Honderd agenten tegen tien sandwiches

De ramadanvreters

Als een paar jonge Marokkanen een symbolische picknick organiseren tijdens de vastenmaand worden ze opgepakt door de politie. ‘Een agent zei dat we hen dankbaar moesten zijn, dat de islamisten anders gehakt van ons zouden maken.’

IN EEN ANDER LAND gelden andere regels en andere gewoonten. Sommige daarvan liggen aan de oppervlakte en zullen de buitenlander onmiddellijk opvallen. Andere zijn beter verborgen en laten zich met moeite ontdekken, soms pas na jaren. Maar er is ook nog een derde categorie, en dat zijn de regels en gewoonten die er niet gelden.
Zo is er in Marokko geen regel die zegt dat het onbehoorlijk is om vrouwen op straat lastig te vallen. Mannen doen dat dan ook naar hartelust, iets dat zich eenvoudig laat vaststellen. Ik ken vrouwen die beweren dat je in Marokko niet alleen op straat kunt lopen, en die voor zelfs de kortste afstanden een taxi nemen.
De 22-jarige Nederlands-Marokkaanse Touria, geboren en getogen in Amsterdam, kwam een paar maanden naar Rabat om haar Arabisch bij te spijkeren. Ze begreep niet dat mannen haar maar op straat bleven aanspreken. Ze droeg toch een hoofddoek? Dan was het toch duidelijk dat ze ‘serieus’ was? Hier toont Touria zich op en top Nederlands, westers, on-Marokkaans. Voor Touria is het óf óf, niet én én. Men kan niet én een hoofddoek dragen én zich op straat door vreemde mannen laten aanspreken. De ene identiteit, kuis, sluit de andere, losbandig, uit.
De Marokkaan denkt anders. Identiteit is voor hem of haar flou, zoals de Fransen zeggen, iets vaags, afhankelijk van omstandigheden. Tegenstellingen die zich voor de Nederlander moeilijk in één persoon laten verenigen, gaan voor de Marokkaan probleemloos samen. Die zal er bijvoorbeeld niet van opkijken als de politieman hem twintig dirham uit de zak klopt voor een verkeersovertreding die hij nooit heeft begaan. Sterker, de Marokkaan verwacht niet anders. Dat het meisje dat een hoofddoek draagt ook nog een keer vrouw is, ook dat heeft de ervaring hem geleerd.
De Marokkaan gaat ervan uit dat de ander in principe een oplichter is, een bedrieger, een kwelleb, zoals men dat hier noemt. Tenminste, zolang het tegendeel niet is bewezen. In Nederland geven we de ander doorgaans het voordeel van de twijfel (tenminste, dat denken we) en voelen we ons bedrogen als die ander zich later als kwelleb blijkt te ontpoppen.
Het is nobel dat Nederlanders van zichzelf denken dat ze de mens die ze niet kennen niet a priori voor een kwelleb houden. Maar voor de Marokkaanse blik - zo wantrouwend en achterdochtig - valt ook wat te zeggen. Mensen zijn niet consequent. Ze liegen en bedriegen. En toch wil ik niet beweren dat de Marokkaan realistischer is dan de Nederlander. Hij gelooft domweg in een andere fictie. Cultuur is de verzameling mythes waarin een samenleving toevallig gelooft.

IN MAROKKO is veel vaak net iets ingewikkelder dan het op het eerste gezicht lijkt. Hoe vreemd het misschien klinkt, er is hier geen regel die het de moslim verbiedt te eten tijdens de ramadan. Er is daarentegen wél een regel - een wet zelfs - die zegt dat áls je dan eet tijdens de ramadan, je dat niet van de daken schreeuwt. Het is typisch Marokko. Er zijn honderdduizenden Marokkanen die tijdens de ramadan eten, de 'ramadanvreters’. Maar ze doen dat niet, nooit, in het openbaar.
Openlijk eten of drinken tijdens de ramadan is vragen om problemen. Ieder jaar kom je in Marokkaanse kranten tijdens de ramadan koppen als de volgende tegen: 'Man gemolesteerd in Fès’. Uit het bericht blijkt dat het hier een onvoorzichtige ramadanvreter betreft, een vijftigjarige ambtenaar, die midden op straat een slok water had gedronken. Omstanders meenden dat de man het best nog even vol had kunnen houden, hij was volgens hen 'nog lang niet aan het eind van zijn Latijn’. De afgeranselde ramadanvreter werd bij het politiebureau afgeleverd, en daar door ijverige dienders ook maar meteen opgesloten. Pas uren later kwam hij weer vrij: familieleden hadden de politie inmiddels een medische verklaring kunnen tonen waaruit bleek dat hij suikerziekte had. Zieken zijn vrijgesteld van de verplichting te vasten.
Dit incident laat zien hoe diep de Marokkaanse aversie jegens ramadanvreters zit. Een oekèl rem'daan is niet zomaar een slappeling die het vasten niet langer volhoudt, voor wie je hooguit minachting kunt voelen. Het is veel erger. Een ramadanvreter is iemand die zichzelf buiten de gemeenschap plaatst, een provocateur die de heilige waarden van die gemeenschap met voeten treedt. Een ramadanvreter ondermijnt de sociale orde. Zineb el Rhazoui zegt het zo: 'Een oekèl rem'daan is voor veel Marokkanen niets minder dan de duivel in eigen persoon.’
Zineb kan het weten. Want zondag 13 september 2009, een week voor het eind van de vastenmaand, besloot deze 27-jarige Marokkaanse die duivel willens en wetens te incarneren.
ZO OP HET OOG heeft Zineb alles van de jonge elegante Parisienne. Maar achter die verfijning gaat een strijdlustige, temperamentvolle vrouw schuil. Als dochter van een Franse moeder en een Marokkaanse vader groeide ze op in Marokko, maar volgde haar studie in Parijs, iets als 'sociologie van de religie’. Ze gaf twee jaar les aan de Université Française d'Egypte, niet ver van Cairo. Daarna, in 2007, keerde ze terug naar Marokko, waar ze als journaliste voor het onafhankelijke Franstalige Le Journal Hebdomadaire ging werken, een van de prominentste weekbladen van het land.
Zineb is drietalig, ze spreekt vlekkeloos Marokkaans-Arabisch, Standaard-Arabisch en Frans. Haar Frans, de taal waarin ik met haar spreek, klinkt licht geaffecteerd, en je zou daaruit kunnen afleiden dat Zineb een elitaire jonge vrouw is, die er om die reden meer westerse normen op nahoudt dan de meeste Marokkanen. Maar zelf beweert Zineb dat haar familie niet rijk genoeg is om tot de elite te behoren: 'Ik heb nooit op dure privé-scholen gezeten.’
Ik spreek haar in Casablanca, waar ze een stijlvol appartement uit de koloniale tijd bewoont: grote ramen en hoge plafonds in ruime kamers. 'Het is van een vriend, ik mag hier voorlopig zitten. Ik zou zelf de huur van zo'n appartement nooit kunnen betalen.’ Sinds de ramadanaffaire zijn ruim twee maanden verstreken. Wie is die vrouw die deed - of preciezer: wilde doen - wat vóór haar in Marokko niemand ooit eerder had gedaan: de vasten demonstratief verbreken, en plein public? Zineb, strijdlustig: 'Ik heb nooit meegedaan aan de ramadan, zal het nooit doen en zal ook nooit accepteren dat men mij verplicht eraan mee te doen of alleen al de schijn op te houden dát ik eraan meedoe.’
Zineb heeft principes. Ze weigert te worden gedwongen stiekem te eten. En dus kondigde ze op Facebook aan op die bewuste zondag 13 september, in de derde week van de vastenmaand, in een bos aan de rand van de stad Mohammedia - tussen Casablanca en Rabat - te gaan picknicken, met een klein groepje gelijkgestemden.
Picknicken in een bos tijdens de vastenmaand zou de eerste actie worden van MALI, de door Zineb en haar 34-jarige vriendin Ibtissam Lachgar, kinderpsychiater, opgerichte Mouvement Alternatif des Libertés Individuelles. 'We hebben het mouvement genoemd, beweging, omdat we geen organisatie zijn’, legt Zineb uit. 'We hebben geen budget, geen organogram, geen leider, niets. MALI is feitelijk niet meer dan een pagina op Facebook.’
Zineb mag dan vinden dat er geen leider is, zij is het die doorgaans optreedt als woordvoerster van MALI. Die niet moe wordt uit te leggen dat MALI opkomt voor dingen die voor de meeste westerlingen inmiddels heel normaal zijn, zoals het recht van ieder individu op een eigen leven, gebaseerd op persoonlijke keuzes. In dit islamitische land is niet alleen iedere baby die uit islamitische ouders wordt geboren automatisch ook moslim, maar word je ook geacht dat daadwerkelijk te zijn.
Dat betekent dat als je géén praktiserende moslim bent je dat beter niet kunt laten merken. Zineb: 'De individuele vrijheid van Marokkanen wordt dagelijks geweld aangedaan, in het klein en in het groot. Daar wilden we wat aan doen, en de maand ramadan bood ons de gelegenheid bij uitstek, want dat is in Marokko een maand van een soort totaalfascisme. Je mag niks meer, overdag niet eten, ’s avonds mag ik m'n glas wijn niet meer drinken, en als ik met blote schouders de deur uit loop, voelen mannen die ik niet eens ken zich gerechtigd naar me te schreeuwen dat ik iets aan moet trekken. De mensen lopen hier werkelijk het risico op straat te worden gelyncht als ze het wagen een stuk brood te eten.’
Tegen dat 'totaalfascisme’ wilde MALI op speelse wijze protesteren, met de picknick. Zineb, lachend: 'Je zou het de coming out van de ramadanvreters kunnen noemen.’
Het is moeilijk te zeggen hoeveel er daarvan precies zijn in Marokko, juist omdat zo velen er niet openlijk voor uitkomen. Zineb: 'Er zijn er ontzettend veel. Maar wat doet het ertoe of het er tien zijn of tien miljoen? Feit is dat we bestaan, en het recht hebben te bestaan.’ Niet toevallig betekent mali? in het Marokkaans-Arabisch: 'Wat is er (mis) met mij? Wat verwijt je mij?’
Nu wilde MALI met de picknick niet alleen protesteren tegen sociale dwang. Men had ook artikel 222 van het Wetboek van Strafrecht op het oog, dat stelt dat zij die 'notoir bekendstaan als behorend tot de islamitische religie’, en die de vasten 'ostentatief’ in het openbaar verbreken, daarvoor zes maanden gevangenisstraf kunnen krijgen. Dit wetsartikel achtte MALI in strijd met het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, dat ook door Marokko is geratificeerd, en dat in artikel 18 eenieder het recht verleent op 'vrijheid van denken, geweten en godsdienst’. En daarmee werd de voorgenomen 'symbolische picknick’ ook een betoging met een politiek karakter: het schrappen van artikel 222.

OP MAANDAG 23 augustus 2009, aan het begin van de ramadan, creëren Zineb el Rhazoui en haar vriendin Ibtissam Lachgar de pagina 'MALI’ op Facebook. Ze leggen daar uit dat ze zich met ludieke acties hard willen maken voor een aantal individuele vrijheden. Al een dag later kondigen Zineb en Ibtissam op Facebook een pique-nique symbolique aan. Iedereen is welkom, ook degenen die wél vasten (maar die ook vinden dat iedereen de vrijheid moet hebben dit voor zichzelf te beslissen). Verzamelen zondagmiddag om één uur op het station van Mohammedia.
Met opzet kiezen Zineb en Ibtissam een relatief geïsoleerde plek, niet alleen omdat ze donders goed weten hoe gevoelig de zaak in Marokko ligt, ook omdat ze zich juridisch wat speelruimte willen verschaffen. Artikel 222 spreekt immers van 'de vasten ostentatief verbreken’. Hoe ostentatief is het als men dat aan de rand van een stil bos doet?
Het duurt niet lang eer de eerste reacties binnenstromen en er op Facebook een debat ontstaat. Dat wordt minder wellevend naarmate de bewuste zondag de dertiende dichterbij komt; beledigingen en bedreigingen steken de kop op. Ná die zondag zal het nog veel erger worden: buiten de talloze steunbetuigingen die de MALI-leden ook krijgen, worden ze overstelpt met religieuze vervloekingen en doodsbedreigingen als 'we weten hoe jullie eruitzien, we snijden jullie de keel door’.
Die zondag de dertiende blijkt zich al om twaalf uur ’s middags een indrukwekkende politiemacht op en rondom het station van Mohammedia te hebben verzameld. Een dertigtal gendarmes houdt de perrons in de gaten, en op het stationsplein bevindt zich nog twee keer zo veel politie. Er zijn gewone agenten, er is gemotoriseerde politie, politie te paard, en ook de geheime dienst is aanwezig, in burger maar daarom niet minder opvallend. Voor de zekerheid is er ook een klein detachement forces auxiliaires, hulptroepen, een onderdeel van het leger, naar de plaats des onheils gestuurd.
De MALI-kerngroep, zij die hebben toegezegd te komen, bestaat uit zes leden, van wie de meesten elkaar kennen. De 21-jarige Rhassan is ruim een uur te vroeg ter plekke en kan zijn ogen niet geloven. Is dit allemaal voor hen? Voor een paar mensen die in een bos een broodje willen eten? Hij belt Zineb, die even daarvoor in Casablanca in de trein is gestapt, samen met Aziz, een collega van Le Journal Hebdomadaire. Zineb, twee maanden later: 'Ik dacht ook: dat kan niet voor ons zijn. Zo gevaarlijk zijn we toch niet? Ik had wel op politie gerekend, maar zo'n enorme macht?’
Bij het uitstappen ontmoeten Zineb en Aziz een MALI-lid waar ze tot nog toe alleen 'virtueel contact’ mee hadden, Nizar uit Marrakesj. Terwijl ze van het station weglopen worden ze aangehouden. De agenten willen hun carte nationale zien, en vragen Zineb en de anderen wat ze hier komen doen. Ze worden gesommeerd in een taxi te stappen, die ze terugbrengt naar het station.
Daar ontmoeten ze Ibtissam en Abderrahim, juist uit Rabat aangekomen. Inmiddels is ook heel wat pers komen opdagen, onder meer een journaliste van het Franstalige onafhankelijke weekblad TelQuel, en paar Spaanse journalisten en een journalist van al Massae (De Avond) de grootste Arabischtalige krant van Marokko, nogal conservatief en populistisch van signatuur.
Op het perron moeten alle MALI'ers zich opnieuw identificeren, ze worden gefouilleerd, worden gesommeerd hun rugzak open te maken, en moeten aan de politie uitleggen wat ze met de sandwiches daarin willen gaan doen. 'Waarom eten jullie niet gewoon thuis, misschepsels’, kan een enkele politieman niet nalaten ze toe te voegen. Het is met al die verslaggevers en de menigte fotografen op het perron alsof Brad Pitt en Angelina Jolie hier juist uit de trein zijn gestapt.
Om twee uur arriveert de trein naar Casablanca op het perron. Het zestal MALI-leden wordt door de politie gedwongen in te stappen. 'Hier wordt gevast, jullie worden door de mensen gelyncht als jullie hier blijven!’ Min of meer omsingeld door de politie krijgen ze niet de mogelijkheid te zien wie er nog meer op de oproep zijn afgekomen.
DIEZELFDE zondagavond komt de Spaanse krant El Mundo met een verslag van de 'mislukte picknick’ onder de memorabele kop 'Marokko: honderd politiemannen tegen tien sandwiches’. Het is de opmaat van een lawine aan publiciteit: geen Marokkaans medium dat het incident níet vermeldt. Het officiële Marokkaanse persbureau Maghreb Arabe Press, alom gezien als spreekbuis van het regime, blijft niet achter. In een op maandagavond verspreide dépeche laat de MAP weten dat 'een poging de vasten te breken in Mohammedia’ met succes door de plaatselijke autoriteiten is voorkomen. In het bericht wordt Zineb el Rhazoui als 'instigatrice van de beweging’ met naam en toenaam genoemd. Voor het persbureau is MALI 'een onbekende organisatie’, en moet de actie van zondag zijn 'ondersteund door buitenlanders alsmede bepaalde buitenlandse persorganen’ - de oude complottheorie, die in Marokko nog altijd graag uit de kast wordt gehaald, en die verraadt hoezeer het land nog de reflexen van een politiestaat heeft. Het verraadt tevens hoezeer het voor velen nog ondenkbaar is dat een Marokkaan zo openlijk met de voorschriften en tradities van de ramadan zou kunnen breken.
Vooral de conservatieve Arabischtalige pers opent een soort heksenjacht. Vrijwel alle voorpagina’s van deze kranten en weekbladen tonen een foto van Zineb en Ibtissam op het perron van Mohammedia, omringd door andere MALI-leden, journalisten en politie, onder koppen als 'Ze zijn de onzen niet’, of 'De nieuwe apostelen van de fitna’ - fitna betekent zoiets als sociale onrust, morele chaos, wrijving. Zelfs de raadgever van de koning Mohammed Moâtassim acht het nodig in actie te komen en roept de leiders van de belangrijkste politieke partijen bijeen. Hij vraagt ze de picknick eensgezind 'luid en duidelijk’ te veroordelen, en de aan de grootste politieke partijen gelieerde kranten geven gretig gehoor aan zijn oproep.
In de media worden de wildste parallellen getrokken. Zo gooien verschillende kranten MALI op één hoop met 'de eisen van homoseksuelen’, met de Deense spotprenten, en zelfs met het Front Polisario, dat strijdt voor onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara, in Marokko een uiterst gevoelige kwestie. De strekking is duidelijk: het land, de integriteit van Marokko, is in gevaar. Zes jonge mensen die nooit de kans hebben gekregen hun broodjes op te eten, merken tot hun schrik dat ze in één klap nationale vijand nummer één zijn geworden.
Ze worden die week een voor een gearresteerd, Ibtissam, Aziz, Abderrahim, Rhassan, en Nizar, en van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat verhoord op het politiebureau van Mohammedia. ’s Nachts mogen ze naar huis, maar de volgende ochtend moeten ze zich weer melden, en beginnen de verhoren opnieuw. Alleen Zineb weet zich hieraan te ontrekken. Al op maandagavond - met die politie voor de deur, met de dépeche van de MAP, met het nieuws op 2M en RTM - lijkt het haar verstandiger niet thuis te blijven slapen. Ze duikt onder.
Dinsdagnacht belt Aziz haar om haar op de hoogte te stellen van zijn arrestatie die middag. Acht man hebben hem opgewacht voor de deur van zijn woning in Casablanca. 'Waar is het arrestatiebevel?’ vraagt Aziz. 'Hier heb je je arrestatiebevel’, krijgt hij als antwoord terwijl ze hem de handboeien omdoen. Hij wordt in een auto geduwd en meegenomen naar het politiebureau van Mohammedia, waar hij tot twee uur ’s nachts wordt verhoord. Als Zineb van hem verneemt welke beledigingen en vernederingen Aziz daar heeft moeten ondergaan, besluit ze ondergedoken te blijven.
Zineb: 'Ze hebben tegen ’m gezegd: jij vast niet, dus het is voor jou ook geen probleem als je vrouw met een andere man slaapt? Of: ga je ook met je moeder naar bed? Met andere woorden: als je niet in God gelooft, is alles mogelijk. Alsof je alleen maar niet met je vader of moeder naar bed zou willen omdat je bang bent in de hel te komen.’
Voor de zekerheid zet ze op haar schuiladres haar mobiele telefoon uit, om de politie niet te kans te geven het signaal te traceren. Tien dagen lang weet bijna niemand waar ze is. 'Ik wilde nadenken’, zegt ze twee maanden later. 'Maar ik vond ook dat ik niks verkeerds had gedaan. Sinds wanneer is een poging tot een picknick strafbaar? Ik heb niet meer gedaan dan opkomen voor een fundamenteel recht, waarover iedereen zou moeten beschikken, en ik had geen zin me als een crimineel op te laten pakken.’ Ze wilde bovendien voorkomen, zegt ze, dat het net zich sloot rondom de groep van zes. 'Nu kon ik via de mail in contact blijven met Human Rights Watch, Marokkaanse mensenrechtenorganisaties, advocaten en journalisten, en met Nizar in Marrakesj.’
ZINEB BESLUIT zich pas na de ramadan te melden, niet bij de politie maar bij de procureur-generaal van de rechtbank van Mohammedia. Ze wordt begeleid door een klein comité van prominente journalisten, advocaten en mensenrechtenactivisten. Het enige wat Zineb van de procureur wil weten is: 'Word ik vervolgd? En zo ja, waarvoor precies?’
Nee, zegt de procureur, vervolgd wordt ze niet, ze staat zelfs niet onder arrest, maar ze wordt wel geacht zich bij de politie van Mohammedia te vervoegen om daar te worden ondervraagd. Om haar heen zijn negen rechercheurs, uitgerust met blocnotes. Ze zal van vier uur ’s middags tot een uur ’s nachts worden verhoord en net als de anderen het verzoek krijgen de volgende dag terug te keren. Maar na die twee dagen zit het er voor haar op.
Zeker, ook Zineb krijgt te maken met de typische Marokkaanse paranoia. De politie wil precies weten waar zij die tien dagen is geweest, bij wie, of die vriend ook gewoon eet tijdens de ramadan. Een flic zegt dat ze de politie dankbaar moet zijn hen te hebben beschermd. 'Als wij daar niet op het station waren geweest, hadden de islamisten gehakt van jullie gemaakt, dat besef je toch wel? Als we werkelijk zulke klootzakken waren hadden we de islamisten hun gang laten gaan, dan waren jullie gelyncht. We hadden ze zelfs op jullie af kunnen sturen.’
Al maakt de dreigende toon indruk, van wat de man zegt is Zineb niet ondersteboven. 'Altijd maar die islamisten’, becommentarieert ze in haar flat in Casablanca. 'Dat is altijd het argument. Waar zijn ze dan? Ik heb ze nergens gezien, en ik zie ze nog steeds nergens. Ik kan gewoon mijn huis uit lopen en niemand die me wat aandoet.’
Tijdens de verhoren blijkt de intellectuele dimensie - de ideeën van MALI - sommige politiemannen aan te spreken. Een van hen vraagt door welke 'filosofen’ Zineb is beïnvloed. Zineb, tegen mij: 'Ik had geen zin met die man over filosofie te gaan praten, om elf uur ’s avonds, na zeven uur verhoor, dus ik zeg: Nietzsche. Ik zei maar wat. Die man heeft Nietzsche natuurlijk niet gelezen. Dus hij vraagt: en wie nog meer? Ik denk, wie ga ik nu noemen? Socrates is de eerste naam die me te binnen schiet. Die man knikt. Een andere man roept: en Rousseau? Ik zeg, nadenkend: neeuh… Die niet. Weer een ander zegt: en van de nu levende filosofen? Hoezo, zeg ik, wil je die soms ook arresteren? Ik werd zo triest van dat verhoor.’
Haar wordt gevraagd of ze de verantwoordelijkheid had voor de picknick, en die ontkent ze geenszins, maar ze weigert te erkennen dat ze er doelbewust op uit is geweest 'het moslimgeloof te ontwrichten’. 'Ik zei tegen die flic, dat kun je me niet in de schoenen schuiven. Als ik nu tegen je zeg, hier, neem een broodje, ben je dan onmiddellijk ontwricht, ga je dan meteen eten? Laten we wel redelijk blijven…’
De agenten blijven redelijk. 'Ik ben vrij netjes behandeld, niet beledigd zoals de anderen. En dat is eigenlijk jammer. Dat is de Marokkaanse realiteit: is men een Frans burger, op wie het Quai d'Orsay let, heeft men de buitenlandse pers achter zich, en internationale mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch, dan heb je hier het respect van de autoriteiten. Had ik dat allemaal niet gehad, dan was ik als oprichtster van MALI nog slechter dan een crimineel behandeld. Dat doet pijn in het hart.’

Dit is een ingekort hoofdstuk uit Kees Beekmans’ boek Tussen hoofddoek en string: De snelle modernisering van een Arabisch land, dat volgende week verschijnt (Nieuw Amsterdam, 240 blz., 17,95)

Bestel het boek in onze webwinkel