De PVV in het klaslokaal

Is de jeugd echt zo rechts geworden? Soms lijkt het zo. Aan de leraar de taak om in de les nuances aan te brengen in een soms ongenuanceerd debat.

OP 10 JUNI - de dag na de verkiezingen - houdt havo-leerling Rami Nahod een spreekbeurt over Spinoza en de Verlichting. Hij komt er niet helemaal uit. Toch complimenteer ik hem, omdat hij heeft geprobeerd uit te leggen hoe onverdraagzaam Amsterdam handelde tegenover de joodse filosoof door hem te verbannen. Rami, een zestienjarige moslim, heeft zich ingespannen om Spinoza’s visie op God (is de Natuur) uit te leggen. Het woord tolerantie heeft hij drie keer uitgesproken.
De klas is in een uitgelaten stemming. Twee dagen geleden mochten ze zelf stemmen. Door de uitslag - meer dan zestig procent van de scholieren stemde op PVV en VVD - zijn nogal wat docenten uit hun evenwicht geraakt. Is de bollenstreekjeugd echt zo rechts geworden? Of is er iets anders aan de hand?
Ik peil de stemming en vraag aan Theo waarom hij zo vrolijk is.
‘Nou, de PVV heeft tóch gewonnen.’
'En daar word je blij van?’
'Ja.’
'Waarom?’
'Er mogen geen nieuwe moskeeën meer bij komen.’
Het is niet alleen de onbeschroomde stem van 'het’ volk die hier valt te beluisteren, er is ook sprake van een nieuwe argumentatieleer waarvan de coconintellectuelen nauwelijks op de hoogte zijn omdat ze zelf te vaak aan het woord zijn en daarom de 'volksstem’ niet meer horen.
Er mogen geen nieuwe moskeeën meer bij komen. Er zit een wereld aan betekenissen verscholen achter deze zin, een wereld die eindigt met het woord 'terrorisme’.
Vervang de moskee-zin door één woord: angst. Angst voor het vreemde dat ver weg is. Daar waar ik lesgeef staat geen enkele moskee.
Wie Theo meteen als intolerant wegzet, vereenvoudigt de kwestie. Niemand die daar iets mee opschiet. Wie halfslachtig wil meehuilen met de Wilders-wolven in het volksbos zit in de trein richting het land Wij versus Zij.
Wat gebeurt er in een klaslokaal waarin een leerling pontificaal zegt dat het afgelopen moet zijn met de bouw van moskeeën, wetend dat heel veel medeleerlingen op de PVV hebben gestemd? Dat geeft de minderjarige stemmer moed. Maar ik wil meer over zijn angsten te weten komen.
Er mogen geen nieuwe moskeeën meer bij komen. Een docent Nederlands heeft een taak als een leerling acht geladen woorden uitspreekt waarachter pijnlijke betekenissen schuilgaan.
Hoe ging de discussie verder? Nee, ik zei niet tegen Theo dat ik die ochtend met mijn auto moeite had de gemeente Teylingen binnen te komen door al die nieuwe, torenhoge minaretten die er in die verkiezingsnacht opeens bij waren gekomen. Ironie is een slecht begrepen stijlmiddel op de middelbare school. Ik ging door met het vraag-en-antwoordspel. Rami moest ik nog even alleen laten met zijn hangende hoofd. Daar ging Spinoza.
'Waarom wil je dat niet?’
'Die dingen passen hier toch niet!’ Dat ik dat niet snap!
'Waarom ben je bang? Waar ben je bang voor?’ Van het gevaar dat volgens hem van buiten komt wil ik naar het gevaar dat in hem loert. Of zit ik er naast en moet ik toch maar 'gewoon’ onderwijs geven en niet zo persoonlijk worden?
Jongens in havo 4 mogen geen angst tonen, voor niets en voor niemand, die zijn stoer in groepsverband. Toch, als ik hem aankijk, zie ik iets wat lijkt op een getroffen blik. Achter hem kijkt Rami nog immer naar het tafelblad. Hoe moet dit verder? Is dit een les Nederlands of maatschappijleer, of iets heel anders? Nee, dit gaat over taal en emoties.
'Meneer, op wie hebt u eigenlijk gestemd?’ Sophie, die niet van gênante toestanden in de klas houdt, laat zich van haar tactische kant zien: ze is zogenaamd nieuwsgierig, hoewel de politiek haar geen lor kan schelen. Zo werkt de taal ook, als afleidingsmanoeuvre. Ik zeg dat ook en leg het uit. En mijn politieke mening? Die doet er niet toe.
'U wilt het niet zeggen, hè?’ De klas dringt aan. 'VVD zeker, of GroenLinks, vast wel! Nee D66!’
'Nee, jullie zitten er allemaal naast. Ik heb op Job Cohen gestemd.’ Geloei, gelach, geblaas. Alleen Rami glimlacht stil. Van Spinoza naar Cohen is voor hem vandaag vermoedelijk niet zo'n grote stap.
'O ja, natuurlijk, u komt uit Amsterdam.’
Ik leg uit waarom ik op de ex-burgemeester heb gestemd: om de boel bij elkaar te houden, net zoals ik in deze klas de boel bij elkaar wil houden en niet Theo tegen Rami uit wil spelen. Hun namen noem ik niet, maar ik geef aan dat er verschillende waarheden en werkelijkheden bestaan in Nederland, en dat er ook grondrechten bestaan waar niet mee gesjoemeld kan worden ('Wat is sjoemelen, meneer?’). Iedereen heeft dezelfde rechten en plichten. Het kan niet zo zijn dat T. meer gelijk is dan R. Tolerant, dat zei Rami drie keer. Een waar woord. Ik hoor mezelf zedenpreken, maar ik kan er niets aan doen. 'Ben ik toch nog dominee, priester, rabbijn én imam geworden.’
Dan gaat de bel, de onverbiddelijke kerkklok van de school.
Rami krijgt een voldoende voor zijn Spinoza-spreekbeurt. Maar de PVV zal nog lang als een onzichtbaar spook in de klas blijven rondwaren, hoe ik me ook opstel.

Dit was de laatste aflevering van Uit de school