MIGRATIETECHNOLOGIE

De raderen van de migratiemachine

Voor migranten is ‘Fort Europa’ steeds moeilijker bereikbaar, omdat de buitengrenzen langzaam veranderen in technologische grenzen. De inzet van geavanceerde technologische systemen speelt zo’n cruciale rol in de selectie van migranten dat het geheel lijkt op een machine.

In De migratiemachine van het Rathenau Instituut, een bundel onder redactie van Huub Dijstelbloem en Albert Meijer, worden kanttekeningen geplaatst bij de effectiviteit, betrouwbaarheid en de proportionaliteit van de inzet van technologie bij migratie. Wat zijn de juridische grenzen van het ‘leesbare lichaam’ – het lichaam als leugendetector?
Dit boek beoogt nadrukkelijk het debat hierover te prikkelen. Want de surveillance society tast uiteindelijk niet alleen de soevereiniteit van migranten aan maar ook die van de Europese burgers zélf. Migratietechnologie raakt direct aan het recht op privacy, het non-discriminatiebeginsel en het verbod op geautomatiseerde besluitvorming. De migratiemachine wordt deze week aangeboden aan staatssecretaris van Justitie Albayrak, omdat ook zij samen met haar Europese collega’s verantwoordelijk is voor het juridisch en democratisch verantwoord bewaken van de Europese grenzen.

WIE DE TOCHT NAAR de Europese Unie maakt, komt onderweg niet alleen douaniers en slagbomen tegen, maar ook steeds meer technologie. Reizigers op Schiphol kunnen sinds enige tijd kiezen voor een bodyscan, een apparaat waarmee het mogelijk is dwars door de kleding van de reiziger heen te kijken. Migranten die (illegaal) via de Middellandse Zee de oversteek naar Europa wagen, worden opgewacht door boten, helikopters en vliegtuigen. In de havens en bij de grensovergangen van verschillende landen in het Schengengebied worden de zeecontainers en de laadruimtes van vrachtwagens met hittezoekers en kooldioxidedetectoren op de aanwezigheid van personen onderzocht. Achter de schermen stellen verschillende overheidsdiensten risicoprofielen op van allerlei mogelijke vreemdelingen. Voor de ‘bonafide’ reizigers moeten met veel hightech (zoals irisscans) omklede initiatieven als het Registered Traveller Programme de toegenomen roep om veiligheid zien te combineren met de bewegingsvrijheid van burgers. De wereld globaliseert, maar het vrije verkeer wordt er niet eenvoudiger op. De kwestie welke middelen toelaatbaar worden geacht en welke in de ogen van de Europese burgers te ver gaan, lijkt slechts incidenteel onderwerp te zijn van debat.
Frankrijk gaf in 2007 een treffende illustratie te zien van het soort discussie dat kan ontstaan over nieuwe technologie die wordt ingezet voor de grensbewaking en het migratiebeleid. ‘Touche pas à mon ADN’ (‘Blijf van mijn DNA af’) luidde de leuze die de actievoerders gebruikten in hun verzet tegen de verscherping van het nationale migratiebeleid door president Sarkozy. Het voorstel van de Franse president behelsde onder meer de invoering van DNA-tests voor minderjarige asielzoekers die voor gezinshereniging in aanmerking willen komen. De leuze van de tegenstanders verwijst naar de bekende slogan ‘Ne touche pas à mon pote’ (‘Blijf van m’n makker af’) van de antiracismeorganisatie SOS Racisme die eerder een groot succes bleek. Ondanks deze overeenkomst slaagden de protesten er niet in de Franse parlementariërs die over de nieuwe wetten moesten beslissen op andere gedachten te brengen: in oktober 2007 stemden zij met de nieuwe immigratiewetgeving in.

Het gebruik van de DNA-test is een illustratie van de wijze waarop technologisering en informatisering hun beslag krijgen in het migratiebeleid. De migratieproblematiek is een vraagstuk van ongekende proporties. Het beheersen van de stromen migranten en asielzoekers naar Nederland en Europa is een probleem dat overheden voor uiterst gecompliceerde en vaak controversiële keuzes stelt. Migranten die volgens de hier geldende regels geen recht hebben op vestiging worden ook steeds inventiever in het omzeilen van de procedures. Daarbij worden grote risico’s niet geschuwd: de Spaanse immigratiedienst schat dat er al zesduizend Afrikaanse migranten vermist zijn geraakt of het leven hebben gelaten bij een poging de Canarische Eilanden te bereiken. Overheden zoeken daarom soms buitengewone oplossingen om de politieke besluiten te vertalen in beleid dat beperkingen stelt aan het grensverkeer.
Naast de DNA-test zijn voorbeelden daarvan het leeftijdsonderzoek door middel van botanalyse voor minderjarige asielzoekers, spraakherkenningstechnologie voor het inburgeringsexamen in het land van herkomst, het gebruik van biometrie en Europese databanken om de gegevens van illegale migranten in op te slaan. Daar is veel geld mee gemoeid: de Europese Commissie heeft bijna vier miljard euro gereserveerd voor migratiezaken in haar financiële programma voor de periode 2007-2013. Het migratiebeleid bestaat zeker niet alleen uit wetten en beleidsmaatregelen, maar in toenemende mate ook uit (informatie)technologie.
Vergeleken met de ophef die in Frankrijk is ontstaan, is er in Nederland weinig discussie geweest omtrent de invoering van DNA-onderzoek in het vreemdelingenbeleid. De procedure heeft dan ook veel pluspunten: DNA-onderzoek geeft voor vrijwel honderd procent zekerheid over het bestaan van een familierelatie. Bovendien wordt verwacht dat DNA-onderzoek een preventieve werking heeft; als je immers zeker weet dat een kind niet van jou is, laat je de test niet doen. Vaak wordt DNA-onderzoek door de migranten verwelkomd, omdat langdurige procedures voor gezinshereniging hierdoor worden voorkomen.
Toch zijn er ook kanttekeningen bij te plaatsen. In het DNA-onderzoek schuilt bijvoorbeeld het gevaar dat familierelaties worden versmald tot DNA-relaties. Gezins- en familierelaties kunnen veel breder zijn dan alleen biologische verwantschap. Daarnaast kan DNA-onderzoek ook andere feiten aan het licht brengen dan waarvoor de methode bedoeld is. Vrouwen kunnen in een kwetsbare positie komen omdat ze zwanger zijn geweest van een buitenechtelijk kind of niet zeker weten of het kind wel van hun man is. Bij DNA-onderzoek bestaat bovendien het sluipende gevaar dat de methode wordt ingezet voor andere doeleinden dan het aantonen van een familierelatie. Daarvan is sprake als DNA-onderzoek onverhoopt wordt ingezet bij vluchtelingen ter identificatie, terwijl dat niet het doel is van de test. Tot slot is er de kans op rechtsongelijkheid in vergelijking met andere groepen migranten. Aan reguliere migranten wordt minder snel een DNA-test aangeboden omdat zij minder snel in (zoals dat in beleidstermen heet) ‘bewijsnood’ verkeren. Migranten moeten bewijzen dat ze in bewijsnood verkeren, een vluchteling hoeft dit alleen aannemelijk te maken. Dat schenkt dus aan verschillende soorten migranten verschillende soorten bewijsvoering en bewijsmateriaal om hun aanvraag te ondersteunen. Deze bezwaren geven aan dat de inzet van (informatie)technologie, zelfs al is die betrouwbaar, veel vragen kan oproepen.

De hoofdrol in het beladen politieke en publieke debat over migratie is over het algemeen weggelegd voor de vraag welke grenzen er gesteld moeten worden aan de toestroom van migranten en asielzoekers naar Nederland en de EU. Dat is een vraagstuk van een ongekende omvang: gecompliceerd, grensoverschrijdend, bijna per definitie tragisch. Overheden kunnen het in de ogen van het publiek bijna nooit goed doen: of ze doen te veel, of ze doen te weinig. Hoe die doelstellingen vervolgens bereikt moeten worden, lijkt in de publieke aandacht van minder belang te zijn.
In het migratiebeleid spelen echter ook andere zaken dan de politieke hoofddoelen, namelijk: de middelen waarmee dat beleid ten uitvoer wordt gebracht. Deze bestaan uit de instrumenten die nationale staten en de EU in de strijd werpen om de toestroom van migranten te beteugelen en de technieken die worden gehanteerd om hen bijvoorbeeld te registreren en hun identiteit, leeftijd of familierelatie te achterhalen. Deze middelen worden in toenemende mate technologische middelen. Ze onttrekken zich vaak aan het publieke oog en aan de politieke belangstelling. Ze verdienen echter evenzeer nauwgezet aandacht.
Het gebruik van informatietechnologie door de overheid is op zichzelf geen novum. Ook achter de inzet van technologie in het migratiebeleid gaat een op zichzelf vrij logische reden schuil: technologisering en informatisering kunnen eraan bijdragen dat grenzen beter worden bewaakt, dat aanvragen sneller worden behandeld en dat procedures efficiënter verlopen. Tot zo ver is er niets vreemds aan de hand. Soms echter genereert technologie ook ongewenste neveneffecten. Onbetrouwbare en onvoldoende controleerbare en corrigeerbare informatiebestanden kunnen leiden tot onterechte afwijzingen van migranten. Biometrie kan inbreuk doen op de integriteit van het lichaam of leiden tot instrumenteel gebruik ervan. Een buitenproportionele inzet van technologie legt een onevenredige nadruk op controle.
De instrumenten die door de overheid worden ingezet om het migratiebeleid mee uit te voeren kunnen met een voor deze context nieuwe term worden benoemd als ‘migratietechnologie’. Twee aspecten geven het gebruik van migratietechnologie een bijzonder karakter. In de eerste plaats heeft de informatietechnologie hier geen betrekking op burgers die onderdaan zijn van de staat, maar op personen die uit andere landen afkomstig zijn en zich juist toegang tot het grondgebied willen verwerven, zoals de migranten die een verzoek indienen voor een legale verblijfstatus met alle rechten en plichten die daarbij horen. Migratietechnologie wordt dus in tegenstelling tot vele andere vormen van informatisering en technologisering die de staat hanteert, gebruikt voor personen die Nederlandse burgers willen worden. Dat maakt dat de technologie wordt gehanteerd in een beslissingsprocedure waarvan de uitkomst zwaarwegend is: iemand kan de toegang tot een land of de mogelijkheid tot vestiging worden ontzegd.
In de tweede plaats gaat het hier niet alleen om ICT, maar om een rijk scala aan technologieën. Migratietechnologie bestaat niet alleen uit de zoemende computers die ieder overheidsgebouw tegenwoordig sieren, maar ook uit technologie die gebruikmaakt van lichaamsmateriaal, zoals voor de DNA-test (speeksel, haren), het leeftijdsonderzoek (röntgenfoto’s) en biometrische gegevensopslag (vingerafdrukken en irisscans). Anders dan in andere overheidssectoren is de inzet van technologie in het migratiebeleid uiterst veelzijdig en gericht op tal van soorten informatie die buiten het klassieke arsenaal van het bureaucratische apparaat vallen.

De inzet van migratietechnologie is moeilijk los te zien van de bredere politieke discussie over het migratiebeleid en de verstrengeling ervan met het integratiedebat en het veiligheidsdebat. In alle nationale staten in Europa is het migratiebeleid het afgelopen decennium een van de meest explosieve dossiers op de politieke agenda geweest.
Hoewel Nederland historisch gesproken al lange tijd een ‘migratieland’ is, is het migratiebeleid pas sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een echt beladen politiek onderwerp geworden. Rond 1980 groeit het aantal asielaanvragen zodanig dat ook de beleidsintensiteit toeneemt. De globalisering ontmoet een tegenbeweging: tegenover de openstelling van nationale grenzen vanuit economische motieven staan toegenomen beperkingen aan het vrije verkeer van mensen, vooral om de toestroom van migranten uit minder welvarende gebieden naar westerse landen aan banden te leggen. Deze spanning tussen economische globalisering enerzijds en een strenger nationaal migratiebeleid anderzijds heeft van het migratiebeleid een controversieel onderwerp gemaakt. Vanaf dat moment is de Nederlandse overheid (in Europees verband) een steeds restrictiever toelatingsbeleid gaan voeren.
Het migratiebeleid is niet alleen restrictiever en selectiever geworden, het is ook steeds meer verstrengeld geraakt met vraagstukken uit het integratiebeleid en – sinds de aanslagen van 9/11, de war on terror en de toegenomen ongerustheid over de positie van moslims in Europa – met het veiligheidsbeleid. Dat leidt ertoe dat drie discussies steeds meer in een sterke onderlinge samenhang worden gevoerd. De eerste gaat over het migratiebeleid en heeft vooral betrekking op de toestroom van migranten en het scheiden van ‘gewenste’ en ‘ongewenste’ vreemdelingen. De tweede discussie gaat over het integratiebeleid en wordt in de media en de politiek beheerst door vragen over en problemen met sociale cohesie en inburgering van nieuwkomers (variërend van de plicht tot culturele assimilatie tot het recht op economische participatie). De derde discussie gaat over het veiligheidsbeleid, in het bijzonder over de grensbewaking van de nationale staten in Europa en van de buitengrenzen van het Schengengebied en het screenen en weren van personen die ervan verdacht worden een bedreiging voor de samenleving te vormen.
Hoewel er onmiskenbaar een samenhang tussen deze discussies bestaat, hebben ze strikt genomen betrekking op verschillende onderwerpen. Desalniettemin laat ook het Nederlandse beleid een verstrengeling zien tussen immigratie, integratie en veiligheid. Migranten verplichten dat ze al voor hun vertrek naar Nederland in het land van herkomst een inburgeringsexamen afleggen, is onderdeel van het integratiebeleid. Maar het valt nauwelijks te ontkennen dat de kosten en de moeite die de potentiële migrant zich moet getroosten voor het behalen van het examen ook een (afremmend) effect hebben op het migratiebeleid.
Ook het veiligheidsbeleid dringt het immigratiebeleid binnen. Het uitvoeren van risicoanalyses, gebaseerd op de risicoprofielen van verschillende doelgroepen, wordt in toenemende mate geïntegreerd in het migratiebeleid. Van die vervlechting is ook in het Europese beleid sprake, getuige bijvoorbeeld de agenda die in 2006 is opgesteld door de European Security Research Advisory Board, waarin onder de noemer grensbeveiliging (border security) illegale migratie wordt genoemd naast wapen- en drugssmokkel. Maar ook de zogenoemde kennismigranten vormen onderwerp van controle. Angst voor spionage of het oneigenlijk gebruik van de opgedane kennis (die bijvoorbeeld kan worden aangewend voor atoomprogramma’s of bioterreur) heeft de screening van deze categorie migranten in Nederland tot een vast onderdeel van het beleid gemaakt.
Kortom, migratietechnologie vindt haar toepassing in een politiek roerige context. Het migratiebeleid wordt restrictiever en selectiever, en het migratiedebat raakt in toenemende mate verstrengeld met zowel het debat over integratie als het debat over veiligheid. In combinatie met de specifieke effecten, gewenst en ongewenst, die technologie kan hebben (de DNA-test is daarvan een voorbeeld) mag het geen verbazing wekken dat zich hier een even grotesk als precair beleidssysteem ontwikkelt.
Dat systeem krijgt meer en meer het karakter van een ‘machine’. Die machine is een combinatie van zowel een sociale als een technische praktijk: ze is een sociotechnisch construct dat niet alleen uit hightech bestaat, maar ook uit de politici, de beleidsmakers, de ambtenaren, de douaniers en de marechaussee die deze ontwerpen en ermee werken. Het resultaat is een gigantisch, nationale grenzen overstijgend, met technologie doorspekt beleidsapparaat dat het vreemdelingenverkeer in Europa tracht te regelen.
De machinemetafoor opent een perspectief om dit model te evalueren. Daarmee valt een positief én een negatief oordeel te onderbouwen. Loopt het gebruik van migratietechnologie naar wens, dan is er sprake van een goed geoliede machine die op de juiste wijze weet om te gaan met de enorme aantallen aanvragen en grenspassages die Nederland en de EU jaarlijks te verwerken krijgen. Er zijn echter ook minder gunstige scenario’s mogelijk. De verschillende betekenissen van een machine anticiperen daar al op. De eerste betekenis is die van een toestel dat een bepaalde werking of functie kan verrichten. De tweede betekenis is die van iemand die machinaal zijn werk doet. De term wordt dus niet slechts gereserveerd voor apparaten, maar ook voor mensen die ‘mechanisch’ gedrag vertonen. Dat kan op twee manieren een ongewenste werking van de ‘machine’ tot gevolg hebben. In de eerste betekenis bestaat het gevaar dat het migratiebeleid ten onrechte als een machine wordt gezien die door politici of ambtenaren naar hartelust kan worden bediend. Een druk op de knop en het beleid past zich aan. Dat is een gevaarlijke illusie. Uitvoeringsinstrumenten laten zich niet machinaal dirigeren en het is zelfs de vraag of dat wenselijk zou zijn. In de tweede betekenis is de migratiemachine (in het uiterste geval) een gezichtloos, onpersoonlijk en welhaast onmenselijk beleidsapparaat dat weliswaar zonder aanzien des persoons, maar met een minimum aan empathie voor de betrokkenen zijn werk doet. Ook dat is ongewenst. De machine neemt dan het menselijke aspect over. Beide scenario’s vormen het te vermijden nadeel van de geoliede machine. Een beleidspraktijk die onder invloed van technologisering en informatisering steeds meer het karakter van een machine krijgt, kent dus voordelen en nadelen. Met de metafoor van de machine in de hand moet het mogelijk zijn die in het vizier te krijgen.
Als het migratiebeleid zich met een machine laat vergelijken, wat voor soort machine is het dan? Wat doet die machine, hoe werkt die en wat voor effecten bewerkstelligt die? Het dominante theoretische perspectief in de (sociaal-)wetenschappelijke literatuur die aan het gebruik van technologie voor grenscontroles in het algemeen en aan het migratiebeleid in het bijzonder is gewijd, is dat van de surveillance society. De surveillance is niet alleen een taak die overheden op zich nemen (governments), maar wordt ook uitgeoefend door tal van instanties (governance) zoals medische instellingen en welzijnsorganisaties die burgers op een bepaalde wijze opvoeden en dresseren (denk bijvoorbeeld aan de invoering van het digitale kinddossier). Het ‘moderne’ Nederlandse migratiebeleid, waarbij de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) samenwerkt met verschillende ‘ketenpartners’ en de verantwoordelijkheid voor het screenen van bepaalde soorten migranten (zoals voor studie, arbeid, kennis en talent) wordt gedelegeerd naar universiteiten en bedrijven, is daarvan in zekere zin een illustratie.
Daarnaast geschiedt deze surveillance niet vanuit een centraal punt (een grote regiekamer), maar vanuit een proliferatie van praktijken. Een migratiemachine in deze betekenis is dan ook niet zozeer een apparaat dat op een enkele locatie is te traceren of een ‘alziend oog’ dat alles en iedereen in de gaten houdt vanuit een vast punt. Surveilleren en controleren in deze zin verwijzen naar de verspreiding van taken en functies die op het monitoren, het registreren en het controleren van personen zijn gericht. Deze zijn niet alleen aan te treffen bij de duidelijk aanwijsbare passages voor grensverkeer (douane), maar zijn doorgedrongen tot in de haarvaten van de maatschappij, zoals de controle op illegaliteit via de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en de invoer van het burgerservicenummer laten zien.

Wat betekent dit nu voor het denken over de migratiemachine? De migratiemachine is meer dan een wal die is opgetrokken om Fort Europa te beschermen tegen oprukkende migranten. Traditioneel is de grens de demarcatielijn tussen twee staten, die het territorium en de soevereiniteit van een land markeert en afschermt. Het begrip border stamt dan ook van het Franse bordure, dat ‘rand’ of ‘zoom’ betekent. Maar de totstandkoming van het Schengengebied in Europa en de sterke nadruk op controle hebben geleid tot een betekenisverandering van deze aan nationale staten verbonden grenslijn. Grensbewaking wordt ingenieuzer: het wordt een smart border. En grenscontrole verandert van locatie: ze vindt niet alleen aan de grens plaats, maar krijgt vorm binnen een zich veel breder uitstrekkend gebied van bewaking, monitoring, toelatingseisen en administratieve handelingen.
De Franse onderzoekster Virginie Guirondon noemt dat een vorm van remote control: controle op afstand. Niet alleen verplaatsen de controleactiviteiten zich van de strikte grensbewakingsfunctie van de buitenlijnen van een territoriaal gebied zowel meer naar binnen (het land van aankomst) als meer naar buiten (het land van herkomst). De controleactiviteiten worden ook steeds vaker door de staat uitbesteed aan niet-overheidsorganisaties. Voor de analyse van migratietechnologie betekent dit dat deze technologie, veel meer dan alleen een grensbewakingssysteem, een systeem is dat op subtiele wijze onderscheid aanbrengt tussen verschillende soorten migranten.
Niet de vormen van technologie die zomaar een muur optrekken tegen illegale migrantenstromen zijn hier aan de orde, maar die vormen die specifiek zijn ingesteld op het identificeren van migranten, het verifiëren van hun relaas en het automatiseren van de procedures. De schepen, vliegtuigen en helikopters van het EU-agentschap Frontex (onder directie van een Finse ex-militair die voorheen in zijn land leiding gaf aan de bewaking van de grens met de voormalige Sovjet-Unie) blijven hier buiten beschouwing. Veeleer is van belang hoe die technologie sorteert, categoriseert en selecteert, aan de buitengrenzen van de EU en de nationale lidstaten, maar ook binnen de landsgrenzen. De grens is een ‘verfijnde zeef’ aan het worden; migratietechnologie versnelt dat proces.
Die gezeefde informatie is echter in toenemende mate afkomstig van het lichaam van de migrant. Vooral het feit dat het lichaam van personen in toenemende mate als aangrijpingspunt van de technologisering en informatisering wordt genomen, is een kenmerkend en ook verontrustend aspect. De uiterlijke kenmerken van het lichaam van migranten worden niet alleen via beschrijvingen (lengte, oogkleur) gerepresenteerd in de gegevensbestanden van de overheid, ook steeds meer daadwerkelijke afdrukken van het lichaam vinden hun weg naar de bureaucratie. Het lichaam wordt opgevat als een informatiebron waarvan de code kan worden afgelezen door een machine. In zekere zin wordt het lichaam zo ook onderdeel van de machine: het wordt geïnterpreteerd en geformatteerd als een informatiedrager die nog slechts gescand hoeft te worden om geregistreerd te worden.
Ruwe voorbeelden daarvan zijn op veel plaatsen in de grensbewaking aan te treffen. De Belgische onderzoekster Ginette Verstraete heeft bijvoorbeeld het gebruik van de technologie LifeGuard beschreven in de haven van Zeebrugge. LifeGuard is een zogenoemd remote sensing device dat de ultralage frequentiesignalen van het elektromagnetische veld van een kloppend hart registreert. De technologie, die oorspronkelijk werd ontwikkeld door het Amerikaanse leger voor reddingsoperaties en om gebouwen op de aanwezigheid van criminelen te doorzoeken, werd in Zeebrugge door een bedrijf gebruikt om vluchtelingen en illegale migranten mee te detecteren die zich in de laadruimtes van vrachtwagens en containers op weg naar het Verenigd Koninkrijk schuilhielden.
Voorbeelden van subtielere, maar niet minder ingrijpende vormen zijn voorhanden in de ongekende opmars die het gebruik van biometrie doormaakt. Van illegalen zijn het de vingerafdrukken die worden afgenomen, reizigers op Schiphol kunnen al sinds enkele jaren via Privium een irisscan laten maken. Kan de juiste code niet worden gelezen, dan wordt de persoon de toegang geweigerd. Biometrie maakt zo een authenticatieproces mogelijk, waarbij de identiteit die iemand opgeeft op echtheid wordt gecontroleerd. Alleen in geval van herkenning opent het systeem de poorten voor de persoon.
In een samenleving die op controle is gericht, wordt het lichaam volgens de Franse filosoof Gilles Deleuze een ‘wachtwoord’. De overeenkomst tussen deze verschillende vormen van migratietechnologie is dat het technieken zijn die het lichaam van personen als een informatiedrager behandelen. Het beleidsinstrumentarium verhoudt zich daartoe in toenemende mate als een machine die erop gericht is die informatie te ‘lezen’ en op grond daarvan tot een oordeel te komen over de te verlenen status aan een migrant. Als wat voor migrant wordt hij beschouwd? Wordt hij toegelaten of afgewezen? De sociale, ethische, juridische en bestuurlijke gevolgen van dit sorteerproces vormen een aparte dimensie in het toch al beladen debat over het migratiebeleid. De discussies over de politieke doelstellingen eisen alle aandacht op. De schijnwerpers zijn dientengevolge minder vaak op de uitvoeringspraktijk gericht, laat staan op de specifieke rol van technologie daarin. Steeds meer (informatie)technologie vindt ondertussen een toepassing in een beleidspraktijk waarin de politieke wens luidt dat er vooral beperkingen, en daarbinnen: selecties, aan het verkeer van vreemdelingen moeten worden gesteld. Dat maakt de vraag des te urgenter hoe die restricties en selecties worden aangebracht, welke middelen daartoe worden ingezet en op welke wijze die functioneren.

Huub Dijstelbloem is Coördinator Technology Assessment aan het Rathenau Instituut, een onafhankelijke organisatie die het parlement informeert en het debat in de samenleving stimuleert over vraagstukken op het snijvlak van wetenschap, technologie en politiek. Daarnaast is hij als docent wijsbegeerte verbonden aan de Universiteit van Amsterdam