Toneel - Liesbeth Coltof & het jeugdtheater

De radicale kinderblik

Liesbeth Coltof heeft het toneel voor kinderen bij ons een smoel gegeven. En dat is niet een glad gezichtje geworden met een gelukzalige kinderglimlach.

We zijn in Düsseldorf-Noord. Zo’n uit betonnen keldergronden herrezen Duitse jaren-vijftigwijk met een diepliggend S-Bahnhof en een tankstation uit een film van Werner Herzog. Aan de Münsterstrasse ligt Junges Schauspiel, een wit pand met een golvende voorpui, waarin je vroeger een werkplaats voor grafstenen zou vermoeden, of een zuurtjesfabriek, of misschien wel zo’n verbouwd tankstation uit een film van Werner Herzog. Het is een ijzige, grauwe ochtend in februari. De mensen van het theater zijn gastvrij, de verzamelde kinderschare (de voorstelling is ‘ab 10’) is druk. We komen voor Der Junge mit dem Koffer, een stuk van de Brit Mike Kenny, over een jongen uit het Midden-Oosten, kan Afghanistan zijn, of Syrië. De jongen heet Naz en hij wordt door zijn ouders naar een broer in Engeland gestuurd. Die broer is al eerder gevlucht. Het stuk gaat voornamelijk over de vlucht zelf, de gevaren onderweg en over het feit dat Naz zich tijdens de reis overeind houdt met verhalen over Sindbad de Zeeman, die hij van zijn vader heeft gehoord.

Medium repetitie lear   theo vogel ii
Liesbeth Coltof tijdens een repetitie van Lear © Theo Vogel

Die verhalen geven Naz en zijn reisgenoot Krysia hoop en kracht. Liesbeth Coltof heeft de voorstelling geregisseerd en ze heeft er de belangrijke Duitse toneelprijs, de Faust, mee verworven. Daarom ben ik hier. Als zij iets maakt wil ik het zien. Zo simpel ligt dat al jaren. Ze heeft met haar vaste scenograaf Guus van Geffen uitgedacht dat de traditionele ruimtelijke scheiding tussen spelers en publiek, die bij onze Oosterburen vaak strenger wordt aangehouden dan bij ons, in Der Junge mit dem Koffer volledig moest wegvallen. We worden door onaangenaam blaffende zaalwachten (acteurs natuurlijk, de gemuilkorfde honden denk je er moeiteloos bij) via gangen tussen hoge hekken in kleine groepjes naar onze plaatsen gecommandeerd. Daar zitten we dicht op elkaar in een rommelig auditorium op tientallen koffers en oude meubels aan beide lange zijden van een constructie in het midden, met steigers, trappen en platforms. Daar spelen ze, de vijf toneelspelers die een woeste wereld creëren waar wij deel van worden. Het stuk is door Coltof en haar team grondig door de machine van hun verbeelding, toneelfantasie en theatrale ‘deeltjesversneller’ gehaald. Binnen enkele uren voltrekt zich in deze ontmantelde toneelzaal een wild vluchtverhaal. Ik denk aan de regels uit Brechts Lied van de stukkenschrijver: ‘Ik toon wat ik heb gezien/ op de mensenmarkten heb ik gezien/ hoe de mens verhandeld wordt/ hoe ze elkaar tegemoet komen met plannen/ of met knuppels of met geld/ hoe ze op straat staan en wachten/ hoe ze voor elkaar een val opzetten/ vol hoop/ hoe ze afspraken maken/ hoe ze elkaar de strop omdoen/ hoe ze beminnen/ hoe ze de buit verdelen/ hoe ze eten/ dat toon ik, ik, de stukkenschrijver.’ Liesbeth Coltof en haar spelers tonen het ons. En dat gebeurt met die radicale kinderblik die haar zo eigen is en die ik al zo’n drie decennia gretig volg.

Ruim dertig jaar geleden vestigt Liesbeth Coltof (1955) haar naam als regisseur van jeugdtheater, met drie nogal historische producties die kort na elkaar zijn gemaakt. Alle drie gebaseerd op traditionele bronnen: een sprookje, een Griekse tragedie en een modern-klassieke toneeltekst. In 1986 maakt ze Dag monster, op basis van La belle et la bête (als musical en film beter bekend als Beauty and the Beast). Ze doet dat samen met de speelsters van de groep Eldorado en de schrijfster Pauline Mol. Op alle denkbare manieren wordt gebroken met het in die tijd nog dwangmatig toegepaste ‘kinderrealisme’. Pauline Mol schrijft een plezierig directe toneelpoëzie. Met een huiver en een glimlach. De actrices stappen in en uit hun figuren, ze vertellen het verhaal, spelen het na, voorzien het van commentaar. Voor de kinderen is het een warm bad én lekker eng. Voor de pedagogen, onderwijzers en andere zelfbenoemde deskundigen is de voorstelling in 1986 een kwelling en een steen des aanstoots. De tekst wordt aangevallen. Te ingewikkeld. Zo wordt er gestreden tegen het woord ‘hunkering’, een woord dat kinderen niet zouden begrijpen. Het moet ‘verlangen’ worden. Wat toch echt iets anders is. Een taai gevecht is het. En het is ‘hunkering’ gebleven.

In 1989 maken Liesbeth Coltof en Pauline Mol in nauwe samenwerking met de spelers van de Nijmeegse groep Teneeter een bewerking van Euripides’ tragedie Ifigineia in Aulis, over het kind dat moet worden geofferd om van de goden gunstige weersomstandigheden (wind voor zeilschepen) te verkrijgen aan het begin van de Trojaanse oorlog. Het resultaat, Ifigineia koningskind, is een sleutelstuk en een sleutelvoorstelling geworden in de ontwikkeling van het jeugdtheater in Nederland, dat ongeveer vanaf dat moment ook een lichtend voorbeeld wordt voor het kindertoneel in heel Europa. De titelfiguur is opgesplitst in het zogenaamd moedige koningskind Ifigineia dat zich opoffert voor de Belangrijke Zaken van de Grote Mensen, en het kind, dat gewoon Kind heet en dat met ingehouden en nijdige verbijstering kijkt naar de capitulatie van Ifigineia. De proloog klinkt ook nu nog als een beginselverklaring: ‘Euripides was zó oud dat hij van kinderen hield. Hij kende een groot verhaal dat alle mensen toen kenden. Over Ifigineia. En over de dood. Dat verhaal maakte hem zo woedend en zo droevig, dat hij het heeft opgeschreven in een toneelstuk. Want hij was toneelschrijver. En hij schreef het heel mooi. Maar niet voor kinderen.’

Liesbeth Coltof beseft permanent dat kinderen moediger zijn dan de meeste volwassenen

Het derde project, De koning en de rest, is een toneelstuk over doodgaan. Voor kinderen vanaf acht jaar. Dat kon in 1989 dus ook al niet. Tegen stuk en thema is heftig verzet geweest. Roel Adam, tot op heden de zielsverwant, auteur en toneelspeler naast Liesbeth Coltof, schreef de tekst op basis van De koning sterft, een moderne klassieker van de Roemeens-Franse ‘absurdist’ Eugène Ionesco. Aan het eind van het stuk is de koning aan het doodgaan in de armen van zijn eerste vrouw. Tijdens een van de voorstellingen kruipt een jongetje vanaf de eerste rij publiek langzaam naar de troon waarop de koning zit te sterven. Als het eindelijk is volbracht, draait het kereltje zich naar het publiek en zegt met een zucht: ‘Hè, hè, het is hem eindelijk gelukt.’

Ergens in dat gebied van verwondering zit de radicale kinderblik van Liesbeth Coltof. Tijdens het werken aan een voorstelling transformeert ze fysiek en geestelijk in een kind. Ze weet hoe het kind denkt, ze weet waar de angst zit, ze weet waar het mogelijk nog niet aan toe is. Ze beseft overigens permanent dat kinderen moediger zijn dan de meeste volwassenen. In haar observeren en ingrijpen tijdens het repeteren zit altijd die verbondenheid met de kleine mensen die (nog) geen stem hebben. De voorstelling De koning en de rest heeft Liesbeth Coltof ook voor zichzelf gemaakt. Haar moeder stierf toen ze nog heel jong was, ze werd overal bij weggehouden. Die slag heeft ze in haar werk alsnog ingehaald. En na die voorstelling kreeg ze de sleutels van Nederlands oudste jeugdtheaterensemble, dat toen, in 1989, Amstel Toneel heette, daarna onder haar leiding Huis aan de Amstel werd, en dat nu het fusiegezelschap De Toneelmakerij is, waar ze volgend seizoen de leiding overdraagt aan een nieuwe generatie toneelmakers.

Twee herinneringen tot slot. Van ergens tussen 1989 en nu. In de zomer van 2000 reizen Liesbeth Coltof en haar troep rond in Oost-Jeruzalem, Hebron, Nablus en Gaza, rondgeleid door Palestijnse toneelspelers. Ze worden ontvangen bij hen thuis, in de stad, in vluchtelingenkampen. Uit die ontmoetingen ontstaat de voorstelling De dag dat mijn broer niet thuiskwam, gemaakt vanuit het perspectief van Palestijnse kinderen, overigens zonder politiek gedelibereer, zonder gevecht om een gelijk. Het gaat erom kleine en grote gebeurtenissen in het leven van individuen letterlijk tegen het licht te houden, en daarna nóg eens, en dan nóg een keer, om te kijken hoe een grote druk van buiten het leven van alledag overhoop kan gooien. Al vertellend reconstrueren vier figuren de dag, elf jaar geleden, toen hun jongste broertje Jochie niet meer thuiskwam. Hij stierf tijdens een rel met stenengooiers, door een verdwaalde politiekogel, door slordigheden in een ziekenhuis, en uiteindelijk omdat hij zich groot probeerde te houden.

Toneel kan dat. Een dikke stapel kranten en televisiebeelden verliezen hun betekenis door dat ene beeld van een kind dat uit zijn eigen tijd springt. Toneel kan dat onder meer ook door zich verre te houden van alleen maar spektakel of alleen maar virtuoos spelen. De basis van het toneel van Liesbeth Coltof ligt in het stellen van simpele vragen. Bij De dag dat mijn broer niet thuiskwam waren dat vragen als: hoe ging dat toen, die ene fatale dag, wat ging er mis, wat hebben we verkeerd gedaan, en hoe moeten wij verder zonder Jochie? In het slotbeeld dansten de vier weeskinderen eerst nog gemoedelijk met elkaar, niet verscheurd door de tragedie van die ene dag, in hun verleden van elf jaar geleden. Jochie danste zichzelf stilletjes door een zijdeur weg. En opeens stonden ze daar, in het koude licht van het nu, helemaal alleen, met z’n drieën.

Een tweede herinnering. Een jong acteur wordt in 2004 door Liesbeth Coltof gevraagd voor een grote rol in Schillers Don Carlos. Hij schrijft aan vrienden: ‘Bij navraag blijkt dat velen in mijn omgeving al bij Liesbeth Coltof en Huis aan de Amstel hebben gespeeld. Het is opmerkelijk dat zo’n klein gezelschap beschikt over misschien wel het grootste tableau de la troupe van Nederland. Volgens mij vormen Liesbeth en haar toneelhuis een rode lijn door het cv van veel acteurs.’ In Don Carlos heeft Coltof destijds haar toneelhuis opengesteld voor volwassen publiek. Ze regisseerde het stuk als een leerstuk over macht en erotiek. Onder het motto: kijk, luister, niets is wat het lijkt te zijn. Hitchcock meets Schiller. Ze is met deze voorstelling de weg in geslagen die bijvoorbeeld Eva Bergman (dochter van cineast Ingmar) in Göteborg met haar Backa Teater al jaren aan het belopen was: kinderen én volwassenen gemeenzaam leren luisteren en kijken naar kleine en grote verhalen. In Schillers tijd noemden ze dat al Bildung. Daar lijkt nu meer dan ooit behoefte aan.

Der Junge mit dem Koffer speelt in Junges Schauspielhaus Düsseldorf, eerstvolgende voorstellingen 11 en 12 mei, informatie: dhaus.de. Lear door De Toneelmakerij speelt t/m 20 mei door het hele land; toneelmakerij.nl. Zie ook Kroniek van kunst en cultuur in deze Groene