Ledenpartij of campagnepartij?

De PvdA is ziek

Veel partijen ontwikkelen zich tot campagnepartijen. Toch zal de PvdA komend weekend kiezen voor een toekomst als brede ledenpartij. Misschien dat eindelijk geluisterd kan worden naar de critici.

Een zaaltje achter een café in het centrum van Leiden. Toch nog meer dan honderd mensen bijeen om op een vrijdagavond de Algemene Ledenvergadering van de afdeling Leiden van de Partij van de Arbeid bij te wonen. Er staat een debat op het programma tussen de vier kandidaten die precies een week later de strijd zullen aangaan om het voorzitterschap. De oude «kommaneukers en vergadertijgers» (Felix Rottenberg) hebben zich verzameld om te spreken over de prestaties van de gedelegeerden in Den Haag, over de verdiensten van het kabinet en over de toestand in de wereld. Het is het soort avond waarvan gewezen partijvernieuwer Rottenberg niets moest hebben — en al helemaal niet als de moties die uit dit type bijeenkomsten voortvloeien ook nog eens uren kostbare congrestijd kosten. Dit soort middelmatige amateurs traineren met hun dwarse gedrag en eindeloze amendeerdrift immers het zakelijke werk van de profs in Kamer en kabinet, was de stellige mening van de oud-voorzitter.

Maar de zaaltjes op vrijdagavond bestaan nog steeds. Op het podium aan de linkerzijde Bart Tromp en Sharon Dijksma en rechts Ruud Koole en Bouwe Olij die, de duo-kandidatuur serieus nemend, vanavond dan ook maar de microfoon delen. In de zaal zowel de kommaneukende amateurs van Rottenberg als een selectie professionele (lokale) partijkopstukken. Als de toehoorders gelegenheid tot interruptie krijgen, wordt het als vanouds een klassieke janboel. «Mijn punt is niet analytisch, mijn punt is politiek», zegt Dijksma verontwaardigd als de zaal de door haar niet gewenste koppeling van migratiebeleid en ontwikkelingshulp maar moeilijk kan plaatsen. Veel hilariteit en boegeroep. Ook als Dijksma als enige kandidaat weigert de vraag te beantwoorden wie ze de op een na beste kandidaat vindt. Een «onzinvraag», meent ze. «Dit is het niveau van spelletjes en quizzen.»

Een middelbare mevrouw, naar eigen zeggen inmiddels twee jaar lid, staat op en doet op luide toon haar beklag. «In deze partij wordt een te scherp onderscheid gemaakt tussen mensen die belangrijk zijn en mensen die dat niet zijn. Er is wel de wíl om naar gewone partijleden te luisteren, maar uiteindelijk wordt er niets mee gedaan. Wij, de gewone leden, zouden de basis moeten zijn bij de standpunten. Niet al die officiële deskundigen.» De mevrouw legt de vinger op de zere plek. Ze wijst op een van de meest nijpende problemen waarmee veel moderne politieke partijen in het tijdperk van na de massapartij te kampen hebben: gewone leden voelen zich niet meer serieus genomen en ervaren een immense afstand tot de beroepspolitici. De opmerkingen van de mevrouw zijn een schot voor open doel voor de kandidaat-voorzitters. Bart Tromp, die de interne partijdemocratie wil herstellen, meent dat professionele deskundigen weliswaar geld verdienen met wat ze doen, maar om die reden niet altijd deskundiger zijn.

Het congres van de Partij van de Arbeid, aanstaande vrijdag en zaterdag in Rotterdam, belooft een interessante bijeenkomst te worden. Terwijl vergelijkbare dagen van de twee andere regeringspartijen en al helemaal die van de oppositiepartijen doorgaans tamelijk geruisloos voorbijgaan, wordt in dag- en weekbladen nu al weken verlekkerd uitgekeken naar wat komen gaat. Dat komt niet alleen door de drama’s die zich vorig jaar rond de val van Marijke van Hees in het dagelijks bestuur van de partij hebben afgespeeld. Bij veel PvdA-watchers is er, zeker nu heikele onderwerpen als de Zalmnorm op de vergaderagenda zijn geplaatst, de verwachting dat de partijtop deze keer niet met halfbakken antwoorden kan komen. Er wordt niet alleen een keuze gemaakt voor een nieuw poppetje dat het dagelijks bestuur gaat leiden. Met op de agenda rapporten over partijvernieuwing en een nieuw beginselprogramma wordt er ook gekozen voor een fundamenteel gesprek over de toekomstige benadering van het fenomeen politieke partij.

Want: «Het gaat slecht met de PvdA». En als het slecht met de PvdA gaat, dan gaat het vaak slecht met álle politieke partijen. Nu komt dat, zoals GroenLinks-voorzitter Mirjam de Rijk onlangs opmerkte, mede omdat de politicologen die in het debat over politieke partijen de boventoon voeren, allen sociaal-democratische aandriften hebben en vooralsnog lid zijn van de Partij van de Arbeid. Deze mensen kunnen maar weinig «relativering van de eigen ervaring» opbrengen, schreef De Rijk als preses van een van de weinige groeiende partijen. (Alleen SP, SGP en GroenLinks kregen er vorig jaar leden bij.) Overigens wordt volgende week ook voor sommige van deze politicologen een toets. «Als het congres in maart weer een tweederangs dilettant aanstelt, ben ik weg», dreigde Jos de Beus, hoogleraar politieke theorie en in vrolijker tijden opsteller van het verkiezingsprogramma van de PvdA.

Niet alleen de gewone leden pikken het niet meer, ook elders in de partij lijkt het tij te keren. De PvdA moet veranderen. Bijna twaalf jaar regeringsverantwoordelijkheid is de partij niet in de koude kleren gaan zitten. De PvdA is niet meer de intermediair tussen kiezer en gekozene; de afstand tussen overheid en kiezer (en zelfs die tot het eigen kader) is buitenproportioneel groot geworden. Daar komt bij dat de leegloop van de partij nog altijd geen halt is toegeroepen. De relativeringen van Mirjam de Rijk ten spijt, de PvdA is hierbij representatief voor alle (gemeten naar het huidige aantal volksvertegenwoordigers) «grote» Nederlandse politieke partijen. En omdat in het verleden de sociaal-democraten, bijvoorbeeld in het gebruik van moderne en dure campagnetechnieken, vaak een voortrekkersrol vervulden, zal volgens veel politicologen geen van de politieke partijen gevrijwaard blijven van die neerwaartse spiraal. Was in de jaren vijftig nog zo’n tien procent van het electoraat lid van een politieke partij, de laatste jaren is dat ongeveer drie procent. En de 97 procent van de stemgerechtigden die geen lid is van een politieke partij, voelt zich nauwelijks betrokken bij het politieke spel.

«Niet veel langer dan dertig jaar geleden zou men zich met recht hebben kunnen afvragen of er enig politiek leven van betekenis buiten de wereld van de politieke partijen te vinden was. Nu lijkt eerder de vraag aan de orde of de politiek binnen die wereld nog wel leeft», constateerde de Leidse wetenschapper Peter Mair onlangs in Socialisme & Democratie, het maandblad van de door het vorige PvdA-bestuur met opheffen bedreigde Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de partij.

Zoals zo vaak moeten de congresleden van de PvdA kiezen tussen de kandidaat van Den Haag en de kandidaat van het kader. In 1999 waren de Niet-Nix-jongens Lennart Booij en Erik van Bruggen in zekere zin de kandidaten van Den Haag — ze maakten een jaar eerder deel uit van het campagneteam van Wim Kok en werden door vrijwel alle kopstukken uit de professionele politiek gesteund. Nu is die Haagse kandidaat fractiesecretaris Sharon Dijksma. Deze voormalige Jonge Socialist heeft een compleet campagneteam tot haar beschikking, waarin opmerkelijke namen als communicatieadviseur Dig Istha en Edith Mastenbroek, die als laatste Niet-Nix-coördinator (en tezelfdertijd functionaris op het partijbureau) het kritische jongerennetwerk binnen de PvdA opdoekte.

In het aanzienlijke campagneteam van Dijksma zit nog een derde opvallende naam: Marjet van Zuijlen, het voormalige kamerlid dat na de ophef over de publicatie van haar Dagboek van een politica vorig jaar de politiek verliet en terugkeerde naar het bedrijfsleven. Van Zuijlen blikte kort na haar vertrek in een column in het weekblad Intermediair terug op haar periode in de Kamer en billijkte de tegenwoordige verhoudingen in de Partij van de Arbeid. «Het primaat van de fractie is compleet», schreef ze zonder al te veel omhaal van woorden.

Ze legde uit dat ze als kamerlid nooit enige last had ondervonden van de partijleden, en het zou daarom beter zijn de «fictie van ledeninvloed» (via bijvoorbeeld de «kenniscentra» van Marijke van Hees) maar zo snel mogelijk uit het hoofd te zetten. «De tijd dat leden het voor het zeggen hadden, is definitief voorbij.» Van Zuijlen vervolgde haar ongevraagde raadgevingen met de mededeling dat spoedig gekozen moet worden voor het model van de «campagnepartij» — een politieke partij met «een professioneel apparaat (…) dat is toegerust voor continue campagne en communicatie met de kiezer. De partij heeft in dit model geen leden meer maar donateurs.»

Tijdens campagnebesprekingen voor Dijks ma die op het gebied van partijvernieuwing weinig opzien baart, zal Van Zuijlen deze recalcitrante mening niet verkondigd hebben. Op de officiële campagnesite (www.sharondijksma.nl) wordt de ontwikkeling tot een op bijdragen van donateurs draaiende kiesvereniging door Dijksma zelf immers als «onbegaanbare route» gekwalificeerd. Opvattingen zoals Van Zuijlen die heeft, worden dan ook maar zelden door actieve beroepspolitici gebezigd. Sharon Dijksma wil bovenal de partij opleuken. Op het terrein van de interne democratie wil ze de leden tevreden houden met lapmiddelen als «verantwoordingsdebatten» en «politieke forums». Niettemin gaat de transformatie van de Partij van de Arbeid, al dan niet bewust, al geruime jaren volgens de weg zoals Marjet van Zuijlen die voorstaat.

Een en ander is natuurlijk koren op de molen van tegenpool Tromp, die meer dan tien jaar geleden al eens rapporteerde over het verfoeide Greenpeace-model. Hij noemde de PvdA schertsend een «uitzendbureau voor kamerleden en een campagnebureau voor de lijst-Kok». Een campagnepartij is evenwel kwetsbaar. Tromp, een half jaar geleden in Het Parool: «In de eerste plaats zou het ze aan legitimiteit ontbreken. Hoe immers kan de politieke democratie geloofwaardig in stand worden gehouden door organisaties die zelf niet democratisch willen zijn? In de tweede plaats zouden zulke partijen zeer gevoelig zijn voor corruptie, financieel zowel als moreel. (…) Het ‹Greenpeace-model› versterkt de trend in de richting van politieke graaipartijen.»

Meer recent legde eerder genoemde politicoloog Jos de Beus zijn partij op de pijnbank. In een aflevering van het televisieprogramma Buitenhof, jongstleden november, verklaarde de Amsterdamse hoogleraar dat wanneer het Greenpeace-model ook op papier realiteit wordt, zulks gezien moet worden als «een afsluiting van een ontwikkeling die al aan de gang is». Leden brengen alleen nog maar het geld in waarmee professionele campagne teams een kleine top bestuurders in het pluche proberen te houden. Coalitiegevoelige thema’s, zoals de hypotheekrenteaftrek, die door de (leeglopende) afdelingen aan de orde worden gesteld, zijn de laatste jaren gemeden en de partij begint, in de woorden van doemdenker André Krouwel (politicoloog aan de Vrije Universiteit) in De Groene Amsterdammer van 2 februari vorig jaar, alras een «banen machine» te worden. De Beus eiste in het televisie-interview een «eerlijke en duidelijke» keuze tussen óf de smalle partij met donateurs, óf een meer op vroeger tijden gestoelde brede partij, die diep in de samen leving is geworteld.

De Beus grijpt terug op de Franse politicoloog Manin, die het begrip «toeschouwers democratie» introduceerde. In de toeschouwersdemocratie verworden kiezers tot theaterbezoekers: aan het eind van de voorstelling wordt een oordeel geveld over de prestatie op het (politieke) toneel; kiezers rekenen na een regeerperiode af met de gekozenen en politici zijn zich dat te allen tijde bewust. In een voortdurende hyperprofessionele campagne wordt geprobeerd de «consument», de zwevende kiezer, warm te houden voor het product politieke partij. Wanneer, om een recent praktijkvoorbeeld aan te halen, een vuurwerkfabriek ontploft en de commissie die daar onderzoek naar heeft gedaan concludeert dat een en ander het gevolg is van gemeentelijk gedoogbeleid, dan zal de politicus in de toeschouwersdemocratie, zonder de kommaneukers uit de zaaltjes van Rottenberg te raadplegen en vooral zonder aanstoot te nemen aan enig partij- of verkiezingsprogramma, zich ogenblikkelijk uitspreken voor de op de korte termijn meest populaire bijstelling. In het geval van Enschede ging vrijwel direct het gedoogbeleid op de helling.

Ook De Beus waarschuwde samen met Philip van Praag, nog zo’n PvdA-politicoloog, in een artikel voor de gevaren van dergelijk kortetermijndenken. «Volksvertegenwoordigers liggen aan de ketting van partijleiders, raken verstrikt in detailcontrole op de bureaucratie en schommelen mee met de weekconjunctuur van incidenten en populaire gevoelens», schreven ze.

Een ander gevaar is de ten onrechte maar zelden serieus genomen ontwikkeling richting een éénpartijstaat. Deze ontwikkeling wordt ingegeven door partijen die, de ideologische veren afgeschud, zich in hun uitingen richten op het zwevende electoraat, en daarmee in feite op de hele samenleving en niet meer op een traditionele doelgroep. Hoewel in Nederland blijkens recent onderzoek van Van Praag (naar de campagnes van 1998) nog altijd inhoudelijke thema’s de boventoon voeren, zijn mensen die wijzen op de zogeheten catch-all-partijen al lang geen unicum meer. Hoewel Ruud Koole, nu dus een van de voorzitterskandidaten, de klacht dat Nederland op weg is naar een éénpartijstaat in zijn proefschrift (De opkomst van de moderne kaderpartij, 1992) «overdreven» noemt, erkent hij tegelijkertijd dat «haar een zekere grond niet kan worden ontzegd».

Waar mensen als De Beus, Koole en Van Praag echter nog geloven in een toekomst van de partij als instituut, hangt de Brabantse postmoderne bestuurskundige Paul Frissen (ook PvdA) het einde der partijpolitiek aan. In zijn in 1996 gepubliceerde boek De virtuele staat toont hij, ietwat beknopt samengevat, aan dat in de huidige democratie politieke partijen hebben afgedaan en dat het land feitelijk nu al wordt bestuurd door ambtenaren. Hij juicht dit toe, en ziet zijn eigen partij graag deze keuze maken. «Ik kan gerust lid blijven, want de maatschappelijke verandering is absoluut niet afhankelijk van politieke partijen», zei hij in een interview over dat lidmaatschap. «Ik koester nog steeds de illusie dat het denken in zo’n partij kan worden geprikkeld. Partijen moeten leren zichzelf tevreden te stellen met een intelligente rol aan de zijlijn. Maar ze zitten zichzelf enorm in de weg, want zij denken nog steeds: wij gaan voor de macht, en via de macht kunnen wij de samenleving veranderen.»

In 1988 organiseerde de PPR een essaywedstrijd onder het motto «Politikus zonder partij? Halen de politieke partijen het jaar 2000?» Het winnende stuk van Maarten Hajer, thans hoogleraar en eveneens een prominent PvdA-lid, werd in De Groene Amsterdammer gepubliceerd. De constatering dat partijen leeglopen en dat ze hun toekomst in handen van reclamebureaus leggen is, blijkens het dertien jaar oude stuk, van alle tijden of althans niet nieuw. Los van de verwachtingsvolle toon die Hajer in 1988 nog aanslaat op het terrein van Europese integratie, had het stuk vandaag de dag voor wat betreft de actuele gesteldheid van de politieke partijen zo gepubliceerd kunnen worden. De PvdA kan niet zeggen dat zij de laatste jaren niet gewaarschuwd is. Maar het waren altijd mensen aan de zijlijn (waartoe hier voor het gemak ook de medewerkers van de Wiardi Beckman Stichting worden gerekend) die de partij met de neus op de feiten drukten — de nieuwe modellen enerzijds vergoelijkend, zoals Frissen en Van Zuijlen, en anderzijds verwerpend, zoals Tromp en De Beus. Ze zien de PvdA als een patiënt en wijzen, schrijvend over toeschouwersdemocratie en Greenpeace-model, op het zorgelijke ziektebeeld.

De PvdA is ziek, maar weigert de symptomen te accepteren. Pas als niet alleen door wetenschappers en ex-politici de huidige staat van de partij oprecht erkend wordt, kan slagvaardig een behandeling worden ingezet. Dat hoeft overigens helemaal niet te leiden tot ratificatie van modellen die onbewust al lang in gang gezet zijn. Juist een erkenning van de kwaal die de democratische partij anno 2001 onder de leden heeft, kan al wonderen doen. Met twee kenners van de theorie als kandidaat-voorzitter kan het congres van de PvdA voor het eerst in tijden kiezen voor een bestuur dat zich bewust is van de toestand waarin de partij verkeert en aan de hand van werkelijke ledeninspraak het gevaar zou kunnen keren. Misschien dat de partijtop het leger angehauchte wetenschappers eens serieus moet nemen.