Labor City in een buitenwijk van Doha werd gebouwd om 70.000 buitenlandse werknemers te huisvesten. Maart 2016 © Warren Little / Getty Images

Al tien jaar lang bouwt Qatar voor het wereldkampioenschap voetbal van 2022. Het land kreeg kritiek van internationale mensenrechten- en arbeidsorganisaties, paste wetten aan om arbeiders beter te beschermen. En toch is er de roep om het WK in Qatar te boycotten. De schatrijke Qatarezen gedragen zich als Calimero: dit is niet eerlijk!

De onthulling van The Guardian uit februari dat er bij de bouw van de stadions en faciliteiten voor het WK de afgelopen tien jaar maar liefst 6500 buitenlandse arbeiders zouden zijn omgekomen, viel slecht in dit puissant rijke oliestaatje. De Britse krant had becijferd dat wekelijks twaalf migrantarbeiders uit Nepal, India, Pakistan, Sri Lanka en Bangladesh stierven bij hun werk. Door de hitte, de slechte arbeidsomstandigheden, ongelukken. Het artikel borduurde voort op eerdere kritische rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch over het arbeidssysteem dat dicht bij slavernij zou staan en de slechte behuizing van arbeiders. Het leidde tot verontwaardiging onder sporters en zelfs een oproep om het hele toernooi in Qatar te boycotten.

Die aanhoudende kritiek lijkt op een gerichte campagne, zeggen echter zowel Qatarezen als expats, en gaat totaal voorbij aan de enorme veranderingen sinds Qatar in 2010 het WK kreeg toegewezen. Het trok zich de kritiek wel degelijk aan en verbeterde de arbeidswetten en -omstandigheden, terwijl de wedloop om alles op tijd klaar te hebben wel moet doorgaan. Daarom is dit land met tweeënhalf miljoen buitenlanders op driehonderdduizend Qatarezen juist een voorbeeld voor de regio, vindt de Qatarese journalist en schrijver Jabar al-Harami. ‘Het is de enige staat die een officieel minimumloon heeft ingevoerd’, betoogt hij in een e-mail. Dat staat op achttienhonderd riyal, zo’n vijfhonderd dollar. ‘Er zijn wetten gewijzigd, zoals die voor verblijf, reizen en vertrek. En als wat er gezegd wordt over slavernij en het aantal doden überhaupt waar zou zijn, waarom is Qatar dan voor zoveel verschillende nationaliteiten toch het favoriete land om te gaan werken?’

Migranten werken in Qatar in alle sectoren en op vrijwel alle niveaus, ook in het management en aan de universiteiten. Van hen stierven en sterven mensen om allerlei redenen. En lang niet alleen bij de bouw van de stadions, zegt Al-Harami. ‘Dat is een grote leugen en een campagne van Qatars tegenstanders in de regio, die jaloers zijn omdat het staatje als eerste in de Golf het WK mag organiseren.’

Is Qatar een arbeidersparadijs, zoals Al-Harami suggereert? Dat staat wel erg ver af van het beeld dat in het Westen bestaat, en dat ook nog steeds onderbouwd wordt in rapporten van mensenrechtenorganisaties. Dat gaat uit van een autocratisch geregeerd staatje dat voor zijn rijkdom afhankelijk is van buitenlandse arbeid en de laagstbetaalden nog immer te lang in de hete zon laat werken en ondanks nieuwe wetten nog steeds te weinig doet om te voorkomen dat werkgevers hen behandelen als veredelde slaven.

Qatar is een van de zeven Golfstaten die rijk zijn geworden na de vondst van olie en gas, met een kleine oorspronkelijke bevolking van sjeiks, bedoeïenen en parelvissers. Het meest zichtbare bewijs van de rijkdom is de glimmende hoogbouw met veel glas, staal en gewaagde architectuur, de dure villa’s en het nep-Venetië op een kunstmatig eiland voor de kust. Daarnaast zijn er de parken die in de hitte toch groen gehouden worden en de snelwegen die ondanks hun zes banen dagelijks vol staan met de duurste auto’s en suv’s. Er wordt altijd wel ergens gebouwd en ongeveer een miljoen buitenlandse arbeiders werken in die sector. Voor het WK kwamen er zes nieuwe stadions, nieuwe wegen en een metro met drie lijnen die deels boven de grond loopt. >

Bij die bouw zouden er dus al 6500 mensen zijn omgekomen. Maar er zijn problemen met dat cijfer. Want daar zitten ook mensen in die met obesitas of om andere redenen in hun gekoelde kantoor in elkaar zijn gezakt, zoals een expat zegt die in Qatar werkt voor een mediabedrijf maar anoniem wil blijven. Volgens hem zijn voor dat artikel alle doden onder expats van de laatste tien jaar bij elkaar opgeteld. Van de kleine groep overledenen die echt met het WK te maken had, is bovendien maar tien procent daadwerkelijk van een steiger gevallen of door een zonnesteek gestorven. The Guardian heeft zich daar echter na drie maanden in gesprek te zijn geweest met de voorlichters van het gco, het Government Communications Office, niet van laten overtuigen.

Dat Qatar zo’n land is waar het halfvolle glas er totaal anders uitziet dan het halflege, heeft deels te maken met het totale gebrek aan persvrijheid. Freedom House noemt het staatje ‘niet vrij’ met een score van 25 uit honderd punten, waarbij persvrijheid slechts één van de vier beschikbare punten scoort. Dat komt door censuur van de zijde van de staat, terwijl alle journalisten ook zelfcensuur uitoefenen, want ze kunnen celstraffen krijgen voor laster. Kritiek op de regerende 41-jarige Sjeik Tamim bin Hamad Al Thani en zijn familie is bijvoorbeeld taboe. Sinds begin vorig jaar staat bovendien op het delen of publiceren van nepnieuws vijf jaar cel – en wie bepaalt wat nepnieuws is?

Van de Qatarese pers is dus geen onderzoeksjournalistiek te verwachten. Het internationaal vermaarde, in Doha gevestigde Al-Jazeera kan zelfs niet eens over Qatar berichten. Het enige nog enigszins onafhankelijke maar toch zeer brave Doha News werd in 2016 gesloten en mocht het werk pas vorig jaar weer hervatten.

Ook buitenlandse journalisten krijgen weinig kans om op onderzoek uit te gaan. Vrij rondkijken is onmogelijk. En niet alleen op de bouwplaatsen; toestemming om de wooncabines van arbeiders te bekijken wordt niet gegeven. Wie toch pogingen ondernam, kwam in de problemen, werd opgepakt en het land uitgezet. De Supreme Commission for Legacy and Delivery, die het toernooi organiseert, biedt wel begeleide rondleidingen langs de nieuwgebouwde stadions en faciliteiten, maar achter de façade kijken wordt niet toegestaan. Ook Amnesty International en andere kritische mensenrechtengroepen blijven door die zorgvuldig geplande rondleidingen wantrouwend.

Kritiek op de buitenlandse kritiek mag natuurlijk wel. De opiniepagina van Doha News is daar het podium voor. Zo werd in een recent opiniestuk betoogd hoe oneerlijk het is dat Qatar onder vuur ligt, als tegelijkertijd de eigenaar van het Britse Manchester City, de Verenigde Arabische Emiraten, buiten schot blijft – ondanks berichten over martelingen en mensenrechtenschendingen. Het medium hield een Clubhouse-discussie waarbij werd vastgesteld dat de slechte situatie in organiserende landen als Rusland en Brazilië bij eerdere WK’s nauwelijks een rol speelde.

bouwvakkers in Lusail Stadion in Lusail, Qatar. December 2019 © Adam Davy / PA Images / ANP

Het gebrek aan openheid leidt tot de vraag wat er achter die façade van nieuwe snelwegen, hotels en sportfaciliteiten te ontdekken is. Waarom de Qatarese overheid er zo op gebrand is de controle te houden over wat vreemde ogen mogen zien. Zijn de doorgevoerde veranderingen als gevolg van de kritiek op de arbeidsomstandigheden dan niet ingrijpend? Daar kun je toch mee scoren? Kijk naar het afschaffen van het eeuwenoude kafala-systeem. Van kracht in bijna het hele Midden-Oosten, waarbij buitenlanders alleen mogen werken als er lokaal iemand voor hen garant staat. Een sponsor die hun paspoort bewaart en bepaalt of iemand van baan mag veranderen en zelfs vertrekken. Dat leidt tot uitwassen, machtsmisbruik en onvrijheid. In verschillende landen zetten organisaties zich in om een eind te maken aan situaties die neerkomen op moderne slavernij, in de bouw en de horeca, maar ook voor huishoudsters, bedienden en chauffeurs. Waarbij mensen onder slechte omstandigheden wonen en werken, mishandeld en zelfs verkracht worden maar zonder paspoort en geld geen kant op kunnen. In Qatar kan dat alles dus officieel niet meer gebeuren.

In de hele Golfregio komt dat systeem voort uit de erfenis van de slavernij, betoogt Andreas Krieg, als universitair docent defence studies verbonden aan King’s College in Londen. Het is vergelijkbaar met het Europese systeem van feodalisme, zegt hij. In het Midden-Oosten werkte Krieg als consultant strategische risico’s voor diverse klanten, waaronder de Qatarese regering. De afgelopen maanden mengde hij zich herhaaldelijk in de discussie over de arbeidsomstandigheden in Qatar. ‘We wisten dat die kritiek zou komen. En die gaat niet meer weg tot het WK voorbij is’, voorspelt hij vanuit Londen. ‘Het probleem dat ik met die campagne heb, is dat men niet kijkt naar wat er echt gebeurt en waar het probleem ligt.’

‘De meeste Qatarezen hebben echt geen idee hoe je je personeel met een zeker respect en waardigheid behandelt’

Want wat er gebeurde toen Qatar het kafala-systeem afschafte en arbeidscontracten instelde waarbij mensen van werkgever kunnen veranderen en vertrekken wanneer ze maar willen, wordt enorm onderschat. ‘Dat is een hele grote stap, die zonder het WK niet was genomen’, stelt Krieg. ‘De regering ging van een systeem dat bijna feodaal was naar iets dat veel beter past in de 21ste eeuw. Terwijl de Qatarezen zich er zelf tot nu toe nooit echt van bewust waren hoe groot de uitbuiting is.’

Daaruit blijkt al wel dat je met het wijzigen van een paar wetten en regels niet ook meteen een mentaliteit kunt veranderen die in de hele regio aanwezig is. ‘Het is een sociaal probleem. Hoe kijken mensen aan tegen werknemers, arbeiders – tegen degenen die voor hen werken? Deze landen zijn disproportioneel rijk en iedereen heeft thuis nanny’s, chauffeurs, koks. Nee, dat heeft niets met slavernij te maken, hoor.’

Bij de jongere generatie heeft hij die mentaliteit de afgelopen tijd wel langzaam zien veranderen, maar ‘de meeste Qatarezen hebben echt geen idee hoe je je personeel met een zeker respect en waardigheid behandelt. Of het nu werknemers met blauwe of witte boorden zijn.’

Het probleem ligt deels bij de vele zakenlieden die bij de planning van het werk allereerst uitgaan van goedkope arbeid. ‘Die menen: wie voor mij werkt, staat onder mijn controle. Ik ben zijn eigenaar. Hoewel de wet dat niet langer ondersteunt, leidt de manier waarop zij denken ertoe dat er nog steeds misbruik van mensen wordt gemaakt. Het is een langzaam proces vóór de manier waarop de lokale samenleving over arbeiders en hun rechten denkt echt verandert.’

Daarbij speelt racisme geen rol, en dat het in de westerse media zo wordt afgeschilderd vindt Krieg problematisch. ‘Want het kafala-systeem gaat om nationaliteit. Ben je Qatarees of niet.’ Het systeem gold in Qatar (en nog steeds elders in de regio) simpelweg voor alle buitenlanders. ‘De grote meerderheid van Indiërs, Pakistanen en Filippino’s werkt niet in de bouw. Dat zijn witte boorden. Mijn eigen manager was een Indiër. Velen zitten in middenmanagementposities en hebben een hoger salaris dan wij ooit hier in Europa zullen krijgen.’ Volgens hem is hooguit één procent van alle buitenlandse arbeiders in Qatar betrokken bij de bouw voor het WK.

Mede door dat gedoe met de cijfers is de oproep tot een boycot Qatarezen zo in het verkeerde keelgat geschoten dat er een lobby is ontstaan om de veranderingen dan maar terug te draaien. Veel bedrijven die afhankelijk zijn van goedkope arbeid vonden toch al dat de overheid hen te weinig tijd heeft gegeven om zich aan te passen, zegt Krieg. ‘Ik heb zakenlieden horen zeggen: “Hoe meer we doen, hoe groter de druk is om nog meer te doen. Omringende landen hebben veel slechtere praktijken dan wij, maar krijgen niet dezelfde kritiek. Wanneer is het genoeg?”’

Het feit dat er openlijk over wordt gesproken, is vooruitgang, zegt hij. Politieke invloed beperkt zich in Qatar tot raadgevende raden waarvoor alleen Qatarezen stemrecht hebben. Freedom House stelt vast dat alle macht, uitvoerend, wetgevend en zelfs justitieel, bij de emir ligt. Politieke partijen zijn niet toegestaan. Tien jaar geleden beperkten openlijke kritische gesprekken zich nog tot groepjes Qatarese mannen die ’s avonds samen de politiek doornamen. ‘Dat was een kleine groep. Erbuiten ging het nooit. Maar vooral sinds de blokkade die in 2017 tegen Qatar begon, is het naar het internet verhuisd. En daar zie je veel kritiek op het regeringsbeleid.’

Hij refereert aan de boycot die bevriende naties tegen Qatar afkondigden: Saoedi-Arabië, de vae, Bahrein en Egypte. Alle diplomatieke en handelsbanden werden geschrapt en Qatar Airways mocht hun luchtruim niet meer gebruiken. Daarbij eisten de vier voormalige vrienden onder meer dat Doha afstand zou nemen van de jihadisten en extreme moslimgroepen die ze zou steunen in Syrië en Libië. Dat richtte zich vooral tegen de Moslimbroederschap die zij als een gevaarlijke invloed zien. Ook Qatars goede banden met Iran en Turkije speelden een rol. Inmiddels is de boycot grotendeels opgeheven, maar ook die actie zagen velen in Qatar als oneerlijk – jihadisten kregen immers ook steun van elders.

Doordat het internet een belangrijke uitlaatklep werd die de regering in Doha toeliet, meent Krieg dat Qatarezen ook iets van hun schroom verloren en nu openlijker met journalisten praten. Maar bij het onderzoek voor dit artikel was dat niet zo: op Jabar al-Harami na wilde geen enkele van de benaderde Qatarese journalisten en academici praten. Expats en een enkele diplomaat spraken alleen off the record.

De blokkade heeft Qatar wel een zelfstandiger positie opgeleverd, en het gaat economisch beter dan ooit. De concurrentie met de andere Golfstaten is toegenomen; dat speelt bij de ontwikkeling van alternatieven voor energie uit olie en gas, maar ook bij het werven van de werknemers die daarbij een rol kunnen spelen. En die blijven toestromen, ondanks alle kritiek op Qatar. Krieg wijst er dan ook op dat het staatje zich door het schrappen van het kafala-systeem een betere concurrentiepositie heeft verworven. ‘Want als je arbeiders uitbuit, krijg je geen nieuwe meer.’

Qatarezen bij een winkelcentrum in Doha. Juli 2017 © Tomas Munita / The New York Times / ANP

Wellicht is dat zo, maar de Spaanse Elisa Gonzalez (niet haar eigen naam), is na vijf jaar als expat in Doha niet onder de indruk van de veranderingen. Ze werkt voor een bedrijf dat een golfbaan exploiteert met een tak voor landschapsarchitectuur, en weet daardoor hoe de laagstbetaalden leven. Terwijl ze de inwoners in drie categorieën indeelt – Qatarezen, goedbetaalde expats en arbeiders – benadrukt ze dat er sociale contacten zijn binnen die groepen, maar niet erbuiten. Arbeiders kent ze alleen maar persoonlijk omdat ze met hen werkt en hen thuis opzocht. Ze was geschokt door wat ze zag. ‘Ze wonen in speciale gebieden, en de omstandigheden zijn er droevig. Je ziet straatarme mensen die in de hitte boven op elkaar leven.’ In het zogenoemde industrieel gebied van Doha wonen ze in overvolle slums, waar ze ook winkels, supermarktjes en restaurants runnen, en een soort klein-Azië creëren. ‘Je waant je bijna in een ander land.’

De tegenstellingen zijn groot, als je dat nogal ongeorganiseerde winkel- en woongebied vergelijkt met bijvoorbeeld de luxe soek in Doha die zo goed is nagebouwd dat je je in een gerestaureerde oude Arabische wijk waant. Of met de luxe restaurants en hotels, en de grote gebouwen die musea huizen, voor islamitische kunst maar ook hedendaagse. Onder leiding van de regerende Al-Thani-familie is niet alleen veel kunst aangekocht uit het buitenland maar kregen kunstenaars ook opdrachten voor beelden en sculpturen in de publieke ruimte. Dat strekt zich echter niet uit tot de woongebieden van de laagste klasse van Qatars migranten.

In de sterk gesegregeerde samenleving komen arbeiders alleen uit hun eigen wijken als ze op de vrije vrijdag langs de lange, brede Corniche in Doha wandelen, om vanaf de waterkant naar de luxe hoogbouw van het zakencentrum aan de andere kant van de baai te staren. Ondanks het feit dat veel arbeiders arm zijn, geldt Qatar als uitermate veilig. Er is bijna geen criminaliteit. Gonzalez vertelt over een handtas die was achtergelaten op een terras in de soek, en daar uren later nog gewoon stond. ‘Geen arbeider zou er in de buurt komen. De boetes zijn enorm. Ze zouden zo’n dief opsluiten en dan uitwijzen.’

‘Die arbeiders moeten ook weer niet te machtig worden. Als ze zich verenigen heeft het land een enorm probleem’

Dat wil niemand riskeren, want deze arbeiders behoren in eigen land tot de allerarmsten. ‘Ik geloof dat de meesten van hen er hier beter aan toe zijn dan in eigen land, waar ze op straat zouden leven’, zegt Gonzalez. ‘Niemand dwingt hen te komen of te blijven. Het zijn vooral mannen met weinig onderwijs. Hier leven ze ook in armoede, maar sturen wel geld naar huis.’

En als zij vertrekken, staan er duizenden anderen te trappelen om hun plek in te nemen, opdat ook hun gezinnen kunnen overleven. Geen wonder dat Qatarese bedrijven daar misbruik van maken, zegt ze. ‘Het is een volledige keten. Een bedrijf is geen liefdadigheidsinstelling. Als ik honderd ongeschoolde mensen had die voor zo’n duizend riyals blokken willen stapelen, waarom zou ik er dan tweeduizend voor betalen?’

Tegelijkertijd wijst ze erop dat al die arbeiders na een verplichte gezondheidscontrole bij aankomst recht hebben op gratis gezondheidszorg die ze thuis zeker niet krijgen. En dat ze ook allemaal gevaccineerd zijn tegen corona. Soms nog eerder dan expats en zelfs de Qatarezen zelf. Want er was grote angst voor een uitbraak. Als je zo dicht op elkaar woont, dan kan een pandemie flink huishouden, wat ook de critici weer in de kaart zou spelen.

Het zijn ware getto’s waar zij moeten wonen, zegt Kees Wieringa. De Nederlandse pianist en cultureel ondernemer verliet Qatar in december na er vierenhalf jaar als museumdirecteur te hebben gewerkt en publiceerde recent een boek (Inshallah) over die ervaring. Pas na een paar jaar slaagde hij erin zijn werknemers die in die aparte gebieden woonden te bezoeken, vertelt hij vanuit zijn huidige woonplaats Parijs. ‘Als westerling kon ik er nauwelijks naartoe. Ze klaagden geregeld en ik wilde dat gewoon zien. Het zijn de meest afschuwelijke kampen.’ Hij beschrijft hoe duizenden mannen letterlijk boven op elkaar wonen. ‘In soms vijf of zes hoog opgestapelde portocabines met trappen ertussen. In de volle zon. Toen ik er kwam was er weinig gekoeld, later zijn er koelingssystemen aangebracht. Maar vaak werkt dat niet. Ze slapen wel met twintig man in zo’n cabine die vol staat met stapelbedden.’

Wieringa werd in 2016 directeur van het Faisal bin Qassim Al-Thani Museum buiten Doha, dat een opvallende mix van erfgoed en cultuur biedt. Naast antieke Arabische voorwerpen, textiel, kalligrafie en geweren zijn er speciale secties voor tapijten en oldtimers, en een speciaal museum over het leven van de geëxecuteerde Iraakse dictator Saddam Hoessein. Er werken ook veel buitenlandse arbeiders. Naar Wieringa’s ervaring bleven die meestal hooguit vier jaar, want dan liep hun verblijfsvergunning af. De Qatarese overheid wil niet dat ze langer blijven, meent Wieringa, ‘want die arbeiders moeten ook weer niet een te machtige groep worden. Als ze zich zouden verenigen heeft het land een gigantisch probleem.’

In zijn boek stelt hij vast dat Qatar met al haar rijkdom buitenlandse kennis en ervaring kon binnenhalen, en zo in ruim vijftig jaar heeft bereikt wat westerse landen eeuwen kostte. Maar dat is vooral het wenselijke beeld. ‘Het imago dat wordt hoog gehouden en de werkelijkheid liggen ver uit elkaar. Dat minimumloon; formeel is dat er, maar het wordt niet gehanteerd. Het kafala-systeem is formeel afgeschaft, maar ik weet dat de werkers in december nog toestemming moesten hebben om te vertrekken. Die hadden hun paspoort helemaal nog niet teruggekregen. In de praktijk zie ik geen verbetering.’

Dat is analist Andreas Krieg echter totaal niet met hem eens. Hij vindt juist dat de arbeiders nu veel beter zijn gehuisvest. Veel van de slums zijn opgeruimd en arbeiders kregen onderdak dat voldoet aan de eisen van de internationale arbeidsorganisatie ilo, die de operatie vanuit een kantoor in Doha leidt. Maar, geeft hij toe, niet alle slums in het industrieel gebied zijn verdwenen. ‘Er zijn nog wel kampen waar mensen wonen onder de omstandigheden van tien jaar geleden.’

En dat er aannemers zijn die toch nog het kafala-systeem hanteren ontkent hij evenmin, maar dat is volgens hem een minderheid. Dat komt doordat de Qatarese overheid een probleem heeft met de implementatie van wetten en de controle op uitvoering ervan, zegt hij. ‘Ze heeft er niet genoeg mensen voor. Het is het volgende grote probleem dat de regering moet oplossen.’

Voor Wieringa is dat alleen maar de buitenkant. In Qatar staat het eigen imago voorop. ‘Dat is het beeld van een soort droommaatschappij, waar alle culturen samenleven, waar veel compassie is, veel empathie voor de medeburger. Waar in de architectuur alles blingbling is, alles goed georganiseerd, met een moderne variant van de islam.’

Er wordt alles gedaan om de werkelijkheid te verbergen: die van een maatschappij die volgens bedoeïenentradities wordt gerund, met een strenge islam die over de wereld moet worden verspreid, zegt Wieringa. Dat gebeurt door bezoekers in te pakken, met uitnodigingen, vijfsterrenhotels, grote luxe. ‘De bezoekers gaan naar huis met een idee: het gaat geweldig met dit land. Dat is waarom diverse journalisten met wie ik contact heb gehad zeiden: “Ik heb het land bezocht en fantastische dingen gezien. Waarom ben jij toch zo kritisch?”’

Ook de expats laten zich inpakken, met hoge salarissen. Wieringa ook in het begin, geeft hij toe. ‘Ik dacht: hier kan alles, kunst en cultuur staan hoog in het vaandel. Langzamerhand kwam ik erachter dat het allemaal ten dienste staat van dat imago. Ik ben ervan geschrokken. Want het gaat ten koste van de mensen. Er zijn veel politieke gevangenen. Daar horen we niets over. Dat is schrijnend. Ik ben een van de weinigen, zelfs internationaal, die dit durft te zeggen.’ Hij kent voorbeelden van kritische buitenlanders die het land zijn uitgezet. Om die reden kwam zijn boek pas uit toen hij al in het vliegtuig zat uit Qatar. ‘Ik was absoluut opgepakt als ik daar nog had gewoond.’

Qatar is trots op de verklaring van het Amerikaanse State Department dat het geen politieke gevangenen heeft. Maar als journalisten worden opgesloten voor laster en homo’s vijf jaar cel kunnen krijgen voor het tonen van hun geaardheid, is de vraag of dat wel klopt. Vorig jaar meldde een mensenrechtengroep in de Golfstaten dat journalist en activist Fahd Bohendi na een hongerstaking in de gevangenis in Qatar zou zijn gemarteld en overleden. Er zijn meldingen van slechte omstandigheden in overvolle gevangenissen, waar vorig jaar vanwege angst voor corona ook duizenden arbeiders zijn opgesloten in afwachting van uitwijzing naar hun eigen land.

Dat past echter niet in het plaatje dat Qatar graag naar buiten brengt. Daardoor, in combinatie met de bedoeïenencultuur, blijven echte veranderingen uit. Wieringa vindt dat een gemiste kans. ‘Als er een land is dat het goede voorbeeld had kunnen geven voor de Golfregio, dan is dat Qatar wel. Ze had een statement kunnen maken, want dit soort toestanden vind je natuurlijk ook in Dubai en Saoedi-Arabië.’

Andreas Krieg ziet voor Qatarezen echter weinig reden om zich druk te maken. Ze hebben immers alles, en daardoor zijn ze weinig politiek geëngageerd, zegt hij. ‘Qatarezen hebben geen klachten. En als je die niet hebt, word je apolitiek.’ Daarom komen de veranderingen die er zijn alleen van hogerhand. En om die reden meent Krieg dat het WK goed is voor Qatar en de mensenrechten. Hij wijst erop dat de internationale kritiek toch maar heeft geleid tot betere arbeidsrechten en -omstandigheden.

Wieringa gelooft daar niet in. ‘Dat vind ik de grootste grap: dat Qatar hierdoor zou leren hoe het anders kan. Het voetbal duurt zes weken. Nu willen ze ook de Olympische Spelen nog binnenhalen. Maar je snapt natuurlijk wel dat dit een grote zeepbel is.’