Hoofdcommentaar

De radicale agenda van Balkenende en Donner

Premier Balkenende en minister Donner van Justitie hebben zich afgelopen week ogenschijnlijk ontpopt als twee regerende anachronismen. Eerst was er vrijdag de persconferentie waar de minister-president de vraag opperde of een satiricus de vrijheid van meningsuiting wel «maximaal mag benutten». Vervolgens gaf Donner zondag in Buitenhof het antwoord: die vrijheid «vergt verantwoordelijkheid», anders «wordt het losbandigheid en eindigt het in verloedering». Buitenhof werd zelf satire toen op groot scherm een persiflage van Jack Spijkerman op Beatrix en Balkenende werd herhaald, het publiek in de studio in de lach schoot maar het gelaat van Donner strak in de plooi bleef. Een dag later trokken de vice-premiers Zalm en De Graaf het kleed onder hun voeten weg. Althans, dat dachten ze. «In het kabinet is geen besluit tot ergernis genomen», aldus Zalm. De regering spreekt dus niet met één mond maar is verdeeld. Dat is zorgwekkend. Want hoe moet het nu verder met de Europese grondwet, het nieuwe zorgstelsel en de Nederlandse jongens in Irak? Of nog erger, als de minister van Justitie zijn kruit verschiet aan satire, komt het dan nog wel goed met zijn plannen om de rechtsstaat ter wille van de veiligheid te stroomlijnen?

De argumenten tegen Balken ende en Donner zijn inderdaad eenvoudig bij elkaar te sprokkelen. Satire is een traditie. Cabaret is een momentje hilarisch stilstaan, je afvragen waar we in godsnaam mee bezig zijn om vervolgens gelouterd weer aan de slag te gaan en onbekommerd CDA-aanhanger te blijven. De snelle opiniepeilingen van afgelopen week plus de ingezonden-brievenrubriek in De Telegraaf illustreerden deze vaderlandse wet. Balkenende en Donner waren dan ook een eenvoudige prooi voor de kritiek. Hun critici hielden het simpel. Satire is een vrij terrein waar de subliemste en meest vijandige grappen tot de domste en meest smakeloze moppen voorkomen. De beginselen van de vrijheid van meningsuiting (geen censuur of zelfcensuur) en de leer der politieke opportuniteit (de ministers dagen de satire juist uit en laten de koningin zo nog meer in haar hemd staan) werden evenmin over het hoofd gezien.

Een «beetje dom» dus, die actie van twee onbesuisde hervormers? Was het maar zo eenduidig. Er lijkt meer aan de hand. Donner was onvermurwbaar. Zijn houding bij Buitenhof had zelfs iets superieurs. Daar zat een man met een missie. Zijn formele lijn leek zwak. Hij verschanste zich in een cirkelredenering die staatkundig engagement moest veinzen. Satire kan gevaarlijk zijn omdat de koningin zich wegens haar constitutionele onschendbaarheid niet mag verweren en dus verdedigd moet worden door de verantwoordelijke minister-president, die het op zijn beurt niet voor haar als bindende factor kan opnemen omdat hij als partijpoliticus juist geen lange tenen mag hebben en zo voort. Als Donner het niet zou hebben gezegd, zou men denken dat er een republikein aan het woord was.

Maar zijn onverschrokken triom falisme onthulde dat de gezamenlijke actie met Balkenende zich over een breder front uitstrekt. De twee bewindslieden hebben zich niet louter laten leiden door koningin Beatrix, die de premier tijdens hun maandagse beraad mogelijk deelgenoot heeft gemaakt van haar ergernis en hem als noviet aan een touwtje heeft. Ze menen het zelf ook. Waar journalisten, cabaretiers en intellectuelen twee onbezonnen neo-reac tionairen in actie zagen, zag een groter publiek wellicht een nobele kruistocht ter bescherming van de staatsrechtelijk gekooide koningin Beatrix en de goede normen en waarden waarvan zij het symbool is. De Telegraaf schreef niet voor niets: «Ze zouden hun taak ernstig verzaken als zij hun mond zouden houden terwijl zij menen dat het staatsbestel door continue, op niets gebaseerde aanvallen op het staatshoofd of door haar belachelijk te maken ondermijnd zou worden.»

Balkenende en Donner lieten de media niet voor niets demonstratief links liggen. Journalistiek en satire beginnen door het oprukkende infotainment steeds meer op elkaar te lijken, weten ze, en dus is de journalist net zo ongevaarlijk geworden als de satiricus. Donner is zich er terdege van bewust dat elke reactie op zijn onkreukbare bezorgdheid («alles wat zwak van waarde is — liefde, trouw, vertrouwen — kun je allemaal belachelijk maken») oninteger lijkt.

Anders gezegd, het gaat beiden niet om Jack Spijkerman, maar om diens bijna drie miljoen kijkers. Balkenende en Donner weten precies wat ze doen: ze duiken in het morele vacuüm waar Nederland weliswaar al sinds de ontzuiling in leeft maar waar het nu pas panisch benauwd voor is geworden. Waar vroeger de instituties binnen de eigen zuil (kerk, onderwijs, vereniging) de moraal uitdroegen, moeten we het nu doen met het wetboek van strafrecht, waarmee slechts de buitengrenzen van de normen worden bewaakt. In die zin heeft Donner gelijk dat de tocht naar de rechter het laatste middel is. Let wel, alleen in deze strikt juridische zin.

Donner is deze grens echter willens en wetens overgestoken omdat hij een veel minder bescheiden doel voor ogen heeft. De ontkerkelijkte en ontideologiseerde mens heeft volgens hem en Balkenende een onweerstaanbare behoefte aan een groter plan of ten minste aan een kader voor de dagelijkse leefgewoonten. Er is behoefte aan publieke moraal. Zonder God of Idee gaapt voor de ronddobberende mens een morele leegte die geen volkszanger, hobby of tv-presentator kan opvullen.

Tot hun irritatie zijn de afgelopen decennia de hardste schreeuwers in dit morele vacuüm gestapt. Freek de Jonge heeft het opgevuld. De multiculturele relativisten hebben het geprobeerd. Monoculturele absolutisten doen er sinds een paar jaar eveneens een gooi naar. Recent hebben ze ook nog eens gezelschap gekregen van de nieuwe rijken, die hun een dimensionale materiële succes uitventen als ultieme waarde waarvoor de gewone burgers «respect» dienen te hebben omdat succes een morele categorie hoort te zijn. Kortom, het vacuüm wordt gebruikt door wie dat wil. De zinnigheid van de boodschap is ondergeschikt geworden aan de penetrante luidheid ervan. Zelfs de klassieke scherpe satiricus heeft concurrentie gekregen van de botte provocateur die het veelal geen barst kan schelen wat zijn woorden uithalen omdat ze eerst en vooral aandacht moeten genereren. Want aandacht betaalt: aandacht levert geld op, en geld is voor velen waarde nummer 1. Wat Donner afschilderde als een serieuze dreiging voor het staatsbestel is veeleer een commerciële onderneming.

Natuurlijk weet Donner dat dit geen serieuze bedreiging voor de Nederlandse staat is. Het koningshuis buigt niet onder al die programma’s maar is door de affaires van de laatste twee jaar eerder aantrekkelijker geworden. Het is zelfs de vraag of de kijkers naar een satire over de Oranjes niet grotendeels dezelfden zijn die elk nieuwtje verslinden over de kleur van de babykamer van Máxima (crème met blauwe accenten, volgens weekblad Privé) en die desgevraagd zouden verklaren pal achter het koningshuis te staan.

Maar dat deert niet. Balkenende en Donner weten verdomd goed dat ze met iets anders bezig zijn. Ze hebben hun eigen aanval geopend op het morele vacuüm, niet omdat ze het bestaande Nederland willen beschermen maar omdat ze hun nieuwe Nederland willen bouwen. Daarom willen ze zich niet beperken tot een simpele aanpak via majesteitsschennis of andere artikelen uit de wet. Balkenende en Donner willen het land grondig herdefiniëren. Ze zijn hiervan zo overtuigd dat ze zich niets aantrekken van Zalm en De Graaf, liberalen die juist de omstandigheden willen scheppen waarin burgers individueel hun eigen moraal kunnen ontwikkelen.

Het is dan ook naïef om Balken ende en Donner vooral satirisch te bejegenen. Ze verdienen een politiek antwoord. Door de moraal voor de overheid te claimen, hebben ze zich waarachtig blootgegeven.

Dit is niet wat vragen opwerpen, zoals de premier dinsdag in de Tweede Kamer zei. Dit is de kern van een nieuw Nederland. Dit is ernst.