Opheffer

de PvdA is de weg kwijt

Eigenlijk wil je intellectuele politici. Daarmee bedoel je politici die wel eens een boek hebben gelezen, niet vreemd zijn met het wetenschappelijke denken, zelf publiceren en dus genuanceerde opvattingen hebben plus een levens beschouwing die al die kennis als fundament heeft. Die politici zijn er niet.

Job Cohen, burgemeester van Amsterdam, komt vermoedelijk het dichtst in de buurt, maar aan hem kun je precies zien waarom het niet mogelijk is om een intellectuele politicus te zijn: als politicus is hij zwak, omdat hij steeds reageert als intellectueel. Er gebeurt iets en Cohen kijkt toe, analyseert, overweegt, denkt na, contrasteert eventuele daden met zijn opvattingen, kijkt wat hij moet bijstellen. Uiteindelijk doet hij iets wat misschien wel resultaat zou kunnen hebben, maar het komt te laat.

Politiek en intellectualisme bijten elkaar. Het zijn twee begrippen die werken met verschillende snelheden. De politiek moet snel zijn, direct, gevat in eenvoudige symboliek desnoods. Intellectualisme daarentegen is gebaat bij een zekere traagheid die op zijn slechtst enig verstand kan suggereren.

Politiek is ook iets wat je moet bedrijven – een uitdrukking die je nauwelijks meer hoort. Politiek bedrijven wordt vaak gezien als iets engs, als «oude politiek», want politiek bedrijven is niets anders dan handelen en onderhandelen, compromissen zoeken, voordeeltjes binnenhalen, een paar millimeter opschuiven, iets regelen. In feite is politiek bedrijven de intellectuele vertaling van «politiek».

Het is om die reden dat politieke partijen weinig veranderen. Een politieke partij is brood dat steeds opnieuw door de bakker wordt gemaakt. Het bedrijven van politiek gaat om hoe de boterham gebakken en besmeerd wordt.

Na de moord op Theo van Gogh zag ik politieke partijen van dichtbij in beweging. En ik merkte dat ze het liefste niet bewegen. Slapte, dacht ik, onzekerheid, onmacht. Maar allengs kwam ik erachter dat het hier beleid betrof – wat ik helaas moest kwalificeren als een persoonlijke schok, want ineens raak je al je respect voor de politiek kwijt. Niets doen was het intellectuele antwoord van de politiek op een situatie die direct aandacht verdiende.

Dat intellectuelen binnen partijen ook merken dat het eenvoudigste beleid – niets doen (of symboolpolitiek) – normaal gebruik is geworden, leidt tot die eigenaardige vertoning rond de nieuwe beginselverklaring van de Partij van de Arbeid. Zo’n beginselverklaring is een intellectuele exercitie. Je vraagt je belangrijkste intellectuelen en schrijvers om eens te formuleren, en nu komt het, wat je denkt. Je wilt bepaalde zaken, je hebt een analyse van deze tijd, en dan moet dat vormgegeven worden in beginselen en uitgangspunten. En daar gaat het bij de PvdA totaal mis. Daar zie je ook waar de crisis binnen links zit.

In plaats van te formuleren wat men meent, of denkt, heeft men de zaak omgedraaid en schrijft men op wat je nog niet wist, of wat je moet denken. De beginselen komen niet meer voort uit noodzaak of visie, maar uit dat intellectuele experiment. «Dit zijn mooie formuleringen, laten we ons hier aan houden.» Terwijl het moet zijn: «Dit is een mooie houding, laten we dat eens goed onder woorden brengen.»

Links zoekt, maar vindt niet. Je ziet en leest dan ook tegenstrijdige en vooral clichématige uitgangspunten. «Het belangrijkste is voor ons de vrijheid», zegt voorzitter Koole. Tja, wat zou de partij van Vrijheid en Democratie daarvan vinden?

Ik merk dat al die zoekende partijen mij geen vertrouwen inboezemen. Sterker, ze maken dat ik mij minder schuldig voel als ik eens iets anders stem.

Vroeger, als linkse jongen, haalde ik het niet in mijn hoofd iets anders dan links te stemmen. Stemmen op de PvdA was eigenlijk al verraad. Links stond voor een aantal uitgangspunten die destijds nog geen clichés waren, zoals solidariteit, tolerantie, gelijkheid. Doordat ze die begrippen hebben uitgehold – en daarmee goed werk hebben verricht – hadden ze niet door dat die generalisaties uiteindelijk niets meer betekenden. Althans, niet meer betekenden wat de partij voor ogen stond. Tolerantie bijvoorbeeld is verworden tot een excuus om niet meer te handelen. Solidariteit is uitgehold omdat niemand meer precies weet met wie je nog solidair moet zijn, omdat de arbeiders allemaal «verheven» zijn geraakt. En gelijkheid is nog mooi, maar gelijk aan wie en wat moet men eigenlijk zijn – en wat doe je als anderen niet meer aan ons gelijk willen zijn en ons zelfs willen bestrijden?

Wat de PvdA had moeten doen, gezien de discussies die ze voeren, is zichzelf opheffen. Hun taak is volbracht. Ze kunnen zich in niets meer onderscheiden van GroenLinks, de SP of D66. En dus krijg je een beginselprogramma waarin de leden voor het eerst lezen wat ze nu eigenlijk hadden moeten denken. Alsof je je met terugwerkende kracht nog een gedachtegoed eigen kunt maken. «Moet ik fatsoenlijk zijn? Maar ik was toch al fatsoenlijk?»

Ik heb medelijden met de partij waarop ik vroeger stemde. Het is een intellectuele beweging geworden. Het is geen politieke beweging meer. Ze werken met verschillende snelheden. En dus kan ik met mijn sociaal-democratische gevoelens veel beter terecht bij nu eens de VVD en dan weer GroenLinks of nu eens bij de LPF en dan weer bij de SP.

De PvdA wil zo graag de meerderheid dat het lijkt of de democratie ze in de weg zit. Ze willen zo graag de boventoon voeren dat ze de indruk wekken dat ze geen politiek willen bedrijven. Ze zijn de weg kwijt en hebben besloten daarom maar in kringen te lopen.