Essay over de ambivalenties na Enschede

De ramp, de rituelen

Het gebrek aan informatie, de ondoorzichtige beslissingen, de afwezigheid van emoties. Ambivalente mijmeringen naar aanleiding van de catastrofe in Enschede.

Op donderdag 18 mei, vijf dagen na de ramp, deelt burgemeester Mans van Enschede mee dat hij «alle verantwoordelijkheid» op zich neemt. Wat dat betekent is niet helemaal duidelijk, maar het klinkt goed, alsof hij reageert op de toenemende kritiek: de gemeente kan de definitieve lijst met vermisten niet produceren en zij weigert belangrijke documenten aan de pers te overleggen. Misschien betekent zijn opmerking dat hij zal opstappen als de onderzoekscommissie onder voormalig ombudsman Oosting pijnlijke conclusies trekt over de beroepsuitoefening van de stadsbestuurders, maar het kan ook een uitspraak zijn die retorisch gezien op het juiste moment komt, ongeacht de juridische waarde ervan.
Retoriek, manipulatie en werkelijkheid zijn weer eens moeilijk uit elkaar te houden, en het is een slechte week voor paranoïde journalisten. In het voordeel van Mans kun je opmerken dat hij tenminste af en toe zijn geduld verliest tijdens persconferenties, wat ongetwijfeld in strijd is met de adviezen die mediatrainers verstrekken, maar heel menselijk en spontaan. Je zoekt te midden van het verdriet en de verwarring, maar ook te midden van alle retoriek en rituelen naar een zuivere manier om de ramp van Enschede te doorgronden, maar geleidelijk begrijp je dat je ambivalente gevoelens geen bewijs zijn van onzuiverheid of gebrek aan inzicht. De ambivalentie is een reactie op de aard van deze ramp, op het vermeende gebrek aan informatie, op ondoorzichtige beslissingen, op de afwezigheid van emoties die je zou moeten hebben. Een ramp gaat ook altijd over degene die schrijft.

De week die volgt op een zonnige dertiende mei roept gemengde gevoelens op. Het begin van de rouwtekst die op woensdag in de kranten verschijnt, luidt: «Op 13 mei 2000 heeft een grote ramp onze stad getroffen. Een ramp die inktzwarte dagen aan de geschiedenis van Enschede toevoegt.» Kan een ramp tegenwoordig dagen «toevoegen»? Het zou niet mogen opvallen, er zijn immers slachtoffers gevallen, maar de antiretorische sensor is nu zo scherp afgesteld dat iedere regel drie, vier keer doorgelicht wordt op bijbetekenissen en dubbele agenda’s. De ambivalentie kan hier samenhangen met het feit dat de advertentie is ondertekend door potentiële medeschuldigen, maar het is ook mogelijk dat de ramp zo ver van je afstaat dat je een doorsnee krantenlezer blijft, of een harteloze persoon die helaas niet vanzelfsprekend binnen de groep valt die door premier Kok «het hele land» is genoemd en die naar zijn zeggen «diepbedroefd» is. Een ramp in eigen land verplicht je tot een fijnmazig medeleven, en wanneer dat deels uitblijft is dat jouw schuld, het gevolg van een onjuist wereldbeeld, dat meteen ook zou kunnen verklaren waarom de ambivalentie in de loop van de week omslaat in irritatie, een emotie die met de term «ambivalent» te goed beloond zou zijn. Waar irritatie is, wordt hooguit nog een gevecht geleverd tussen de aanvechting om vrijuit geïrriteerd te zijn en de gewetensvolle poging om mee te rouwen met de rest van het land, waar je tenslotte woont, waar je trouw meebetaalt aan de benzineaccijnzen.
Ik was geen moment bedroefd. Wel was ik onder de indruk van het «on-Nederlands » genoemde beeld van de dode bromfietseigenaar, die erbij lag als een neergeschoten rebel in een Afrikaans land (ook de lichtval was Afrikaans); ik was geschokt wanneer ik me voorstelde hoe Mike en Cynthia werden ingesloten door het vuur, samen met hun grootouders, en ik probeerde mee te leven met hun ouders; ik trachtte me voor de geest te halen hoe je leven zou veranderen door de aanblik van verkoolde lichamen, door het nieuws dat je vader bij de uitoefening van zijn vak is omgekomen. Toen ik het ongemeen boze stukje van Ephimenco in Trouw van 16 mei had gelezen, begreep ik wel dat er iets helemaal mis was met mij. Onze Fransman trekt een familieblik retorische en morele verontwaardiging open; hij beschuldigt de «runderen» van de overheid van het stunten met vuurwerk en hij komt met de verbazingwekkend originele observatie dat het «schandelijk» is om een vuurwerkdepot «midden in een woonwijk» te zetten. «En waarom», zo gaat hij op hoge toon voort, «heeft in deze tijd van openbare verontschuldiging geen enkele autoriteit zich voor deze misdadige stunt geëxcuseerd? Als ik in het getroffen gebied zou wonen, zou ík zeker niet op de door Kok beloofde onderzoekscommissie wachten, maar direct naar de rechter stappen. Als de runderen acht miljoen voor querulant Oltmans kunnen betalen, kunnen ze ook acht miljard voor weggeblazen burgers neertellen.»
Ephimenco werpt niet alleen de eerste steen, hij werpt ook de volgende 25 stenen - er lagen er immers genoeg. Dit was nog eens ferme taal, dacht ik na lezing en ik betreurde het dat ik zelf niet van die mooie, krachtige dingen had gezegd; ik werd me ervan bewust dat ik onmiddellijk op zoek moest naar de bronnen van mijn onverschilligheid, of moet ik zeggen, naar de kern van mijn weigering om reeds op de derde dag de schuldigen te willen aanwijzen teneinde het werk van de onderzoekscommissie te verlichten. Wanneer ik zo traag bleef, zou ik wel eens te laat kunnen zijn met mijn verontwaardiging, en dan was ik een journalist van nul en generlei waarde.


Misleidend retorisch schrijven is niet zo moeilijk, en het is al helemaal geen kunst om de vereiste en volmaakt risicoloze emoties ten toon te spreiden, zelfs al heb je ze echt. Bij het incident rond de omgekomen cameraman Marcel van Nieuwenhoven lag het voor de hand om te menen dat Reinier van Willigen een misdaad had begaan door te blijven fotograferen in plaats van zijn camera weg te smijten en Van Nieuwenhoven op zijn rug te nemen, ook al had Van Willigen zelf een slagaderlijke bloeding en een dubbelgebroken onderarm. Na lezing van diverse krantenknipsels met saillante details en geëmotioneerde commentaren was ik oprecht dankbaar dat ik geen Ephimenco-achtig stukje had geschreven over de hogere morele plichten van journalisten, want ik begreep dat ik niet de aangewezen persoon was om te oordelen over een situatie die zo extreem was dat niemand met zekerheid had kunnen zeggen wat hij zou hebben gedaan. «Maak dat je hier wegkomt», dacht Van Willigen onder meer. Was dat een criminele gedachte of was het domweg wat iemand in deze situatie denkt en doet? Wie heeft hier het recht om een vermanende wijsvinger te heffen? Ikzelf mocht eigenlijk al helemaal niet meepraten, want bij het bekijken van de beelden van Danny de Vries raakte ik licht geïrriteerd over het feit dat de camera na de zwaarste explosie, op het moment suprême, uit zijn handen viel, toen hij het huis achter hem werd ingeblazen. Dit was alweer geen nobele reactie, maar ik wilde precies zien wat er gebeurde, tot in de details. In latere montages waren de gekleurde blokjes overigens steevast verwijderd, hetgeen erop wees dat mijn compositorische smaak door televisiemakers min of meer werd gedeeld.
Ik voelde me schuldig over deze invasie van esthetische en al te persoonlijke argumenten in een domein dat zuiver ethisch had moeten zijn, maar dat was, is het enige verweer, wat zich nu eenmaal voordeed. De moeder van mijn kinderen ontsnapte in Enschede maar net aan een forse winkelruit die door de drukgolf naar buiten kwam, op enkele honderden meters van de explosie, en toen haar telefoontje tegen half vijf ’s middags me duidelijk maakte dat ze nog in leven was, maakte ik me niet meer zo druk over de andere slachtoffers; dat kwam pas toen ik ’s avonds de beelden van het deels uitgebrande Roombeek zag, een verwoesting die door Panorama later met Grozny werd vergeleken. Dat getuigde weer niet van veel maatgevoel, want er is met goed fatsoen geen vergelijking mogelijk tussen een vuurwerkramp en een systematisch vijandelijk bombardement, hoeveel begrip ik ook zou willen opbrengen voor Neerlands geestelijke kleinschaligheid en haar onvermogen om rampen eindelijk eens in hun proporties te zien.


Wat voel je tijdens een ramp, en vooral tijdens de nasleep ervan? Waarom kun je je ongemakkelijk voelen bij de publicitaire drukte rond deze zogenaamd on-Nederlandse ramp? Er zijn ook andere vergelijkingen mogelijk, moeilijk te onderdrukken vergelijkingen die voor een groeiende irritatie zorgden. Wat een spektakel hadden we gezien, wat een nationale opwinding over achttien, zeventien en vervolgens zestien doden, zestien te veel, maar toch niet meer dan zestien, en wat een emoties rond het verlies van een paar honderd huizen; vóór de rampweek waren we vergeten hoe belangrijk het is om een huis te hebben en hoe verschrikkelijk het kennelijk is om niet te mogen kijken of het nog bestaat; de vreugde over behoud van het vege lijf bleek van beperkte duur. Het Nederlandse leed werd uitgesmeerd over talloze televisieuitzendingen, en vrijdag op hyperbolische wijze samengevat door premier Kok (kan het dan nooit eens werkelijk sober?), in aanwezigheid van de kroonprins, die zich even had kunnen vrijmaken van zijn kwijnende grootvader, die zaterdag alweer de krant kon lezen. Waarin school de rechtvaardiging voor deze vloedgolf van aandacht, in aanmerking genomen dat we ons nooit verzameld hebben om die zevenduizend dode Moslims van Srebrenica massaal te herdenken in wier sterven wij, om het voorzichtig te zeggen, een zekere rol hebben gespeeld? Waarin schuilt de rechtvaardiging, voor zover we daarnaar op zoek moeten? Kennelijk leggen wij ons neer bij de constatering dat wij geprogrammeerd zijn - een culturele vorm van inclusive fitness, zouden de sociobiologen dat noemen - om nabije rampspoed belangrijker te vinden dan wat zich verderop in de wereld afspeelt. Dit gedrag is niet specifiek Nederlands, maar het blijft nuttig om van tijd tot tijd op het verschijnsel te wijzen. De Nederlander celebreert zijn rampen tot op het niveau waarop het narcistische vormen begint aan te nemen.
De rouwtocht op vrijdag maakte veel indruk; er werd weinig gesproken, niemand lachte, er werd niet koket in de camera gekeken en er viel, wat de diepere motieven ook waren, een oprechte behoefte te bespeuren tot deelname aan een ritueel; het was ontroerend om te horen dat er ook Duitse brandweerlieden bij waren. Burgemeester Mans sprak in het Volkspark met trilvrije stem over het doorstane leed en de problemen die nog zouden komen, en hij bedankte de aanwezigen niet voor hun komst, waar hij gelijk in had, en het klonk alsof hij het meende. Het ritueel - de wandeling, de toespraken, de bloemenplaats - vormde het besluit van een week vol kleine en grote ergernissen, hele en halve leugens, wangedrag van sommige vermeende slachtoffers, foto’s die misschien niet op voorpagina’s van tijdschriften moesten, ontwijkende antwoorden van instanties, maar ook een week van collegialiteit, opofferingsgezindheid, hulpvaardigheid, moed, inschikkelijkheid, begrip - het hele scala van menselijke mogelijkheden, maar onder het vergrootglas gelegd.

Rituelen worden nog wel eens vereenzelvigd met inhoudsloze rituelen, maar een dergelijke gelijkschakeling wordt noch door de deelnemers, noch door de godsdienstfilosofen ondersteund. De rituelen waren deze week niet de grootste veroorzaker van gemengde gevoelens. Er ontbrak iets in de verslaggeving van de ramp; het leek alsof het diepste inzicht ontbrak, of niet onder woorden werd gebracht. De journalisten beten zich vast in de gebeurtenissen, in deze ramp, maar niet in het raadsel van rampen überhaupt; de lezer kreeg behoefte aan een rampenleer die het incident naar een zekere hoogte zou tillen - en dan wordt geen morele hoogte bedoeld.
Gesprekken over moraal zijn meestal tamelijk vermoeiend. Met een vaag ongeduld luisteren we naar pauselijke naturen die de moraal per strekkende meter aanleveren. Wanneer de praktijk zoals gebruikelijk afwijkt van het ideaal is het zinvol om die koppige werkelijkheid eens te bestuderen. De spelregels kunnen we dromen, maar de praktijk is weerbarstig, en dat is in een notendop ook het verhaal van de vuurwerkramp van Enschede. Er zijn in Nederland regels in overvloed, zoals een Belgische krant niet zonder leedvermaak vaststelde, maar ze worden niet altijd nagekomen en we hebben er geen benul van hoe vaak niet. Wat een ramp onthult, is de voortdurende, maar vaak onzichtbare chaos, de onvoorspelbaarheid van de wereld, het topje van de onzorgvuldigheidsberg. We hebben de onvoorspelbaarheid van de natuur min of meer aanvaard, maar de onreguleerbaarheid van mensen nog steeds niet helemaal. Wanneer we homo sapiens zelf als de grootste natuurramp zouden beschouwen, waren we meteen ook van die al te strenge tegenstelling tussen natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen verlost. Het verschil is, hoe cynisch dit ook mag klinken, tamelijk arbitrair, en dat we nog altijd denken dat we controle kunnen uitoefenen is van een ontroerende naïviteit. Het gedrag van mensen laat zich even moeilijk corrigeren als de koers van een wervelstorm, waarbij van wervelstormen tenminste nog kan worden gezegd dat ze ons nooit trachten wijs te maken «dat het voortaan niet meer zal gebeuren».
Paustovski herinnert zich in zijn memoires het relaas van een ingenieur die van mening is dat alle onheil voortkomt uit het feit dat mensen genoegen blijven nemen met half werk, uitgaande van het principe dat voldoende goed genoeg is. Deze vorm van slaperigheid, de slordigheid van alledag, deze pseudo-mystiek der persoonlijke tekortkoming, zorgt voor meer problemen dan het functioneren van instituties of het succesvol bijeensprokkelen van geldige vergunningen. Wanneer de mensen zich voorbeeldig en verantwoordelijk gedroegen, kon je vuurwerk opslaan in de kelder van een peuterspeelzaal.
Paustovski’s ingenieur heeft gelijk, maar de conclusies zijn moeilijk te vertalen in een remedie. Dat is geen wonder, want we zouden vanuit een zeer elementaire mensenkennis al moeten toegeven dat regels niet veel zullen uithalen. Henk Geveke schrijft in een voortreffelijke bijdrage op de Forum-pagina van de Volkskrant van woensdag 17 mei alvast hoe Oostings onderzoeksrapport eruit zal zien, inclusief de aanbevelingen die niet zullen worden opgevolgd. Geveke wil naar eigen zeggen niet cynisch klinken, dus weigert hij de conclusie te trekken waartoe zijn eigen materiaal hem in feite dwingt: mensen zullen altijd fouten maken; de enige hoop is om de wereld robuust in te richten, praktisch, de naleving van wetten streng gecontroleerd, met zware straffen op vergrijpen; de rest is religie, theologie, ritueel smeken dat deze beker aan onze deur voorbij zal gaan. Zelfs als de meerderheid van de burgers zich gewetensvol gedraagt, zal een ongezeglijke minderheid erin slagen zwaar haar stempel te drukken; de medewerkers van SE Fireworks hadden er, naar verluidt, geen moeite mee om valse etiketten op vuurwerkzendingen te plakken. Wat moeten we beginnen tegen nalatigheid? De wereld achter al die geduldige reglementen ziet er grimmig uit: ondeugdelijke tankers, beschonken piloten - near-misses larderen de annalen van vluchtleidingscentra. Mensen hebben meestal geen slechte bedoelingen; ze gedragen zich hooguit gemakzuchtig of inconsistent, of plotseling toch weer als regelneukers, maar dan op de verkeerde momenten.
Er is niets on-Nederlands aan rampen. Wanneer - het voorbeeld is hypothetisch - een groot warenhuis op de drukste zaterdagmiddag van het jaar tot de grond toe afbrandt, zal binnen enkele weken blijken dat de brandveiligheid van vele warenhuizen niet deugt. Je weet het eigenlijk al van tevoren; het is een kwestie van keuze op welk onderdeel van de nooit afwezige chaos je je wenst te richten. Wat onbegrijpelijk is, is niet zozeer dat er af en toe een ramp gebeurt, als wel dat er niet veel vaker rampen gebeuren. «Fouten zijn universeel», zou een bioloog ons minzaam uitleggen, «de hele evolutie draaide om kopieerfouten, mutaties geheten; zonder fouten zouden u en ik hier niet zijn om over fouten te filosoferen.»


Vanuit dit ietwat fatalistische perspectief is er, zoals je kon verwachten, vrijwel niet over de ramp gepraat. Vanaf de eerste dag stonden de kranten vol met wat je w él kon verwachten - de ooggetuigenverslagen, overzichtskaartjes, minutieuze verhandelingen over vuurwerk, verhalen over de Firma, foto’s van doden, een interview met iemand die zich zorgen maakte over zijn Japanse siervissen, een foto van een brandweerman-met-geredde-hond, het doorgroefde gelaat van koningin Beatrix, vergelijkingen met de Bijmerramp. «Het had nog erger kunnen zijn», zegt iemand uiteraard, en we lazen een profiel van de burgemeester wiens krachtdadige optreden «eerder een Friese dan Limburgse komaf» deed vermoeden (deze is alweer bijna te rijp voor het boek Vijfduizend kerngezonde misverstanden), gevolgd door een magnesiumverhaal dat krachtig herinnerde aan het El Al-uranium. Voor de tv gezeten konden we ons verbazen over de licht aanmatigende toon waarop gezagsdragers werden ondervraagd, alsof het publiek nederigheid van hen eiste, als voorschot op de vereffening van de schuldvraag. Technocraat en co-burgemeester Helder zag er overigens uit alsof hij wel twee ontploffingen had kunnen verdedigen, juist omdat hij zich nooit zichtbaar verdedigde. Er werd van alle kanten medeleven betuigd - Chirac, Schröder, China; Prodi vloog als een moderne Europeaan met de in sollicitanten zo gewaardeerde helicopter view over het rampgebied en het Duitse parlement zweeg een volle minuut. Er was meer medeleven dan we konden absorberen.
Het is verleidelijk om de reacties op de Enschedese ramp te beschouwen als een reusachtig ritueel, inclusief valse en echte sentimenten (nogmaals, wie zal oordelen?), een complex proces dat wordt voortgedreven door een beperkt aantal klassieke overtuigingen, het soort onuitgesproken waarheden dat vroeger nog wel eens werd opgespoord door Benjamin, Adorno en Horkheimer en waarvoor nu alleen nog Anton Zijderveld, Harry Kunneman en enkele te veel schrijvende columnisten ter beschikking staan. De rampperceptie is gegroepeerd rond enkele deels mythische overtuigingen, waarvan we er al een paar kort hebben aangeduid. Ze worden ter onmiddellijke doorlichting aangeboden aan filosofen en psychologen, in het kader van een intellectuele voor- en nazorg waarbij, zoals we in navolging van onze overheid zouden willen zeggen, het geld geen rol mag spelen. Zo moet er een «onafhankelijk, objectief en deskundig onderzoek» worden ingesteld naar de volgende overtuigingen: 1. rampen mogen niet gebeuren - er moeten dus altijd schuldigen worden aangewezen; 2. politici, overheden en voorlichters zijn niet te vertrouwen - «ze houden iets achter», «er is sprake van een complot» en talloze varianten hierop; 3. slachtoffers hebben altijd gelijk, ook wanneer ze onredelijk of veeleisend zijn - slachtofferschap verleent morele onaanraakbaarheid (wanneer je een nieuw huis aangeboden krijgt, maar het ligt net iets te ver weg van waar je vroeger woonde, dan mag je weigeren); 4. «zulke dingen» gebeuren niet in Nederland (deze onderzoeksvraag rechtvaardigt misschien zelfs de oprichting van een aparte faculteit); 5. de wereld is vaak te ingewikkeld voor kansberekeningen (hoewel vermoedelijk waar, moet deze bewering blijvend worden onderzocht; misschien verbetert de situatie onverwacht).
Tijdens de herdenking op vrijdag wordt er een mooi gedicht voorgelezen, waarvan twee regels opvallen door hun niet te overtreffen realisme: «en huil, want daar is reden voor/ en huil dan maar aan één stuk door.»