De psychologisering van de kinderziel

Het verrichten van onderzoek naar het doen en laten van jongeren in dit land moet geen pretje zijn. Al sinds mensenheugenis staat immers vast wat de uitkomsten zijn: naarmate de relatie tussen jongeren en hun primaire opvoeders (ouders, onderwijzers, vrijetijdbegeleiders) positiever is, zijn de emotionele en gedragsproblemen bij jongeren minder. Wordt die verhouding negatief (door gezinsproblemen, scheiding, vrienden, onderwijsonvriendelijke milieus, puberteit), dan nemen ook de problemen en onzekerheden van jongeren toe.

Al jaren zijn alle rapportages over de toestand van de jeugd variaties op dit refrein. De vorige week gepresenteerde rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Rapportage Jeugd 1994) en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Justitie (Delinquentie, sociale controle en ‘life events’ bij jongeren) leveren wat dat betreft geen dissonante geluiden op. Hoewel acht op de tien jongeren regelmatig de regels overtreden en kattekwaad uithalen (WODC), gaat het over het algemeen goed met ze (SCP). Zorgen moeten we ons, zo verklaren de onderzoekers na hun geruststellende openingszinnen de laatste jaren steevast, echter wel maken over de vijftien tot twintig procent wat labielere jongeren, die geneigd zijn tot depressieve gevoelens en/of delinquent gedrag. Jongeren die zich verbonden weten met een geloof, lopen het minst de kans op het criminele pad te raken; jongeren die van verkering naar verkering zwalken, zijn daarentegen al snel troublemakers (WODC). Kortom, voorspelbare bevindingen.
Interessanter is dan ook de vraag wat 'men’ er aan wil doen. Lange tijd waren de ouders het voornaamste aangrijpingspunt; tegenwoordig lijkt het accent steeds meer naar de jongeren zelf te worden verplaatst. Het SCP pleit voor extra hulp voor de emotionele problematiek van jongeren en constateert dat daar ook al de nodige preventie-initiatieven toe worden genomen. Zo is op de Veluwe een preventieprogramma voor het basisonderwijs ontwikkeld, waarin de sociale weerbaarheid van leerlingen in groep zes en zeven moet worden vergroot. Het gaat om 'het uiten van gevoelens, boos zijn, pesten, bang zijn’ en het 'aanleren van probleemoplossende vaardigheden’.
Goede bedoelingen, uiteraard. Wie voelt zich niet begaan met de kwetsbare kinderziel? Maar ruimte bieden aan de psychologische expressie van de kinderziel betekent onvermijdelijk ook ruimte bieden aan een opdringerig soort psychologisering, waarin mensen hun ongenoegens slechts uiten in termen van hun psychisch welbevinden. Die trend lijkt nu steeds nadrukkelijker bezit te nemen van de jeugd. Of, zoals een achttienjarig meisje in een - eveneens vorige week gepubliceerd - onderzoek over het mislukken van jongeren in de Rotterdamse banenpool het zegt: 'Ik moet eigenlijk naar de Oprah-Winfreyshow. Daar bespreken ze ook dat soort problemen van mij.’
In plaats van een volgende keer te constateren dat de emotionele problemen van de jeugd steeds heviger worden, zou het aardig zijn als jeugdonderzoekers wat meer oog zouden krijgen voor deze steeds opdringeriger annexatie van de kinderwereld. Dat zou dit onderzoekswerk vast een stuk boeiender maken. En in ieder geval minder voorspelbaar.