Hoofdcommentaar

De putschisten zijn onder ons

Eén jaar na de moord op Theo van Gogh ligt de macht nog steeds voor het oprapen. De chaos is intenser dan na de moord op Pim Fortuyn. Diens erfenis viel vanzelf uit de handen van zijn apostelen omdat diens gedachtegoed een potpourri van idee tjes was en zijn volgelingen het onderling aan de stok kregen. De verwarring gaat dieper dan na de coup van Nieuw Links eind jaren zestig. Nadat de zetels eenmaal op de oude garde waren veroverd, konden de ideeën worden geofferd aan de machtspolitiek omdat die ideeën toch minder voorstelden dan op het eerste gezicht werd gesuggereerd.

Eén jaar na de moord is er echter macht noch idee. Vorige week woensdag onthulde de Stichting Thorbecke Zwolle dit vacuüm. De stichting had Frank Ankersmit, hoogleraar in Groningen, uitgenodigd voor een lezing en politicoloog Paul Frissen voor een co-referaat.

Ankersmit is een eminent historicus en een van de intellectuele vaders van het nieuwe beginselprogramma van de VVD. Hij staat met beide benen in twee werkelijkheden: de theoretische en de praktische. Ankersmit hekelde in Zwolle de privatisering van publieke diensten die de afgelopen tien jaar haar beslag kreeg, kortom, hij ging frontaal in de aanval tegen een beleid waaraan de VVD nu al elf jaar zonder pauze meewerkt. Nederland is mede door de VVD veranderd in een «quangocratie», waarin quasi-autonome bestuursorganisaties het publieke domein beheersen zonder politieke controle en zonder marktwerking. Het leidt tot «refeodalisering van de liberale staat». «In de VS heeft de privatisering de democratie reeds in een rauwe plutocratie getransformeerd», aldus Ankersmit: «We kunnen van het feodalisme leren dat ieder politiek lichaam dat tussen staat en volk komt te staan, ervoor zorgt dat beide van elkaar vervreemden. Als dat de politieke werkelijkheid wordt, is de democratie dood.» Onthullend is niet dat Ankersmit de quango’s nu pas als gevaar ziet. Onthullend is dat hij deze achterstand niet weet om te zetten in een begin van strategie om dit tij te keren. Hij is een eenzame klokkenluider terwijl de quangokaravaan doordendert.

Hetzelfde geldt voor Paul Frissen. Hij vergeleek in Zwolle de staat met een koepelgevangenis, een panopticum waarin niets ongezien blijft. «Het panopticum is totalitair zonder het brute geweld van de terechtstelling», aldus Frissen. Pijnlijk is niet dat Frissen, net als Ankersmit trouwens, leentjebuur speelt bij de Engelse filosoof John Gray, die medio jaren negentig zijn vingers lam schreef over de quango’s en het panoptische ideaal van Jeremy Bentham. Pijnlijk is dat Frissen in de jaren negentig nog de «virtuele staat» afkondigde, een lans brak voor de «esthetiek van de bureaucratie» en vijf jaar later de staat als «leeg» bejubelde en voorspelde dat de politiek niets méér moest ambiëren dan zo nu en dan een goed idee.

Ankersmit en Frissen hebben wel gelijk. De staat der Nederlanden is in het ongerede. Het kan twee kanten op: óf de staat moddert door richting schijnbare almacht – al is het begrip «totalitair» een uiting van minachting voor waarachtig totalitaire staten –, óf de staat erodeert verder in afwachting van een beweging die de boel straks met de linkerpink oppakt. Eigenlijk is het een en dezelfde optie. De vraag is hooguit in welke volgorde het gebeurt.

Is het gek dat in dit klimaat veel driestere filosofen met politieke aspiraties een gokje wagen? Eén jaar na de moord is de Franse syndicalist George Sorel (1847–1922), die zowel Lenin als Mussolini tot zijn leerlingen mag rekenen, een van hun belangrijkste leidslieden geworden. Op de gangen in de rechtenfaculteit van de Universiteit van Leiden is Sorel met zijn afkeer van politieke instituties en processen weer een geziene denker. De oudste academie van Nederland is een broeinest van putschisten. Zoals professor Andreas Kinneging, sinds april voorzitter van de Edmund Burke Stichting. De conservatieve denktank is onder zijn leiding ver afgedreven van het erfgoed van haar naamgever, de criticus van de Franse Revolutie, en diens volgeling Groen van Prinsterer, de vader van de antirevolutionairen in Nederland.

Antirevolutionair betekende in die tijd niet alleen tegen de revolutie maar bood ook een alternatief in plaats van de revolutie. De Burke Stichting daarentegen is zo revolutionair als de pest. «Er dient dreiging van ons uit te gaan. We moeten als een mysterie en imminent gevaar boven de politieke markt hangen. Dat kunnen we doen door van tijd tot tijd afgewogen betuigingen van inhoudelijke steun te geven aan politici die zich opstellen als oppositionele provocateurs en een onderdeel kunnen blijken te zijn van de trigger naar de verhoopte paradigmawisseling.»

Kort gezegd, de Burke Stichting heeft haar handen van Nederland afgetrokken zoals Sorel adviseerde. Ze gokt op een crisis, staat «klaar» om deze of gene provocateur een handje te helpen en marcheert op naar het staatskasteel als de boel op instorten staat. Kinneging en de zijnen bereiden zich voor op een coup, een coup waarin ze zelf de hand niet willen hebben maar die door anderen mogelijk moet worden gemaakt. Zelfs de Jacobijnen van Robbespierre waren minder opportunistisch dan de Burkianen van nu.

Het kan de goegemeente nauwelijks boeien. Want wat stelt die Burke Stichting nou helemaal voor? Inderdaad, niet veel. Maar dit nieuwe concept is niet louter een achterhoedegevecht. Overal etaleren hele of halve politici c.q. intellectuelen hun verlangen naar het conflict als smeerolie van meningsvorming én besluitvorming. Peter R. de Vries («niet mee doen, maar er iets aan doen») laat zich adviseren door niemand minder dan Bram Peper. Rob Oudkerk meldt zich volgende maand aan een der fronten. Allen speculeren op die mantra die iedereen in de mond heeft: leiderschap, leiderschap en nog eens leiderschap. Alsof Lenin uit zijn gebalsemde graf is opgestaan. Het gaat hun om de macht. Ideeën? Slappe thee, het is oorlog. Dat is niet leuk, dat is om gek van te worden. Is er nog ergens een staatsman van het type Piet de Jong, de onderzeebootkapitein die tussen 1967 en 1971 premier was?