God’s gym van Leon de Winter

De rafelige werkelijkheid

Leon de Winter

God’s Gym

Uitg. De Bezige Bij, 371 blz., € 18,50

Betoverend is de nieuwe roman van Leon de Winter, God’s Gym, zeker. Betoverend vooral in de brede verhalende opzet, de kosmopolitische sfeer, de soepel in het verhaal opgenomen ideeën over de wereld, de natuur, de elementaire deeltjes, het toeval. Onontkoombaar wordt de lezer meegezogen in de razende maalstroom waarin het leven van hoofdpersonage Joop Koopman van de ene op de andere dag terechtkomt. De wederwaardigheden van deze antiheld zijn bijna te gek voor woorden, maar Leon de Winter brengt ze tot in detail geloofwaardig voor het voetlicht.

Alsof een dergelijk weerbarstige materie op de een of andere manier in toom moet worden gehouden, is De Winters schrijfstijl zakelijk, af en toe op het vlakke af. Voordeel hiervan is dat geen enkele formulering stoort als gewrongen, kitscherig of vaag. Nadeel is dat geen enkele zin eruitspringt als bijzonder raak of mooi. Niets in deze roman leidt daarmee af van de intrige, de actie, de dialogen. Waarom deze lezer, meegezogen en wel, zich toch uiteindelijk door de schrijver in de steek gelaten voelde, heeft dan ook te maken met de ontwikkeling van de plot. Als er geen taal is die soulaas biedt, wordt de hypotheek op de afwikkeling van het verhaal steeds zwaarder.

Op bladzijde 293, met nog zo’n tachtig bladzijden te gaan, begon ik die druk ook echt te voelen: hoe kan dit alles nog tot een bevredigend einde worden gebracht? Om even een indruk te geven van de complexiteit van de intrige op dat moment in het boek: Joop Koopman, Nederlands scenarioschrijver en sinds jaren woonachtig in de Verenigde Staten, is op weg van Los Angeles naar San Francisco om zijn jeugdliefde opnieuw in de armen te sluiten. Zij wil hem kennis laten maken met een monnik die beweert de reïncarnatie te zijn van zijn in een vernietigingskamp omgekomen grootvader. Hij heeft een lift gekregen van de Nederlands-Marokkaanse crimineel Omar, die hij eigenlijk zou moeten schaduwen in opdracht van de Israëlische geheime dienst, maar voor wie hij persoonlijke belangstelling heeft gekregen, vermengd met enig opportunisme. Misschien kan Omar hem via diens hackerscontacten helpen degene te vinden die dankzij de transplantatie van het hart van zijn net verongelukte dochter weer een toekomst heeft. In San Francisco gaat het mis, zowel met Koopman als met het ontvouwen van de clou. Waar tot dan toe alle verhaallijntjes zich moeiteloos voegden en in een sjeuïg vertelritme bijeengehouden werden, lijkt het alsof tegen het einde de boel haastig wordt afgewerkt met rafels tot gevolg.

Toch — voor de welwillend gestemde want betoverde lezer — zouden ook die rafels betekenisvol kunnen zijn. God’s Gym is een roman die zich beweegt tussen Mulisch’ De ontdekking van de hemel en Houellebecqs Elementaire deeltjes. Met Mulisch’ roman heeft God’s Gym, zoals de titel al aangeeft, gemeen dat een individueel lot wordt beschreven als het nietigheidje dat het op wereldschaal natuurlijk ook is. Alles is uiteindelijk niet meer dan een samenloop van omstandigheden, en die omstandigheden worden door De Winter felrealistisch uitgemeten, tot verschuivingen in de aardkorst aan toe. Wat niet wegneemt dat de schrijver compassie heeft met zijn personages; Joop Koopman is een tragische figuur, geslagen door het noodlot, en in zekere zin passief in de beleving van zijn ongeluk. «Hij accepteerde wat hij moest accepteren. Verzet betekent verstoring, ziekte, lijden.»

Deze levensvisie brengt hem er automatisch toe het medische verzoek om het hart van zijn net gestorven dochter voor transplantatie beschikbaar te stellen te honoreren. Immers: «Wanneer het hart geen zuurstof meer door het lichaam pompt, houdt ’t op.» Pas later, onder invloed van de boeddhistische ideeën van zijn teruggevonden jeugdliefde, begint hij daaraan te twijfelen. Want waarom zou het leven voor altijd en absoluut begrensd zijn? «Weerzien, daar ging het om. De omarming. De omkering van het afscheid. Hij wist hoe die hoop voelde.»

Even lijkt het er vervolgens op dat De Winter, à la Mulisch in De ontdekking van de hemel, ons een lieve boodschap heeft te verkondigen: met iedereen van wie je hebt gehouden, word je ooit weer verenigd. Maar dan komt, à la Houellebecq, de meedogenloze menselijke natuur om de hoek kijken waarvan de wetmatigheid zelfs die van de kwantummechanica overtreft. En dus stort de hele santenkraam, zo zorgvuldig opgebouwd in driehonderd bladzijden, in tachtig bladzijden ineen. «Er is geen waarheid in lijden, van de oorzaak van lijden, van het einde van lijden, noch van het pad. Er is geen wijsheid, en er is geen doel.» Dit is de ontdekking van de aardse werkelijkheid die Joop Koopman doet in God’s Gym, een ontdekking die ook de lezer enigszins beteuterd achterlaat. «Mensen bestaan bij de gratie van verhalen», formuleert Koopmans bondgenoot het tegengif. Leon de Winter maakt dit een dikke roman lang voelbaar.