De rafelranden van amsterdam

Een eeuw Amstedams bouwen: domme blokken,lozeruimtes, vijandige spiegelgevels, maar ook juweeltjes van wat een goedsamenspel tussen architectuur, stedebouw en de schoonheidscommissie kan bereiken.

ALS MEN OVER DE stad praat, maakt men gemakshalve meestal een tweedelingtussen centrum en periferie, tussen de urban city en de suburbs,tussen degrootstad en de voorstad. Het is echter maar de vraag of het verhaal van destad nog steeds in haar kern is te vinden. In de bundel Ontwerpen voor deonmogelijke stad bijvoorbeeld stelt samensteller Rene Boomkens dat dewaarheid van de laat-twintigste-eeuwse stad eerder gezocht moet worden in haarrandgebieden dan in het centrum, eerder in de buitenwijken en stukkenniemandsland, in de buurt van snelwegen, vliegvelden, kantoorparken en versbebouwde gebieden. Denk aan het verhaal van de Bijlmer, die nieuwemulticulturele stad aan de rand van de stad. Denk aan het verhaal vanSchiphol, de luchthaven waar zoveel gewenste en ‘ongewenste’ vreemdelingen hetland binnenkomen. De verhalen van de havens, de handelscentra, denieuwbouwwijken.
In ieder geval kan ook het verhaal van architectonisch en stedebouwkundigAmsterdam het beste worden verteld aan de hand van grensgebieden, rafelranden,niemandslanden en overgangen. 'Juist de grenzen en breukzones zijn uitermateinteressant’, zegt architect Tjeerd Dijkstra. 'Daar zijn de contrasten hetscherpst. Daar worden wat architectuur en stedebouw betreft de meestinventieve oplossingen gevonden. Maar daar gebeuren ook vaak de vreselijksteongelukken.’ Tjeerd Dijkstra - voormalig hoogleraar bouwkunde te Delft,voormalig rijksbouwmeester en supervisor voor de ontwikkeling van de IJ-oevers- is een dag lang mijn gids langs de stadsranden en breuklijnen.
Op de moderne architectuur kankert de doorsnee-Amsterdammer nog hardgrondigerdan op het weer. Mooi en lelijk zijn echter nietszeggende begrippen alsgebouwen als onderdeel van een verhaal worden gezien. Onze tocht leert dat degrens tussen grootstad en voorstad nooit vast ligt, dat tussenruimten enrafels even goed in het centrum te vinden zijn, dat niemandsland in een fermestedebouwkundige greep kan worden genomen maar ook door spiegelglazen toevalkan worden verpest, dat sommige stukken stad er plotseling vanzelfsprekendstaan en dat door andere de zweem van het weiland zichtbaar blijft.
H.P. BERLAGE ONTWIERP zijn Plan Zuid voor een grote zandvlakte. De zogenaamde'revolutiebouw’ in de Pijp en de Kinkerbuurt, gebouwd volgens hetonverschillige laissez-faire-principe van de liberale stadsbestuurders,hadslechte, eenntonige en onhygie"nische huizen opgeleverd, waar de minderbedeelden onder erbarmelijke omstandigheden woonden. Met de woningwet van 1901en de sociaaldemocratische machtsovername van de stad kwam er ruimte voorgesubsidieerde woningbouw om de huisvestingsproblemen van de arbeidersklassete lenigen. Berlages uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid, in 1917 door degemeente aangenomen, betekende een keerpunt in de geschiedenis van deNederlandse stedebouw.
De Lutmastraat vormt de overgang tussen de smalle, donkere straten van de Pijpen het monumentaal opgezette stratenplan van Berlage. Het plan kent tweeassen: de Churchillaan en Rooseveltlaan lopen in een vork naar hetAmstelstation; de zeker even imposante Minervalaan is gericht op eentoekomstig Zuiderstation. Tussen de brede lanen, gei"nspireerd op de weidseParijse boulevards van Haussmann, was er ruimte voor het 'massaproduktwoning’, voor duizenden en duizenden min of meer gelijkvormigearbeiderswoningen.
Deze werden ontworpen door architecten van de Amsterdamse School. De bakstenengebouwen van bouwmeesters M. de Klerk en P. L. Kramer zijn innmiddelswereldberoemd. Zoals de huizen aan de P. L. Takstraat die als welvendescheepsplechten aan de ruime trottoirs liggen of de landhuisachtige woningenaan het Henriette Ronnerplein. Nergens vervallen de woonblokken in vreugdelozemonotonie, daarvoor is de detailering te liefdevol. De smeedijzerrenhijsbalken, de speciaal gekrulde dakpannen, de organisch gevormdetrappenhuizen, de houten raamkozijnen, de ornamenten, de huisnummers, ja zelfsde deurknoppen - alles is met zorg vormgegeven.
Tjeerd Dijkstra is lyrisch over deze nieuwbouwbuurt uit de jaren twintig endertig: 'Het is een toetssteen voor wat je in de stedebouw en de architectuurzou willen. Van een goed stedebouwkundig plan wordt via de architecten naar dedetails toegewerkt. De gebouwen zijn geen losse dingen die verloren in deruimte staan. De buitenruimtes zijn bewust omsloten, er is een goed contrasttussen de woningen en de straat. Als voetganger voel je je opgenomen in eenstedelijke ruimte, je kunt overzichtelijk rondlopen, je kunt bij de deurenkomen. Er zit helderheid in.’
Het succes van het Plan Zuid verklaart Dijkstra uit de spanning tussen hetstrenge rationalistische plan van Berlage en de barokke ambachtelijkearchitectuur van de Amsterdamse School. 'Het is net als bij de schilderijenvan Mondriaan. Het geheim daarvan wordt ook bepaald door de spanning tussenhet cerebrale en het maken met de hand.’
DAARBIJ SPEELDE de schoonheidscommissie van Amsterdam-Zuid ook een belangrijkerol: 'Ik ben over het algemeen niet zo'n voorstander vanschoonheidscommissies; ze denken vaak te veel in termen van mooi en lelijk.Maar in dit geval zijn de stedebouwkundige plannen vakkundig begeleid en isgoed op de architectonische samenhang gelet.’ De schoonheidscommisiebekommerde zich zo niet alleen om de gebouwen, maar ook om het stratenpatroon,om 'hoekoplossingen’ (de aansluiting van bouwwerk van verschillendearchitecten), de loop van rooilijnen, bomen, brievenbussen, schakelkasten,urinoirs, etcetera. Het resultaat: de gebouwen vormen samen een dwingendverhaal.
Boven de ouderwets rode dakpannen van de huizen aan de Talmastraat en de Burgemeester Tellegenstraat torent het in de jaren zestig neergeplanteSonestahotel. Het hotel ligt midden in een woonwijk en toch lijkt de ruimteeromheen een vogelvrij niemandsland. Dijkstra vindt het 'rotzooi’. Achterhethotel, aan de 2e van der Helststraat, liggen een pompstation en een sporthal.Dijkstra karakteriseert het sportcentrum als 'een voorbeeld vanvreselijkheid’, er is hoegenaamd geen teken dat de ingang van het complexaangeeft. Aan de voorkant van het Sonestahotel strekte zich lange tijd eenondefinieerbare leegte uit. Inmiddels is er een groen kantoorgebouw verrezen.Ondanks de face lift die het hotel onlangs heeft ondergaan - een nieuweluifelop het dak van de toren - noemt Dijkstra het gebouw 'een dom blok’, 'eenstomme klomp’, 'een schande voor het gebied’.
Een grover staaltje van non-stedebouw is te vinden rond Station Zuid en hetWorld Trade Center. Volgens het oorspronkelijke idee van Berlage moest een nogte bouwen Zuiderstation in het verlengde van de Minervalaan liggen. Nu botstde imposante laan op het Amstelkanaal en kunnen alleen fietsers en voetgangersover een zielig bruggetje hun weg vervolgen. Dijkstra: 'De illustratie vaneenstedebouwkundige abortus.’ Station Zuid lijkt vooral gericht op autoverkeervan de ernaast gelegen snelweg. Een busstation en blinkende kantoorkolossenomringen het; voor een fatsoenlijk stationsplein is geen ruimte gemaakt. Voorvoetgangers is er geen voorziening, zij moeten maar strompelend over debusbaan hun weg naar het spoor vinden.
Dijkstra: 'Ik vind het altijd zo merkwaardig dat die prestigieuzegebouwen,zoals hier om het station het Atrium en de Stibbetoren, verloren langs eensoort ventweg liggen. Voor de rest is er ruimte, ruimte, ruimte. Deruimtelijke ordening laat het geheel afweten. Het gaat hier om peperduregrond, de commercie krijgt daarom volkomen vrij spel. Eigenlijk is het tevergelijken met hoe negentiende-eeuwse wijken als de Pijp en de Kinkerbuurttot stand zijn gekomen; toen werd de bebouwing ook ongegeneerd overgelaten aande commercie. Rond Station Zuid is de straat als publieke ruimte verdwenen. Erwordt niet gewoond, er is een strikte scheiding tussen de woon- en dewerkfunctie.’
In de toekomst, althans als de gemeente het juridisch gesteggel rond bouw- enmilieuvergunningen doorstaat, wordt ten zuiden van het station het nieuwehoofdkantoor van ABN- Amro gebouwd. De bedoeling is dat dan ook hetstationsplein wordt vormgegeven en er een eenheid ontstaat tussen de glazengiganten en het station. Dijkstra ziet het somber in: 'De logische verbindingmet Amsterdam-Zuid lijkt voorgoed doorgesneden. En de kantoren zijn nu zowillekeurig rondgestrooid dat het de vraag is of het gebied nog ruimtelijkesamenhang kan krijgen.’
VEEL RANDGEBIED HEEFT zijn vorm te danken aan een bijeenkomst van prominentearchitecten en stedebouwkundigen in de jaren dertig. Het vierde congres van deCiam (Congres Internationaux d'Architecture Moderne) boog zich onder leidingvan Le Corbusier over de 'functionele stad’. De Ciam, en met name LeCorbusier, besloten tot een ruimtelijke scheiding van functies als leidraadvoor de stedebouw: wonen, werken, recreatie en verkeer moesten in apartesferen plaatsvinden. Dat zou pas heldere, hygie"nische steden opleveren! Hoedan ook zou daardoor korte metten worden gemaakt met de woekerendesamenklontering die de moderne metropool vaak was. Het gevolg: slaperigenieuwbouwwijken en desolate bedrijvenparken. Voor Amsterdam ontwierp VanEesteren, deelnemer aan het congres en zelf jarenlang voorzitter van de Ciam,volgens de functionalistische richtlijnen van Le Corbusier hetuitbreidingsplan van Amsterdam-West, de westelijke tuinsteden. Het werdenwoonwijken volgens het Ciam-boekje: wijd uitgelegd, met veel groen, licht enlucht, en zeer monofunctioneel.
In feite sloot het gemeentebeleid zoals dat door wethouder Lammers in de jarenzestig werd geformuleerd, aan bij de monofunctionele gedachte. Het beleid wasde grote bedrijven buiten de stadskern - rond de ringweg - te concentreren.Erwerden subcentra gevormd rond het Confectiecentrum in West, rond de Rai inZuid, rond de hotels aan de Europaboulevard, in de Bijlmer. De bedrijvigeplekken, zo veronderstelde de gemeente, hadden een goede 'auto-ontsluiting'ende stedelijke rust bleef gehandhaafd.
'Ik heb dat altijd een gevaarlijke ontwikkeling gevonden voor het leven in debinnenstad’, zegt Dijkstra. Door een groot aantal stedebouwkundigeorganisaties en vanuit A et A, de gezaghebbende vereniging voor architectenArchitectura et Amicitia, werd commentaar geleverd op de gemeentelijkeplannen. Dijkstra: 'Het probleem van een dergelijke differentiatie is datzulke centra op geen enkele manier bijdragen aan de stad. Ze dragen hetkarakter van een puur commercieel zakencentrum en hebben een zeer geisoleerdepositie in een gebied. Om een sfeer van bewoondheid en sociale controle tekrijgen - veel kantoorgebied is ’s nachts onveilig - is een sterke mengingvanfuncties nodig.’
Inmiddels is de Ciam-gedachte flink aan erosie onderhevig. 'Er zijn tweedilemma’s in de huidige stedebouw’, legt Dijkstra uit. 'In de eerste plaatsmoeten monofunctionele gebieden vermeden worden. Het gebeurt ook in toenemendemate dat woningbouw en kantoren door elkaar staan. Dat is niet altijdmakkelijk omdat bedrijven vaak op dure grond staan, waar maximale prijzen voormoet worden betaald. Om daar woningen te krijgen, is gemeentebeleidnooddzakelijk. In de tweede plaats moet er stedebouwkundige kwaliteit in debuitenruimte worden gestoken. Een gebied moet niet het autoverkeerbevoorrechten, maar altijd plaats geven aan voetgangers.’
Een van de architecten die zich tegen de Ciam-richtlijnen en hetfunctionalisme kantte, was Aldo van Eyck. Met Bakema en Hertzberger bracht hijrond 1960 in het tijdschrift Forum de zogeheten Andere Gedachte naarbuiten.Als jonge generatie vormden zij samen Team Ten. De sleutelbegrippen in hunverzet: menselijkheid en herbergzaamheid. Van Eyck pleitte voor eenniet-hie"rarchische, anarchistische mentaliteit, waarin ruimte was voor eenverzameling van plekken en een aaneenschakeling van verschillende elementen.Hoofdthema in zijn werk is de meerduidigheid: eenheid in veelheid, veelheid ineenheid. Het is dan ook ironisch dat het symbool van zijn verzet, het beginjaren zestig gebouwde Burgerweeshuis aan het IJsbaanpad, eenzaam aan eenrafelrand van de stad ligt. De Amstelveenseweg raast er langs richtingsnelweg, ernaast liggen de Sporthallen Zuid en nieuwe kantoorgebouwen, hetdoor hemzelf ontworpen Tripolis. Naast de lage geschakelde afdelingen van hetweeshuis met bolvormige kleiachtige daken staan aldus drie in hoogtevarie"rende kantoorgebouwen als de blaadjes van een klaverblad rond eenglooiende binnenplaats. Is het weeshuis gebouwd in ruige materialen, Tripolisbestaat vooral uit glas en een lichtvoetig, kleurrijk geraamte.
Ondanks de wonderlijke eilandpositie van de gebouwen weet Van Eyck eenruimtelijke uitstraling te creeren. Dijkstra: 'Het is een projectmet een verhaal, met een mentaliteit. Voor het weeshuis heeft hij destijds eenortogonale structuur gekozen; zijn latere werk heeft steeds meer patronen van kransen en cirkels. Het is duidelijk dat Van Eyck een gebouw een milieu om zich heen wil geven.’
SOMS RAFELT HET TOT diep in het centrum. In dezelfde tijd als de aanbouw van de zonnige, lichte tuinsteden werd een forse verkeersader door de stadskern gepland. De Wibautstraat werd aangelegd, en de Weesperstraat, oorspronkelijk net als de Utrechtsestraat een vriendelijke winkelstraat, gesloopt. De autobaan zou aanvankelijk doorlopen tot het Centraal Station, maar protest in de jaren zestig verhinderde dat op het nippertje. Ondanks de bebouwing, of beter: dank zij de bebouwing, heeft de weg de allure van braakliggend terrein. 'De gebouwen zijn allemaal losse objecten’, becommentarieert Dijkstra. 'Het is een ratjetoe van oude en nieuwe woningen, de kantoorgebouwen van Het Parool en de Volkskrant. En dan dat ellendige strookje groen! Hoed je voor zulk groen, als dat er zo armetierig bij ligt, wijst het op slechte stedebouw. Aan deze straten komen de rafels van stadsgebieden samen.’
Aan de Wibautstraat en de Weesperzijde staan bovendien gruwelijke staaltjes van architectuur. Rem Koolhaas gebruikte ooit het beeld van de helikopter: sommige gebouwen zien er niet uit alsof ze zijn gebouwd, maar alsof ze ’s nachts als een helikopter heimelijk zijn neergestreken. Zo staat bij het Amstelstation een 'vreselijk’ gebouw van Coopers & Lybrand. En zo staat op het knooppunt van de Weesperstraat met de Sarphatistraat en de Mauritskade naast het niet zo sympathieke maar robuuste belastinggebouw van Friedhoff en vlak bij een elegant stalen ziekenhuisje van J. F. Staal 'het toppunt van verschrikkelijkheid’: Sarphati Plaza. Dijkstra, vernietigend: 'De verschillende materialen van het lagere gebouw en de hogere toren erachter, het marmer en baksteen, komen armetierig bij elkaar. Dan die vreselijke spiegelglazen. De gevelcompositie straalt een en al onbeholpenheid uit.’
Iets verder richting centrum, aan de overkant, staat de Weesper Arcade - de trendy Italiaanse namen zijn eigenlijk al veelzeggend -, een oud gebouw waar later een marmeren bekleding tegenaan is geplakt. Dijkstra: 'Bekleed met goedkopige poenerigheid. Opgepoetste commercie. Zo wordt de hele wereld, als we ons niet wapenen.’
Het enige wat zijn goedkeuring kan wegdragen, is het complex van Rudy Uytenhaak uit 1992: gecombineerde woningen, winkels en kantoren tussen de Prinsen- en Keizersgracht. De gevels aan de Weesperstraat geven een gefragmenteerd beeld - twee donkere uitspringende vlakken aan weerszijden, in het midden lichtere flatbouw - maar vormen toch een eenheid. Dijkstra: 'Groot voordeel: hij heeft gelukkig geen poging tot historisering gedaan. Qua compositie is het gebouw heel mooi en het past heel goed in het profiel van de straat.’
DE ARCHITECT HEEFT tegenwoordig sowieso steeds meer met een bebouwde omgeving te maken. De mogelijkheden tot uitbreiding, de breukzones liggen steeds vaker in de bewoonde stad. Wie krijgt nu nog, in Nederland, of preciezer: in Amsterdam, de kans in een weiland te bouwen? 'Architecten moeten in toenemende mate ontwerpen vanuit een grote gevoeligheid voor de context’, concludeert Dijkstra. Geslaagde voorbeelden daarvan zijn de Rijksacademie van Beeldende Kunsten van Koen van Velsen aan de Sarphatistraat en de woningbouw bij de Oranje Nassaukazerne aan de Alexanderkade. Beide voltooid in 1992. Het gebouw van de Rijksacademie is gevestigd in een oude cavaleriekazerne. Van Velsen heeft in de ruime binnenplaats van het historische gebouw een stalen nieuwbouwconstructie geplaatst die met sierlijke loopbruggen in verbinding staat met de kazerne. Nieuwbouw en kazerne staan in een grote vanzelfsprekendheid bij elkaar. Achter de gerenoveerde Oranje Nassaukazerne zijn onder leiding van architectenbureau Pro zes woontorens gebouwd, alle ontworpen door verschillende buitenlandse architecten.
De laatste tijd is er, na vele magere jaren, onmiskenbaar een nieuw architectonisch elan. De jaren zeventig en tachtig stonden in het teken van de stadsvernieuwing, met het 'bouwen voor de buurt’ en het verzet tegen 'city-vorming’. 'De stadsvernieuwing was een heroisch project’, vindt Dijkstra achteraf. 'Als die niet had plaatsgevonden, zaten we nu met een verloedering die niet mooi meer was. En de bevolkingssamenstelling van Amsterdam is nu eenmaal zo dat er behoefte is aan een groot aantal woningen met lage huren. Dat die woningen niet allemaal even prachtig zijn, heeft ook met de financie"le armslag te maken. Het is wel zo dat architecten die periode argwanend werden bejegend. Op Volkshuisvesting, waar ik als rijksbouwmeester vaak kwam, heerste een architectvijandige stemming: die wilden alleen maar geld uitgeven. Nu is het klimaat veranderd. Architectuur is in. Dat merk je aan een aantal nieuwe projecten in Amsterdam.’
Zo gonst het aan de zuidwestkant van de stad, vlak achter het Slotervaartziekenhuis, alweer enige tijd van de bouwactiviteiten. Hier schiet tussen de Plesmanlaan en de Antwerpenbaan de wijk Nieuw-Sloten uit de grond. Wie zei dat er niet meer in weilanden wordt gebouwd? De nieuwe buurt heeft het karakter van een klassieke suburbia: veel eengezinswoningen met plaats voor de auto voor de deur. Omdat de grond kostbaar is, worden de huizen volgens de maximale stedelijke dichtheid neergezet. De tuintjes zijn kortom piepklein. Maar goed, de eengezinswoning is nog steeds de ultieme wens voor jong familiegeluk en als de gemeente de uittocht naar Almere en Purmerend wil keren, heeft zij weinig keus.
MAAR HET MOET gezegd: Nieuw-Sloten is met grote zorgvuldigheid gepland. Dijkstra: 'Er wordt veel zorg besteed aan het buitengebied en er worden goede architecten aangezocht. Daarbij is geprobeerd de buurt gemengd te houden: sociale huurwoningen naast koopwoningen te zetten.’
De wijk straalt nu al een immense tevredenheid uit. De architectuur van onder andere Lafour & Wijk en Uyterhaak is ingetogen maar divers. Veel lichte kleuren, weinig schreeuwerigheid. 'Nieuw-Sloten is inderdaad een voortzetting van de Berlage-traditie’, beaamt Dijkstra. 'Er is voor een duidelijke stedelijke structuur gekozen, de publieke ruimte wordt nadrukkelijk vormgegeven en de blokken van de verschillende architecten worden op elkaar afgestemd.’
HET RANDGEBIED waar de meeste bouwactiviteiten worden ontplooid, is ongetwijfeld de IJ-as: het gebied achter het Centraal Station waar de IJ-boulevard moet komen, het voormalig abattoirterrein waar bedrijven en woningen zijn gebouwd, de entrepothaven waar sociale woningbouw over het water slingert, en de oostelijke eilanden. In het Oostelijk Havengebied wordt gewerkt aan een architectuurwoonwijk die moet kunnen wedijveren met Berlage’s Plan Zuid.
Het verlaten KNSM-eiland - ooit eigendom van de Koninklijke Nederlandse Stoombootmaatschappij - was tijdenlang in bezit genomen door kunstenaars en andere stadsnomaden. De havenbedrijven waren al in de jaren zestig verdwenen omdat de ondiepe oostelijke haven ongeschikt was voor de naoorlogse containerschepen. De krakers van het schiereiland namen, toen ze lucht hadden gekregen van gemeentelijke plannen om het water te dempen, de oude panden te slopen en betonnen rijbanen aan te leggen, zelf een architectenbureau in de arm. Hun voorstel haalde het niet, maar de gemeente stelde wel de eigen plannen bij: het oude haventerrein werd bestemd voor een 'stedelijke stadswijk’ met gestapelde bebouwing. Geen tuttige tuinstad, maar een buurt met een 'grootsteedse’ uitstraling. Architect Jo Coenen kreeg de opdracht een stedebouwkundigplan a la Berlage te ontwikkelen; verschillende architecten zouden een huizenblok voor hun rekening krijgen. Het oude kantinegebouw en de KNSM- en douaneloods konden blijven.
Inmiddels tekent zich een bijzonder stuk stad af. De kolossale gebouwen die de Duitse architect Kollhoff en de Belgische architect Bruno Albert ontwierpen, verwijzen nadrukkelijk naar de zware pakhuizen en havengebouwen die van oudsher aan de kades stonden. Het wooncomplex van Kollhoff ligt als een donkere dinosaurus aan het begin van het eiland. Daarachter ligt het rode bakstenen gebouw van Albert: een wat barokker blok om een rond plein gebouwd. Naast het KNSM-eiland ligt het Java-eiland gereed om te worden bebouwd. Daar zal zich een tweede grachtengordel ontrollen, met bruggetjes en grachtenpandjes en al.
Dijkstra: 'Het is hier geen binnenstad, het gebied is immers nooit bedoeld om te wonen. Je moet daar, lijkt me, niet op een te kleine, petieterige manier bouwen. Ik houd dan ook mijn hart vast voor de aangelegde grachtjes, dat zweemt toch wat naar Almere. De trotse, stevige architectuur waar op het KNSM-eiland voor is gekozen spreekt meer tot mijn verbeelding.’
'Het gaat erom’, vervolgt Dijkstra filosofisch, 'dat bij iedere opgave naar de essentie wordt gezocht, dat de bebouwing een vanzelfsprekendheid uitstraalt. Als je nagaat dat het Plan Zuid twintig jaar lang trouw is gevolgd. We leven nu in tijd dat, ook wat architectuur betreft, de ideologiee"n niet zo lang meegaan. Alle gevechten zijn geleverd, alles kan. Er heerst een soort fin-de-siecle-sfeer, met alle gevaren vandien. In de architectuur is dat altijd wel zo geweest, hebben altijd verschillende stijlen naast elkaar bestaan, maar in de stedenbouw zou dat anders moeten zijn.’