Film - The Big Short

De psyche van de geldmannen

De kredietcrisis van 2007, ingegeven door de op drijfzand gebouwde huizenmarkt in de Verenigde Staten, was zo bizar dat een zwarte comedy het enige genre is waarmee je die geschiedenis in film kunt vertellen. Dat bewijst Adam McKay met zijn nieuwe film The Big Short, genomineerd voor vijf Oscars, waaronder die voor beste film en beste regisseur.

Winstmarges waren allesoverheersend. Terugkijkend was dat allemaal lachwekkend, maar tegelijk was het diep verontrustend. En wat zou de conclusie nu kunnen zijn? Dat de mensen die direct bij de farce betrokken waren – de geldmannen van Wall Street – het kwaad verpersoonlijken? Misschien. Maar The Big Short laat zien dat deze mannen eigenlijk heel normaal waren. Ze volgden alleen maar hun instincten. Gevolg: comedy plus ironie resulteert in tragedie.

Regisseur McKay, die eerder met Will Ferrell slechte lachfilms maakte, met als uitzondering het onvolprezen Talladega Nights: The Ballad of Ricky Bobby (2006), toont zich een wrange waarnemer van de psyche van de geldmannen. Als bronmateriaal dient het boek The Big Short (2008) van de Amerikaanse journalist Michael Lewis waarin hij het waar gebeurde verhaal vertelt van de enorme winsten die sommige aandelenmakelaars tijdens de kredietcrisis behaalden. In de film worden deze profiteurs gespeeld door Ryan Gosling, Christian Bale en Steve Carell. Hilarisch is de wijze waarop ze ontdekken dat er een crisis op komst is en dat je dus stinkend rijk kunt worden door voortijdig geld te ‘beleggen’ – zeg maar gerust een gok te wagen, want zo heet het ook in de film: to bet against the housing market – in waardeloze hypotheken. Maar dan volgt de tragedie: bij géén van deze slimme mannen volgt er een moment van morele zelfreflectie. Ze weten heel goed dat het systeem frauduleus is, dat er geen controle plaatsvindt en dat er bij het beoordelen van de waarde van de obligaties van alles onder de tafel wordt geschoven.

Het is een spelletje, niet van masters of the universe, zoals Tom Wolfe de geldmannen omschrijft in zijn jaren-tachtigroman The Bonfire of the Vanities, maar van whizzkids in korte broeken die cijfertjes kunnen lezen. Bale’s personage is daar een voorbeeld van. Hij heeft een vrouw en kind, maar ze lijken geen rol te spelen in zijn leven. Wanneer hij als eerste door heeft dat de kredietcrisis een feit zal zijn, houdt hij de informatie voor zichzelf, gemotiveerd door de opwinding van het strategisch spelen. Hij is nauwelijks van vlees en bloed; hij kan net zo goed een machine zijn die de geheime betekenis van grafieken ontrafelt.

De kern van het verhaal zit in een scène waarin twee jonge geldmannen een bijeenkomst van hypotheekverstrekkers in Las Vegas bijwonen, vergezeld door een mentor, een gedesillusioneerde Wall Street-handelaar gespeeld door Brad Pitt. De jongens, die ook hebben geprofiteerd van de crisis, kunnen hun geluk niet op. Ze maken een dansje. Wanneer Pitt aan hen vraagt dat niet te doen, willen ze weten wat er met hem aan de hand is. Zijn reactie: jullie wilden rijk worden, en nu zijn jullie rijk. Maar ga in hemelsnaam niet dansen.

Te zien vanaf 21 januari