Profiel: Lody van de Kamp

‘De rabbijn van de moslims’

‘Praat met elkaar.’ De rebelse orthodoxe rabbijn Lody van de Kamp (72) wil dat moslims en joden elkaar beter begrijpen. Doden herdenken betekent leren van de geschiedenis. ‘Vijandigheid ontstaat doordat we elkaar niet kennen.’

Luister naar dit artikel

Rabbijn Lody van de Kamp noemt als een van de ergste dingen het generaliseren: dé joden, dé moslims, dé homo’s © Merlijn Doomernik / ANP

Natuurlijk denkt de Amsterdamse rabbijn Lody van de Kamp (72) op 4 mei aan zijn ouders, die vroeger om acht uur ’s avonds voor het raam stonden met de rug naar hem en zijn zusje toe. Ze zeiden niets, alleen aan het schokken van hun schouders was te zien dat ze huilden. Er waren zo veel doden te betreuren. Zijn moeder overleefde de oorlog dankzij twaalf onderduikadressen, maar moest ontdekken dat zij en haar zus als enigen van de familie over waren. Zijn vader zat tweeënhalf jaar in Auschwitz, waar zijn eerste vrouw en hun twee zoontjes Lody en Benno een uur na aankomst werden vergast. Op het dressoir in de woonkamer stonden foto’s van de jongetjes, Lody werd niet ouder dan vier jaar, Benno negen maanden.

In 2014 kreeg Van de Kamp de vraag of hij ‘Stolpersteine’, koperen herinneringsstenen, wilde laten plaatsen voor de huizen van familieleden die werden weggevoerd naar concentratie- en vernietigingskampen. Hij bedankte, het hoefde niet van hem. Hij werd zelf de Stolperstein voor zijn halfbroertjes, want hij kreeg de namen Lody en Benno mee. Hij heeft het nooit als een last ervaren, door deze geschiedenis werd hij er juist van doordrongen hoe levensgevaarlijk het is om bevolkingsgroepen als ‘anders’ te bestempelen, ‘wij’ tegenover ‘zij’. Een belangrijk onderdeel van dat proces, het generaliseren, het spreken over dé joden, dé moslims, dé homo’s, dé media, is wat hem betreft ‘een van de ergste dingen die er zijn’.

Natuurlijk herdenkt Van de Kamp op 4 mei de doden van de Tweede Wereldoorlog, maar het echte herdenken betekent voor hem dat we leren van die tijd. Hij ziet dat het een taboe is geworden om een vergelijking te trekken tussen toen en nu, tussen de toenemende uitsluiting van joden in nazi-Duitsland en de situatie van minderheden nu. De gedachte erachter is dat wat de joden is overkomen uniek in zijn gruwelijkheid was.

‘Nogal wat joden trekken alles aan verdriet naar zich toe: er is maar één holocaust’, zegt hij. ‘Elke keer als er een vergelijking wordt gemaakt, zien we dat als een ontkenning van de zes miljoen doden. We koesteren ons slachtofferschap, dat is veilig, we zijn ermee opgegroeid, maar het is niet onze krachtigste kant.’ Fel: ‘De holocaust en hoe het zover kon komen, zouden juist een levensles moeten zijn. Waarom gaan er elk jaar miljoenen mensen naar het Anne Frank Huis? Omdat het een levensles is.’

Eind vorig jaar richtte hij met coach en spreker Chantal-Suissa Runne en Fatima Akalai, projectleider talentontwikkeling op een Amsterdams mbo, de landelijke stichting Yalla! op waarin joden en moslims samen optrekken tegen de haat en generalisaties die ze allebei ondervinden. Met een harde kern van een stuk of tien mensen en iedereen die zich verder wil aansluiten, hopen ze dat moslims en joden elkaar beter leren kennen en willen ze actief optreden tegen bedreigingen. Onlangs stuurden ze een brandbrief naar alle Tweede-Kamerfracties om hun zorgen te uiten over de veiligheid van moslims in Nederland.

De aanleiding is een aantal recente incidenten: de brandstichting in een moskee in aanbouw in Gouda en een serie dreigbrieven die bij moskeeën in heel Nederland werden bezorgd. Het ergste exemplaar kwam terecht bij een moskee in Almere: ‘Turken en Marokkanen moeten het land uit anders worden jullie vergast net zoals de joden in Auschwitz. Sieg heil. Adolf Hitler leeft nog.’ Wat de voortrekkers van Yalla! verbaasde, was het gebrek aan maatschappelijke verontwaardiging hierover. ‘Als moslims iets naars doen, krijgt het alle aandacht, maar als hun iets naars overkomt, is het stil’, zegt Suissa-Runne.

We zijn volgens haar massaal verdoofd geworden, afgestompt. Een politicus als Geert Wilders zegt zoveel over moslims en de sociale media kennen al helemaal geen ondergrens, waardoor dit soort bedreigingen ons blijkbaar niet meer raakt. ‘Dat is eng’, zegt ze. Wat versluierend werkt, is dat extreem-rechts zijn bedreigingen vaak verpakt als religiekritiek. Er wordt gesproken over ‘de islam’ en niet over ‘moslims’. ‘Religiekritiek valt binnen de grondwet en moet kunnen’, zegt Suissa-Runne, ‘maar oproepen om mensen te vergassen, is geen religiekritiek meer.’

‘Het is heel zorgelijk’, zegt Van de Kamp. ‘Er hoeft maar één gek te zijn en het is te laat.’ Zeker, ook de joodse gemeenschap in Nederland krijgt dreigementen, maar hij wijst erop dat die serieus worden genomen. ‘Als joden een afspraak willen hebben met Rutte zitten ze morgen met hem aan tafel’, zegt hij. Joodse scholen en synagogen worden bewaakt door bewapende marechaussee en sinds kort is er een Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Bovendien worden joden actief verdedigd door het cidi, de belangenorganisatie voor Israël, en heeft ook het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) naar zijn zeggen ‘een grote mond’. Van de Kamp vraagt zich af: wie neemt het op voor de moslims?

Zijn tegenstanders zullen zeggen: dat doe jij toch? In joodse kringen staat hij bekend als ‘de rabbijn van de moslims’. In hotel Adagio in Amstelveen, waar we elkaar spreken, lacht Van de Kamp kalmpjes. ‘Dat is zeker niet als compliment bedoeld’, zegt hij. Maar de essentie ervan is waar: hij bekommert zich om moslims. Hij is lid van de Muslim-Jewish Leadership Council, een internationaal gezelschap dat de onderlinge contacten wil bevorderen. Hij zit in Amsterdam Inclusief, een groep burgers die het Amsterdamse college van B en W adviseert, ook op het gebied van joods-islamitische verhoudingen.

Het meest actief is hij met Saïd & Lody, het duo dat hij sinds 2010 vormt met Saïd Bensellam, een Marokkaans-Nederlandse ex-kickbokser en ex-portier die zich al meer dan vijftien jaar inzet voor Amsterdamse jongeren. Samen doen ze projecten op scholen, praten ze met arrestatieteams van de politie, officieren van justitie in opleiding en iedereen die hun hulp inroept. Ook op persoonlijk vlak hebben ze een goede band. Van de Kamps kleinzoon Michael (17) zegt: ‘Saïd is mijn opa’s beste vriend.’ Van de Kamp beaamt dat: ‘Saïd is een broeder. Hij betekent heel veel voor mij.’ Alleen dat al heeft effect, weet John van der Werf van de Amsterdamse politie die Saïd & Lody vaak in actie heeft gezien. ‘Als die twee ergens binnenkomen, is er vaak verbazing: hé, zo kan het ook.’

In eigen joodse kring oogst Van de Kamp zeker wel waardering, maar ook kritiek. In het boek Over muren heen uit 2019, een briefwisseling met moslima Oumaima Al Abdellaoui, vertelt hij hoe hem ‘joodse zelfhaat’ wordt verweten. Nogal wat joden zien het als verraad dat hij vriendschappelijk omgaat met ‘de vijand’ – een voorstelling van zaken die rechtstreeks is overgewaaid uit Israël. Een exponent van deze kritiek is journalist Paul Damen, die Van de Kamp onlangs in het NIW met de grond gelijk maakte. Samengevat: Yalla! is Van de Kamps zoveelste ‘moslimknuffelclub’ en dat terwijl er sprake is van ‘ingebakken antisemitisme van allochtonen’, islamofobie een ‘nepterm’ is en joden en Arabieren volgens hem niets met elkaar gemeen hebben.

Nee, Van de Kamp gaat geen tegenstuk schrijven. ‘Al dit soort kritiek leg ik naast me neer. Kritiek is prima, maar doe het dan met argumenten en fatsoen.’ Het NIW pretendeert de joodse stem van Nederland te zijn, maar hij vindt dat een stuk als dit evenveel met jodendom te maken heeft ‘als de vpro met bijbel’. Over jodendom heeft hij heel andere opvattingen. Want naast de holocaust vormt zijn joods-orthodoxe geloof zijn drijfveer. Wat betekent het dat joden volgens de Thora het uitverkoren volk zijn? Hij houdt zijn ene hand een stuk boven de andere. ‘Dit? Nee’, zegt hij, terwijl hij zijn handen naast elkaar legt. ‘Wij zijn niet beter dan anderen. Het betekent dat we de verplichting hebben met een boodschap de wereld in te gaan.’

Wie is Lody van de Kamp? Het oppervlakkige beeld van hem zou kunnen zijn dat hij een softe theedrinker is die alleen maar zit te praten over ‘verbinding’. Uit gesprekken met mensen die hem goed kennen, komt iets anders naar voren. ‘Hij kan ongelooflijk scherp en polemisch zijn. Sommigen zien hem als een dwarsligger, maar over dwarsliggers worden sporen gebouwd’, zegt procureur-generaal Rinus Otte die Van de Kamp soms om advies vraagt. Min of meer hetzelfde zegt Chantal Suissa-Runne: ‘Hij is empathisch, gevat en rebels. Best leuk voor een orthodoxe rabbijn.’

‘Lody wil niet in het vijanddenken meegaan, hij stelt vragen. Iedereen heeft zijn eigen verhaal en hij wil dat begrijpen. Het is bijzonder hoezeer hij in de andere mens geïnteresseerd is’

Saïd Bensellam schetst hem als een vastberaden, nuchtere man. ‘Hij heeft zich opengesteld voor een wereld die joodse mensen als vijandig zien. Lody heeft de stap toch maar gezet en nu is hij continu bezig met anderen, met bemiddelen. Als hij voor iemand gaat, levert hij geen half werk.’ Kleinzoon Michael woont nog thuis, zijn vader is Van de Kamps oudste zoon. Hij vertelt dat zijn opa minstens één keer in de week op bezoek komt en dan altijd iets nieuws te vertellen heeft. ‘Hij blijft maar doorgaan, hij kan niet stilzitten.’

Nog iets wat anders is dan het lijkt: Van de Kamp gaat zeker niet alleen om met moslims, meer dan zijn halve leven is hij intensief bezig zich te verhouden tot mensen buiten zijn eigen kring. Begin jaren negentig raakte hij in Berlijn zelfs in gesprek met een voormalige SS’er. ‘Dat was voor mij wel een confrontatie’, zegt hij nog steeds een tikje ontdaan. Hij zat op een terras toen een oudere Duitse heer naast hem kwam zitten en hem wat te drinken aanbood. ‘Dit zou mijn zoon moeten zien’, zei de man.

Die zoon bleek geregeld met Duitse studenten Auschwitz te bezoeken. Van de Kamp droeg zoals altijd zijn keppeltje, dus de man wist dat zijn gesprekspartner joods was. ‘Wat heeft u vroeger gedaan?’ vroeg Van de Kamp. ‘Dat kan ik beter niet vertellen’, antwoordde de Duitser. Na aandringen vertelde hij het toch: hij was Wehrmachtsoldaat geweest en was daarna toegetreden tot de SS, het keurkorps van de nazi’s. Na de oorlog had hij vier jaar gezeten, wat betekent dat hij niet iets kleins op zijn geweten had. Van de Kamp wist niet wat hij moest zeggen en bracht uit: ‘Dit zou mijn vader moeten zien.’

Haatte hij de man? ‘Nee, ik zat op dat moment naast een mens’, zegt Van de Kamp.

Dat hij dit kon denken, was de uitkomst van een lang proces. Lange tijd wilde hij niet eens naar Duitsland toe, laat staan daar een praatje aanknopen met een man die evengoed zijn halfbroertjes kon hebben gedood of de beul van zijn vader kon zijn geweest. Aan zijn jeugd lag het niet. Hij was gelukkig in het naoorlogse Enschede waar hij in 1948 werd geboren. Hij en zijn zus kregen zelfgemaakt speelgoed en vierden hun verjaardagen, ze gingen met het hele gezin kamperen en leerden planten onderscheiden in het bos. Achteraf heeft hij weleens gedacht: hoe hebben onze ouders dit op kunnen brengen?

Het was geen geheim wat zijn ouders hadden meegemaakt. Zijn moeder las alles wat los en vast zat over de oorlog, en daar zaten fotoboeken van alle kampen tussen die Van de Kamp en zijn zus als kinderen doorbladerden. Zijn moeder zei altijd: ‘Nee hoor, ik heb het niet erg gehad, papa heeft het erg gehad, die zat in een kamp.’ Maar er waren wel degelijk ‘heel verdrietige momenten’, zegt Van de Kamp. Dan huilde zijn moeder stilletjes. Zijn vader praatte ook wel over Auschwitz en kwam altijd terug op één voorval: hoe een SS’er zijn broer had afgeranseld. Over de ergere zaken vertelde hij niet.

Saïd Bensellam (links) en Lody van de Kamp in Amsterdam-West, 2018 © Marc Driessen

In gezinnen met oorlogstrauma’s zijn vaak twee mogelijkheden: er wordt niet over gesproken óf er wordt over niets anders gesproken. Het gezin Van de Kamp bewandelde de middenweg en bleef ook oog houden voor andere mensen. Van de Kamp zat in de klas met twee kinderen uit een communistisch gezin en móest van zijn vader met hen spelen. Hij was de enige die dit deed, zijn klasgenoten negeerden hen. Communisten waren in de Koude-Oorlogsjaren de vijand, maar zijn vader wilde niets van dit zwart-witdenken weten. De Russen hadden hem uit Auschwitz bevrijd en dat waren ook communisten. ‘Speel je wel met Berend en Willy?’ vroeg hij geregeld.

Maar één ding was onbespreekbaar. Toen Van de Kamp in 1965 vertrok naar de Talmoed Hogeschool in het Zwitserse Montreux moest hij met de trein een route nemen om Duitsland heen. Ondenkbaar dat zijn vader hem dwars door Duitsland liet gaan. Zelf wilde hij ook niets te maken hebben met Duitsers, maar gaandeweg veranderde dat. Tussen 1972 en 1978 studeerde hij aan de Talmoed-opleiding in Londen. In 1981 keerde hij terug naar Nederland, waar hij rabbijn werd van joods-orthodoxe gemeenten in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam. Door de jaren heen ontmoette hij Duitsers en merkte dat het niet allemaal nazi’s waren geweest. Dé Duitser bestaat niet.

Vier, vijf jaar geleden vertelde hij dit verhaal aan Manuela Kalsky, hoogleraar voor religie en samenleving aan de Vrije Universiteit en oprichter van online platform NieuwWij. Ze leerden elkaar beter kennen op initiatief van Van de Kamp, die voor NieuwWij schrijft. Vanaf hun eerste ontmoeting hadden ze gespreksstof genoeg, herinnert Kalsky zich, en wat het extra bijzonder maakte: zij is van oorsprong Duits. ‘Ik ben na de Tweede Wereldoorlog geboren en heb er geen schuld aan, maar ik heb het altijd als een opdracht ervaren om ervoor te zorgen dat zoiets nooit weer gebeurt.’

Welke vraag stelde Van de Kamp al gauw aan haar? ‘Hoe was het voor jou om als Duitse in Nederland te gaan wonen?’ Dat trof haar. ‘Toen ik hier in de jaren tachtig kwam, hoorde ik bij de moffen, dat heb ik heel duidelijk gemerkt’, zegt ze. ‘Lody wil niet in het vijanddenken meegaan, hij stelt vragen. Iedereen heeft zijn eigen verhaal en hij wil dat begrijpen. Het is bijzonder hoezeer hij in de andere mens geïnteresseerd is.’

Ook met christenen onderhoudt hij inten-sieve contacten, al verliepen die niet altijd even soepel. Hij was in 1981 nog maar amper als rabbijn in Den Haag begonnen, of hij kreeg een verzoek van de Haagse Gemeenschap van Kerken om een praatje te houden. Hij moest vertellen wat joden van de kerken verwachtten. Hij accepteerde de uitnodiging, al kende hij die hele kerkelijke wereld nog nauwelijks. Hij vroeg de bevriende journalist Dick Houwaart om advies. Die zei dat hij één simpele boodschap moest verkondigen: laat ons met rust. Van de Kamp zou later doorkrijgen dat dit inderdaad het beste was.

Dit is in zijn optiek het punt met christenen. Aan de ultra-orthodoxe kant staan de Gereformeerde Gemeenten, de achterban van de sgp. Hier wordt gedacht dat joden gedoemd zijn tot de hel omdat ze Jezus niet als messias erkennen. Alle narigheid die joden overkomt, roepen ze daarom over zichzelf af, meende dominee Kersten, een van de oprichters van de sgp. Volgens Van de Kamp hangt in de fractiekamer van de sgp nog steeds een foto van deze man.

Aan de liberale kant staan protestanten die het jodendom vereren als de bron waaruit zij voortkomen. De laatste jaren heeft dit onder meer in cda-kringen geleid tot de gedachte dat Nederland een ‘joods-christelijke samenleving’ is, maar volgens Van de Kamp bestaat die niet. Tot eind negentiende eeuw mochten joden in Nederland een heleboel niet. Toen kwam de holocaust en keerde slechts een fractie van de ruim honderdduizend Nederlandse joden terug – een van hen was zijn vader, hij droeg vodden aan zijn lijf. Om zich te redden, leende hij tien gulden van de gemeente Enschede, waarna hij twee maanden later een brief kreeg met de vraag wanneer hij het geld terugbetaalde.

‘Er is altijd veel onwetendheid over en weer.’ Dat merkte Van de Kamp ook bij de jongen die een Hitlergroet bracht. Samen gingen ze naar het Anne Frank Huis

Dus hoezo joods-christelijke samenleving? ‘Eerst sloegen jullie ons dood, nu knuffelen jullie ons dood’, zei Van de Kamp eens tegen zo’n christen. Van 1998 tot 2014 was hij deelraadslid voor het cda in Amsterdam, maar in 2017 zegde hij zijn lidmaatschap op. De druppel was de HJ Schoo-lezing van toenmalig partijleider Sybrand Buma, waarin opnieuw sprake was van de joods-christelijke samenleving. Ook sprak Buma over ‘gewone Nederlanders’, tot ergernis van Van de Kamp die in dit hele begrippenapparaat niets anders zag (en ziet) dan een stok om moslims mee te slaan. De boodschap: jullie horen er niet bij.

Toch is hij altijd met christenen in gesprek gebleven. Hij organiseerde voor hen studieclubjes over het jodendom en reizen naar Oost-Europa of Israël. In 1996 stopte hij als rabbijn bij een vaste gemeente en richtte hij Jehoeda Services op, waarmee hij die reizen sindsdien uitvoert. Hij heeft columns in twee christelijke kranten, het Friesch Dagblad en het Nederlands Dagblad – overigens schrijft hij zes columns per maand en heeft hij tien boeken gepubliceerd. Door Sara, het meisje dat op transport ging uit 2017 kwam hij op het idee voor een documentaire over Truus Wijsmuller die zo’n tienduizend joodse kinderen wist te redden. Hij tipte documentairemaker Pamela Sturhoofd, en De kinderen van Truus staat nu op Netflix.

In 2010 kreeg hij een telefoontje van Saïd Bensellam dat enorme invloed op zijn leven zou hebben. Hij was op dat moment een van de directeuren van de joods-orthodoxe Cheider-school in Amsterdam. Soms kregen scholieren met keppeltjes op in de tram of op straat rotopmerkingen naar hun hoofd geslingerd – ‘net zoals vrouwen met hoofddoeken’, zegt Van de Kamp er nu bij. Om te onderzoeken hoe het gesteld was met antisemitisme liep hij samen met twee leerlingen, allemaal herkenbaar als joden, door Amsterdamse wijken waar veel Marokkaanse en Turkse Nederlanders wonen. Ze droegen verborgen camera’s van de Joodse Omroep bij zich.

Na tien uur probleemloos rondwandelen gebeurde er iets in de Kolenkitbuurt: een Marokkaans-Nederlandse jongen bracht de Hitlergroet. De Joodse Omroep zond het voorval uit, zonder te vermelden dat er tien voorvalloze uren aan voorafgingen. Groot was de commotie. Er werden Kamervragen gesteld, de gemeente Amsterdam overwoog ‘lokjoden’ in te zetten om het antisemitisme in kaart te brengen. En toen kwam het telefoontje. Een lichtelijk geïrriteerde Bensellam aan de lijn: ‘U heeft de verkeerde knul getroffen op het verkeerde moment, maar iedereen spreekt nu over de Kolenkitbuurt alsof daar niemand deugt. Meneer Van de Kamp, hoe kunnen we dit samen oplossen?’

Vooral dat woord ‘samen’ kwam binnen.

De volgende dag zat Van de Kamp in een pand in de Kolenkitbuurt, van waaruit Bensellam jongeren aanstuurde die als straatwachten optraden en daarmee veel problemen voorkwamen. ‘Ik had nooit nagedacht over Turken, Marokkanen, moslims’, zegt Van de Kamp. Eerlijk is eerlijk, toen hij het kantoor betrad, moest hij iets overwinnen. Hij ontdekte wat hij later nog talloze keren voor allerlei groepen zou herhalen: ‘De vijand is niet de ander. De vijand is de beeldvorming over de ander. Vijandigheid ontstaat doordat we elkaar niet kennen.’ De jongeren bleken enorm gemotiveerd om voor Bensellam aan de slag te gaan.

Bensellam had ervaring opgedaan met een eerder incident. Vóór de Hitlergroet hadden in dezelfde Kolenkitbuurt een paar twaalfjarigen iets vervelends geroepen naar een homo. Om de hoek waar dit was gebeurd, stonden altijd wat oudere jongens te chillen en te roken, ze hadden niets met het gebeurde te maken, maar kregen een bekeuring. Vervolgens gaf de gemeente handenvol geld uit aan straatcoaches en extra politie om déze jongens in de gaten te houden. ‘Maar het probleem met de homoman was nog steeds niet opgelost’, constateerde Bensellam. Hij heeft vaak gezien dat het zo gaat. ‘Er wordt van iets kleins een heel issue gemaakt, er komen projecten, er wordt geld in gepompt en uiteindelijk zijn we geen stap verder. Het heeft me altijd gestoord.’

Bensellam dacht: ik ga aanbellen bij die homoman en probeer vriendschap te sluiten. Het lukte, de twaalfjarige raddraaiers mochten langskomen en ze praatten het conflict uit. ‘Er is altijd veel onwetendheid over en weer’, zegt hij. Dat merkte ook Van de Kamp bij de jongen van de Hitlergroet. Samen gingen ze naar het Anne Frank Huis en de jongen begon zich te schamen. ‘Dit is ons werk’, zegt Bensellam over de activiteiten die ze sindsdien ondernemen als Saïd & Lody. ‘We laten zien: het is niet zo gek om bij de buren aan te bellen die je niet kent, práát met iemand die anders is.’

John van der Werf, die in 2010 als politieagent bij wijkteam Bos en Lommer al jaren intensief samenwerkte met Bensellam, zag hoe die twee een duo werden en hoe dat Van de Kamp veranderde. Van de Kamp bood aan om mee te gaan met de jongeren die de straten beveiligden. ‘Hij deed een pet over zijn keppeltje en vroeg in eerste instantie: wat gaat er niet goed hier? Daarna heeft hij de slag gemaakt naar: wat drijft deze jongens?’ Zo leerde hij hun leefwereld kennen.

Het had ook effect op Van der Werf. ‘Wij komen bij de politie toch vaak in aanraking met Marokkaanse jongens als ze gearresteerd worden. Dan krijg je helaas een verwrongen beeld van ze.’ In de jaren erna lieten Saïd & Lody jongeren met een Marokkaanse en joodse achtergrond samen de verwaarloosde Joodse Begraafplaats in Amsterdam-Oost opknappen. Van der Werf vond het geweldig en merkte steeds vaker dat Van de Kamp volledig op zijn gemak tussen de jongens rondliep. Omgekeerd accepteerden ze hem volledig. ‘Ze spraken altijd met respect over hem. Ik had nooit gedacht dat het zo zou gaan.’

De werkzaamheden van Saïd & Lody breidden zich uit. Ze hielpen bijvoorbeeld achtergebleven families van Syrië-gangers die zich staande proberen te houden. ‘Die werden gezien als medeplichtig, broertjes en zusjes durfden niet meer naar school’, vertelt Van de Kamp. Ze begeleidden jongeren met hoge schulden zodat ze niet afgleden in de criminaliteit. Jongeren die in Hoofddorp tijdens de dodenherdenking in 2015 dwars door de twee minuten stilte schreeuwden, lieten ze in het gemeentehuis van Haarlemmermeer publiekelijk hun excuses aanbieden.

Rinus Otte, die in 2016 toetrad tot het college van procureurs-generaal en de discriminatieportefeuille onder zijn hoede kreeg, stelt de adviezen van Van de Kamp intussen zeer op prijs. Hij heeft gemerkt dat Van de Kamp ‘met veel onbevangenheid naar de materie kijkt’. Wel of geen strafvervolging, wel of niet voldoende bewijs, dat zijn bij het Openbaar Ministerie de kwesties. Van de Kamp vraagt hem dan: ‘Is er nog een andere weg? Is er nog gedragsbeïnvloeding mogelijk? Dat heeft misschien meer effect.’ Het was een nieuw gezichtspunt voor hem.

Otte merkt dat Van de Kamp ook onorthodoxe denkbeelden heeft over goed en kwaad die hem tot nadenken stemmen. In een column op NieuwWij betoogde Van de Kamp vorig jaar dat sommige slachtoffers die worden genoemd op het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam misschien wel bij de Joodse Raad hebben gewerkt. In dat geval kunnen ze namen van joden hebben doorgegeven voor deportatie naar de nazikampen. Vervolgens moesten ze zelf op transport en kwamen ze om. Wat waren ze dan? Slachtoffer of dader? Wat Van de Kamp betreft was dat hele monument er niet gekomen.

Nog een gevoelig punt dat hij veelvuldig aanroert: antisemitisme. Jazeker, hij hoort op straat weleens ‘rotjood’ naar hem roepen. Als het kan, spreekt hij zo iemand aan, zoals laatst een jongen die folders bezorgde. ‘Waarom doe je dat nou?’ vroeg hij. Sindsdien is het: ‘Goedemorgen, meneer.’ Moet hij nu constateren dat het anti-semitisme in Nederland ernstige vormen heeft aangenomen? Hij gelooft van niet. Onder Turks- of Marokkaans-Nederlandse jongeren bestaan stereotiepe beelden over joden, hij ontkent het niet. ‘Maar op het moment dat ik met ze praat, ben ik een van hen.’

En dit wil hij eraan toevoegen: joden hebben die beelden evengoed over moslims. ‘Dat horen ze niet graag, maar het is wel zo.’ Amsterdam-Nieuw-West wordt bijvoorbeeld aangeduid als ‘het Mekka aan de Amstel’. Op het Cheider hoorde hij eens: ‘Moslims zijn mensen die joden haten.’ Soms gebeurt het ook dat internationaal terrorisme in verband wordt gebracht met Achmed uit Amsterdam-West die er niets mee te maken heeft. ‘Dan gaan we de fout in.’

Farida El Allati, directeur huisvesting en inkoopmanagement aan het roc van Amsterdam, vindt het jammer dat het lijkt of moslims en joden altijd tegenover elkaar staan. Ze heeft heel andere ervaringen en merkt dat ze meer delen dan verschillend zijn. Ze trof Van de Kamp twee jaar geleden bij een iftar van de politie Amsterdam en vroeg hem later of hij haar coach wilde zijn. Ze praatte met hem over hoe ze zich moest opstellen in de toch wel politieke organisatie die haar school is. ‘Het was alsof ik hem al jaren kende’, zegt ze.

Het is heel simpel, Saïd Bensellam zei het al jaren geleden: praat met elkaar. ‘Het helpt anderen en het helpt jezelf.’