik van Francis Bacon, voor 87 miljoen dollar, en een Lucian Freud, voor 33,6 miljoen. Die aankopen markeren de groeiende belangstelling van de jonge Russische oligarchen voor de kunsten. Zjoekova’s ‘Garage’ betekent een grote impuls voor de Moskouse moderne-kunstwereld. Vijf jaar geleden was er in de stad eigenlijk nog niets.
De persconferentie heeft een echt kabakovistisch karakter. Voor veel Russische gasten is dit soort spektakel nieuw. Ze beginnen vast aan de hapjes, ze kletsen overal doorheen, applaudisseren op de verkeerde momenten of roepen af en toe ‘Hoera!’ Er zijn tien sprekers. De minister van Cultuur beweert ijskoud dat de Kabakovs ‘altijd dezelfde Rússische waarden hebben uitgedragen’. Hij heeft het ruiterlijk over ‘fouten uit het verleden, die nu worden hersteld’. De Japanse ambassadeur maakt bekend dat de Kabakovs de Praemium Imperiale zullen ontvangen. Er is een vertaalster, die simultaan met de sprekers meespreekt, waardoor alles volledig onverstaanbaar wordt. De Kabakovs zwijgen beleefd onder de loftuitingen. De buitenlandse pers zoekt Abramovitsj, die er niet is. Zjoekova zelf spreekt niet met de pers, en dat heeft een goede reden: ze is weliswaar eigenaar van het gebouw, en jong, beeldschoon en rijk, maar ze weet van niks. Toen haar eerder naar haar favoriete kunstenaar gevraagd werd, zei ze ‘dat ze niet zo goed is in namen’ en ‘dat het in haar positie niet past om zich voor iemand uit te spreken’.

De alternatieve geschiedenis van de kunst blijkt een geniaal werk. De bezoekers worden buiten om de bushal geleid naar de ingang van een ‘echt’ museum. Daarin is een tentoonstelling, gewijd aan het werk van drie niet-bestaande kunstenaars, Charles Rosenthal (1898-1933), Ilya Kabakov (1933) en Igor Spivak (1970), die samen een overzicht bieden van een ontbrekend deel van de kunstgeschiedenis.
Het is een grandioze mystificatie. De ‘tentoonstelling’ in het ‘museum’ vraagt zich af wat er van de Russische kunst geworden was als men de kritiek van deze Charles Rosenthal op de absolute abstractie van Malevitsj had overgenomen. Rosenthal liet socialistisch-realistische werken bewust onvoltooid en hij combineerde Malevitsj-achtige composities met stukjes landschap, of vrolijke boeren bij een tractor. Aan een kolossaal wit vlak voegde hij in de hoek een levensecht ontbijtje toe. In Ilya Kabakovs fictieve kunstgeschiedenis worden Rosenthals ideeën overgenomen door ene ‘Ilya Kabakov’ – die meer een sombere ondertoon treft – en de jonge Igor Spivak. Die is van 1970; hij kent de harde werkelijkheid van het socialisme niet echt, en voor hem is dat allemaal vooral ‘cool’ en ‘retro’. Van deze Spivak wordt weinig meer vernomen, vermelden de tekstborden. Hij zou commercieel zeer succesvol zijn, maar een drankprobleem hebben. Waarna de bezoeker zich op de Abramovitsj-champagne mag storten.
De presentatie is zo levensecht, zo overtuigend in zijn verhaal en zo gedetailleerd, tot het gebrekkige museumlicht en de nummering van de zalen aan toe, dat gelouterde kunstkijkers er volledig intuinen. Je hoort ze vragen: ‘Had jij ooit van die Rosenthal gehoord?’ Of: ‘Honey, haven’t we seen this Spivak guy in Berlin?’

Ik vroeg Ilya Kabakov vooraf naar zijn visie op de kunstgeschiedenis. Hij zei: ‘Je kunt niet in stilte naar een schilderij kijken. Inwendig ben ik altijd tegen mezelf aan het praten. Ik stel me dan een soort ondertiteling voor, een lopend commentaar. Sinds mijn jeugd heb ik een terugkerende obsessie: als ik een boek lees, wil ik meteen naar de laatste pagina, de epiloog. Ik wil meteen weten hoe ’t afloopt. Dat heb ik ook bij de biografieën of de catalogi van kunstenaars: ik wil altijd meteen het “laatste werk” zien, het laatste, grootste werk van een leven.’
Maakt het wat uit dat het niet de originele installaties zijn?
Ilya: ‘De originele kunstwerken hierheen brengen is onmogelijk. Ze zitten opgeslagen in de depots van musea, ze zijn te groot, te kostbaar, sommige zijn bijna onmogelijk om te herstellen. Iedereen is geobsedeerd door het concept “origineel”, maar het belangrijkste is dat het idee dat het kunstwerk ademt, aanwezig is, en niet per se of het origineel er staat, in brons of marmer. De creativiteit bestaat erin voort.
In het Poesjkin Museum heb je een zaal met gipsen kopieën, van de David van Michelangelo, dat soort dingen. Die zaal was een van die zeer schaarse plekken waar ik vroeger inspiratie ondervond, een oase, een paradijs van mijn jeugd. Voor ons is een installatie de provocatie van het geheugen. Het effect van de installatie is spontaan, mensen herinneren zich dingen, er wordt iets geactiveerd, net als bij muziek. Elke ruimte heeft zijn eigen geur, een eigen stem. Als een geest.’

Ilya en Emilia Kabakov, Alternative History of Art and Other Projects, t/m 19 oktober, Moskou, Pushkin Museum of Fine Arts (The Gates), Garage, Center for Contemporary Culture (Alternative History of Art, Red Wagon), Contemporary Art Center Winzavod, White Hall (The Life of Flies, The Toilet), M&J Guelman Gallery, Winzavod (The Tennis Game), www.ilya-emilia-kabakov.com