De pyromaan

‘Kortjakje’, de Edese pyromaan die alle dagen van de week brand stichtte behalve op zondag, heeft nu ook op de Dag des Heren toegeslagen. Wie is hij? Is hij inderdaad die stille, schuwe buurjongen, die vroeger altijd werd gepest? Een ‘daderprofiel’.
HOE EEN PLAATSNAAM van betekenis kan veranderen. Zoals de klanken ‘Epe’ voorlopig nog wel synoniem zullen blijven met ‘incest’, zo wekt de naam ‘Ede’ op het ogenblik levendige associaties met vlammen en rookwolken. Het anders wat suffige dorp op de Veluwe heeft de afgelopen drie weken liefst dertig branden te verwerken gekregen, waarbij voor een slordige twee miljoen gulden in vlammen opging. De Edese brandweer maakt overuren - volgens de brandweercommandant zitten de korpsleden iedere avond met hun jas aan te wachten op de volgende melding. Het geplande onderhoud aan de brandweerauto’s is voorlopig opgeschort; men geeft er de voorkeur aan het materieel paraat te houden.

‘Nicht alles, was feuert, ist Schicksal, unabwendbares’, schreef Max Frisch in 1958 in zijn toneelstuk Biedermann und die Brandstifter. Twee 'Brandstifter aus purer Lust’ die bij Herr Biedermann op zolder bivakkeren, branden zijn huis - na veel onverholen voorpret - tot de grond toe af. Pure lust. Dat lijkt ook hier, in Ede, het geval. Het woord dat zo'n angstige spanning en huiver met zich meebrengt, maar ook wel een tikje opwindend en avontuurlijk klinkt, zingt rond: 'De Pyromaan is weer aan het werk…’
De Pyromaan heeft er werkelijk schik in. Bijna elke avond is het raak; op zaterdagavond 1 april sloeg hij zelfs vier maal toe. De branden worden telkens tussen negen en twaalf uur ’s avonds gesticht, midden in de week maar zondags niet, wat hem aanvankelijk de bijnaam 'Kortjakje’ opleverde - tot hij ook op eerste paasdag toesloeg.
Maar Kortjakje is een meisje. En dat nu is wel zeer onwaarschijnlijk. Er is 95 procent kans dat het een jongen of een man is. Maar wie dan, of wat voor soort man? Bernlef beschreef in zijn roman De pyromaan hoe die vraag de slachtoffers van een pathologische brandstichter kan bezighouden. 'Hoe denk jij dat hij eruit ziet’, vraagt een angstige Lennart in Bernlefs boek. 'Hoe weet jij nu of het een hij is’, antwoordde Arne. Een vierde jongen die tot nu toe alleen maar geluisterd had, zei: 'Het is een psychopaat.’ 'Maar hoe ziet een psychopaat er dan uit’, zei Lennart. De jongen haalde zijn schouders op. 'Ik heb er nog nooit een gezien’, zei hij. 'Het zijn geen gewone gekken’, zei Arne, 'ik bedoel, ze zien er niet gek uit.’
LATEN WE HEM Alex noemen. Tweeentwintig jaar geleden werd hij geboren in een dorp op de Veluwe, in, laten we zeggen: Ede. Streng gereformeerd milieu, traditioneel gezin. Alex blijft, tot verdriet van zijn moeder, het enige kind. En dan ook nog zo'n stil kind. Altijd teruggetrokken en verlegen, schuw. Hij is zo'n jongen die wegduikt als oma hem over zijn haar wil strijken, want wanneer zijn vader gedronken heeft, zitten diens handen nog weleens los.
Als Alex naar school gaat, maakt hij maar weinig vriendjes. Hij wordt gepest, is het lulletje van de klas. Met zijn tengere, iele postuur en houterige motoriek is hij het ideale doelwit voor de grote jongens uit het dorp. ’s Nachts plast hij vaak in bed, nog tot zijn dertiende. Het drankprobleem van zijn vader teistert ondertussen het gezin en eigenlijk is zijn moeder er helemaal niet rouwig om als hij hen opeens in de steek laat. Ze maakt zich veel meer zorgen om Alex, hoewel ze niets van die jongen begrijpt. Wat is-ie toch stug en gesloten. Waarom gaat hij niet lekker voetballen of skate-boarden? Hij zit altijd maar op zijn kamertje. Ze laat hem met rust, gaat haar eigen gang.
Hij krijgt het advies naar de mavo te gaan, maar hij durft het niet aan. Hij wil liever met zijn handen werken en kiest voor de LTS in het nabijgelegen dorp. Daar, tussen die stoere jongens met hun knetterende brommers, voelt hij zich eenzamer dan ooit. Weer moeten ze hem hebben; zijn schoolwerk lijdt eronder. De meisjes die voor het hek rondhangen, komen niet voor Alex. Hij vindt ze leuk, maar ook wel eng, met die rode lippen en grote oorbellen. ’s Nachts fantaseert hij over ze, stiekem en stilletjes. Handen boven de dekens, had zijn moeder hem immers zo vaak toegebeten.
Op een schoolfeest voeren een paar klasgenoten Alex dronken. De goedkope wodka vindt hij smerig, maar hij is verrast wat dat spul met hem doet. Hij had gedanst, herinnert hij zich de volgende dag tot zijn verbazing, en meegedaan met de anderen: stoere taal uitgeslagen en over lekkere wijven gebrald.
Als hij op zijn achttiende het huis uit gaat om bij een hospita een kamertje te huren, kan hij zijn gang gaan. Zijn halve uitkering gaat op aan wodka, die hij allang niet meer smerig vindt. Met wat alcohol in zijn bloed durft hij soms zelfs een meisje aan te spreken. Wanneer hij dat op een avond in het cafe weer eens waagt, duikt opeens haar vriend op. Die ontsteekt in razernij en slaat met een paar van zijn kompanen Alex naar buiten.
Huilend van machteloze woede strompelt hij naar huis. Hij komt langs de grote opslagloods van de plaatselijke textielfabriek en opeens, waarom weet hij niet, moet dat gebouw in de fik. Tot de grond toe afbranden moet de hele rotzooi. Hij gooit een brandende krant naar binnen en hoort hoe het vuur zich een weg vreet door de meters J stoffen. Met zijn handen in zijn zakken en een strakke, geconcentreerde blik kijkt hij hoe de vlammen door het dak naar buiten slaan. Als hij in de verte de sirenes hoort, loopt hij langzaam naar huis.
Zes weken en tweeenveertig grote en kleine branden later wordt Alex gearresteerd. Al een paar keer had de politie hem in de buurt van de onheilsplaatsen zien rondhangen. Op het bureau weten ze niet goed wat ze met hem aan moeten - er is tijdens het verhoor niets uit hem te krijgen. Hij zit daar maar wat, de smalle schouders opgetrokken, de blik naar binnen gekeerd. 'Hij is gewoon niet goed wijs’, meent een agent. Besloten wordt om Alex te laten onderzoeken en een deskundige om een rapport te vragen. Voer voor psychologen, die vent.
'DE PROTOTYPISCHE pyromaan is natuurlijk een abstractie’, zegt Ernst Ameling, als psycholoog verbonden aan het Pieter Baan Centrum, de psychiatrische observatiekliniek voor het gevangeniswezen. 'Maar er valt zeker een aantal algemene dingen over pyromanen te zeggen. Het zijn vaak jonge, sociaal gehandicapte mannen, zonder veel familie en vrienden, zonder relatie, vaak ook zonder werk. Ze komen vaak uit gebroken gezinnen, hebben weinig zelfvertrouwen en waren op school altijd het pispaaltje.’
Door hun introvertie en gebrek aan sociale vaardigheden verloopt het contact met andere mensen vaak onbevredigend. 'Ze kunnen niet boos worden, maar ze worden wel gekrenkt’, zegt Ameling. 'Door brand te stichten laten zij van zich horen. Ze zijn altijd zo vernederd - nou benadelen zij eens iemand anders. Want ze brengen mensen natuurlijk behoorlijk in moeilijkheden. De rookwolken, de vlammen, de sirenes, en zij komen in de krant. Nu voelen zij zich ineens de held en krijgen ze aandacht.’
Het Pieter Baan Centrum onderzoekt jaarlijks ongeveer vijfentwintig van deze mannen, en zij zijn de enigen die volgens Ameling met recht 'pyromaan’ genoemd kunnen worden. 'Want’, zo doceert hij, 'je moet drie soorten brandstichters onderscheiden. Bij verreweg de grootste groep is het een bewust agressieve daad. Daarbij gaat het om wraak of vandalisme, en dat heeft niets met pyromanie te maken. Dan heb je de psychotici, die onder invloed van bevelshallucinaties iets in brand steken. Dat zijn heel zieke mensen die stemmen horen; die noemen we ook geen pyromanen. De “echte” pyromaan heeft een ziekelijke neiging tot brandstichten, die moet dat steeds weer doen. Het is een drang, en na afloop volgt een ontlading.’
Pyromanen, zegt Ameling, hebben agressieve gevoelens waar ze zich geen raad mee weten. 'Ze hebben moeite met impulsen en driften in het algemeen. De twee pijlers van het driftleven, agressie en seksualiteit, zijn beide onderdrukt. Het verbaast me ook niet dat dit in Ede speelt, want zoiets gebeurt vaak tegen de achtergrond van een strenge religieuze moraal. Kinderen in een streng gereformeerd gezin leren vaak niet met hun driften om te gaan. Niks mag. Seksualiteit is taboe, masturbatie en agressie ook. De vlammen hebben voor deze mensen een ontladende functie.’
IN 1993 LIET een vierentwintigjarige man in Alkmaar meer dan vijftig bussen en een gebouw van Rijkswaterstaat uitbranden. Tegenover de rechter verklaarde hij dat hij zich wilde afreageren en aandacht zocht voor zijn problemen. Hij was een 'inrichtingskind’, had in vier verschillende internaten gezeten. Op zijn achttiende liep hij door een mishandeling blijvend letsel op, waardoor hij zijn opleiding tot loodgieter niet kon afmaken. De man werd gearresteerd terwijl hij in de vlammen stond te staren, dronken en verward.
Ameling: 'Bijna al die delicten vinden plaats onder forse invloed van alcohol. Omdat deze mensen zo geremd zijn, hebben ze drank nodig om brand te stichten. Ze zuipen zich eerst een stuk in de kraag en dan durven ze pas. En ze gebruiken de alcohol ook om hun schuldgevoel weg te spoelen.’
Het is niet toevallig dat een pyromaan doorgaans alleen materiele schade veroorzaakt. Zijn lucifer treft vooral anonieme doelen, en zo mogelijk zal hij zich ervan vergewissen dat er geen bewaker rondloopt. 'Laatst hoorde ik over een brand in Den Haag, waar een pyromaan twee mensen gered had die in het pand aanwezig bleken. Eerst was-ie de held, maar later bleek hij de dader’, vertelt Ameling. De angst in Ede dat het volgende object - na een loods, een kapperszaak en andere bedrijfspanden - een woonhuis zal zijn, is dus waarschijnlijk niet terecht. Het is helemaal niet de bedoeling dat er slachtoffers vallen; een pyromaan wil niet zozeer kwetsen maar veeleer belangrijk gevonden worden. En hij moet zijn woede kwijt. Juist door zijn sociale onvermogens richt hij die niet rechtstreeks op personen, maar vooral op voorwerpen. En op zichzelf: automutilatie en suicidepogingen komen onder pyromanen veelvuldig voor.
Het aantal brandstichtingen in Nederland is sinds 1980 verzesvoudigd. Werden er toen nog 1700 moedwillig aangestoken branden geregistreerd, in 1993 waren het er meer dan tienduizend. De Nederlandse brandverzekeraars moesten dat jaar zo'n 850 miljoen gulden uitkeren voor grote branden met een schade van meer dan twee miljoen gulden. Pyromanen steken elkaar aan, weet de politie: als het journaal aandacht besteedt aan de jaarlijkse serie bosbranden of andere fotogenieke fikken, stijgt het aantal meldingen onmiskenbaar.
'Vuur is iets grandioos’, zegt de Amsterdamse psychoanalyticus Joost Baneke. 'Mensen met sterke insufficientiegevoelens over hun identiteit of hun mannelijkheid kunnen er enorm gefascineerd door raken.’ Baneke behandelde ooit een allochtone jongen die erg onzeker was en zich noch bij zijn oorspronkelijke groep, noch bij Nederlanders thuisvoelde. 'Hij stond altijd te kijken naar de bezigheden van de brandweer, en eindigde met zelf brand te stichten.’
'Er is in ons allen een natuurlijke aantrekkingskracht tot vuur’, meent Ernst Ameling. 'Er zijn niet voor niets zoveel open haardjes in Nederland. En iedereen vindt het leuk om naar een fik te kijken.’
Het woord pyromanie duikt voor het eerst op aan het begin van de negentiende eeuw. De Fransman Marc spreekt in 1833 over 'monomanie incendiaire’ als een soort partiele geestelijke stoornis. Pyromanie is een 'stoornis in de impulscontrole’, en zo zijn er meer manien die een ziekelijke neiging aanduiden, bijvoorbeeld kleptomanie en nymfomanie.
Zoals die laatste twee neigingen praktisch exclusief aan vrouwen zijn voorbehouden, zo zijn pyromanen bijna altijd (relatief jonge) mannen. Ernst Ameling heeft in het Pieter Baan Centrum nog nooit een vrouwelijke pyromaan gezien. Hoe komt dat? Omdat vrouwen het vuur niet uit kunnen plassen, zou Freud zeggen. Volgens Freud hadden mannen vroeger een onbedwingbare neiging vuur te blussen door erop te urineren. De brandstichter zou als kind de vervulling van zijn vroege seksuele wensen gedwarsboomd zien door het 'verboden’ homoseksuele karakter ervan. In vuurtje stoken zou een vervangende bevrediging te vinden zijn, en de zich omhoog rekkende vlam zou een fallische betekenis hebben. Pyromanen zouden bij het zien van vuur intens seksueel opgewonden raken, maar zouden tevens een sterke neiging hebben om het vuur uit te plassen en zo het verlangen te blussen.
'ER IS ALTIJD een verband met de seksualiteit’, bevestigt J. Gerrits. Hij is werkzaam als psychiater en getuige-deskundige voor de rechtbank en rapporteerde over pyromanen die soms wel honderdzeventig branden op hun geweten hadden. 'Het is alleen voor psychiaters en psychologen niet zo makkelijk om ronduit te vragen hoe lang zo'n erectie nou duurt - het broze contact wil daar nog weleens onder lijden. Maar je kan soms zien dat ze gaan slikken als ze over die brand spreken. Als ze speekselvloed krijgen, weet je dat er een duidelijk lustaspect speelt. De brandstichter is soms ook een onbekwame minnaar, die niet tot een liefdesrelatie kan komen. Dan roepen wij altijd schertsend dat hij op zoek was naar warmte.’
Gerrits vertelt over een man die als kind begon met brandstichten en later ook seksueel agressief gedrag vertoonde. 'Toen hij al jaren in behandeling was en we met hem probeerden te praten over die seksuele delinquentie, zei hij daarover dat hij dat nooit meer zou doen. Maar ondertussen zat hij met zijn aansteker zijn duim te flamberen. Terwijl je met hem over seks praat, zit hij te genieten van het vuur - het windt hem op om die vlam langs zijn huid te laten glijden. Hij is zich er niet van bewust dat hij dat doet en zich op die manier aan de onderzoekers blootgeeft.’
Gerrits hanteert overigens een ruimere definitie van het begrip 'pyromaan’ - volgens hem hoeft dat niet altijd iemand te zijn die uit een ziekelijke drang een hele serie branden sticht. 'Hoe zou je anders bijvoorbeeld een reeks politiek gemotiveerde branden willen noemen? Sabotage? Typische vorm dan. Men kiest bij dit soort crimineel gedrag toch de vorm die men leuk vindt.’
Wanneer iemand Freude am Feuer beleeft, spreekt Gerrits van pyromanie. De seriebrandstichter is er een van. 'Daarvan is al jaren bekend dat hij vaak in het publiek staat dat naar de brand kijkt, dat-ie geen criminele voorgeschiedenis hoeft te hebben en mogelijkerwijs een wat teruggetrokken leven lijdt’, geeft hij toe. Gegevens die ook bij de Centrale Recherche Informatiedienst bekend zijn en gebruikt worden bij het opstellen van zogeheten 'daderprofielen’. De politie in Ede kan daar een beroep op doen, want, zo meldt de CRI met gepaste trots, men beschikt over een gedragskundig recherche-adviseur, die een cursus bij de FBI heeft gedaan. Volgens deze profielanalist van de CRI is de typische pyromaan de brandstichter die handelt zonder (politieke) motieven, winstbejag of wraak. Hij is jong, tenminste: in zijn gedrag, en opereert meestal alleen. Er zijn dan ook - voor zover bekend - geen belangengoepen van pyromanen.
EN KRIJGT DE Edese politie ook hulp uit Joure? Daar zitten immers ervaringsdeskundigen. Het Friese Joure werd vorig jaar geteisterd door zeventien branden, voornamelijk in openbare gebouwen en scholen. Er werd een team van acht politiemensen op gezet, maar het onderzoek is doodgelopen. Er is geen dader aangehouden. Tot hun verbazing, vertelt een woordvoerder van de politie aldaar, is de pyromaan vanzelf gestopt. De brand in de gereformeerde kerk vorig voorjaar was (voorlopig) de laatste. Nee, de politie van Joure heeft dus geen nuttige tips voor de collega’s in Ede. Ze hebben wel een keer contact gezocht, uit interesse en om wat informatie uit te wisselen.
Maar wat moet er nu eigenlijk met een gearresteerde pyromaan gebeuren? Gevangenisstraf natuurlijk, al doet hem dat uit behandeloogpunt geen goed, zegt Ameling. 'Behandeling is sowieso gewenst, en die moet zich vooral richten op het zelfbeeld en het zelfvertrouwen. Je moet met zo iemand werken aan zijn assertiviteit, aan het uiten van emoties. Zijn zelfvertrouwen moet wat opgevijzeld worden. Er wordt weleens tbs geadviseerd, maar alleen als er ook gevaar voor personen bestaat en de zaak mogelijk zal escaleren. Anders is tbs toch het schieten met een kanon op een mug. Want psychisch gesproken zijn het muggen.’
En dat is nu precies - in een notedop - de tragiek van de pyromaan.