Herdenking watersnoodramp

De ramp van 2013

Het Crisis Onderzoeks Team van de Universiteit Leiden heeft deze week het boek ‹Getuige de ramp› gepubliceerd. Het team onderzoekt niet alleen de watersnood van 1953, maar schetst ook het perspectief van een toekomstige ramp.

Op maandag 4 februari 2013 regent het al dagen hard. De waterafvoer bij Lobith staat met 13.020 kubieke meter per seconde hoger dan bij de overstromingen van 1995. Voor de komende nacht voorspelt Rijkswaterstaat de hoogste stand tot uiteindelijk 14.532 kubieke meter per seconde. De autoriteiten in het rivierengebied bevinden zich in opperste staat van paraatheid. Meer dan vijfduizend mensen zijn uit de dorpen langs de Maas geëvacueerd. Rijkswaterstaat meldt dat de voornaamste waterpeilstijging te verwachten valt in de Waal, de Rijn en de IJssel. Ongeveer 350.000 mensen krijgen het advies ook te eva cueren. Het IJsselmeer stroomt vol via de IJssel. Hierdoor neemt de druk op de Noord-Hollandse dijken langs het IJsselmeer toe.

De stormvloedkering in de Hollandse IJssel wordt gesloten. Het water uit de Rijn en de Maas kan alleen via het Haringvliet en de Nieuwe Waterweg naar zee stromen. Maar omdat de storm ook het zeewater tot grote hoogten opstuwt, kan het water nergens heen. De autoriteiten besluiten de stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg niet te sluiten, omdat deze maatregel de waterstand in het benedenrivierengebied zeer sterk zou laten stijgen. Gevolg is wel dat het gebied rond de Nieuwe Waterweg niet beschermd is tegen de hoge waterstand van de zee. Om 23.00 uur stromen de eerste dijken over bij Rotterdam, Schiedam en Pernis. De burgemeester van Rotterdam besluit tot evacuatie van de diepe polders in de Maasstad.

Om 23.30 uur scheurt de dijkring bij Rotterdam. De stad overstroomt. Iets na middernacht breken de dijken bij Delfland en Schieland. Er zijn bijna geen overloopgebieden. Het water vindt ongehinderd zijn weg tot de laaggelegen delen van Delft, Den Haag en Leiden. Veel bewoners uit die steden proberen te vluchten naar de duinen, wat grote verkeersopstoppingen tot gevolg heeft. Alleen al door rondvliegend puin vinden tientallen mensen de dood in deze rampnacht. De hulpverlening wordt uitermate bemoeilijkt door het wassende water, omgevallen bomen en andere obstakels. Een groot deel van de stroom in Zuid-Holland valt uit. Artsen in ziekenhuizen moeten kritieke patiënten handmatig in leven houden.

Op dinsdag 5 februari 2013 worden ’s ochtends als noodoplossing schepen in stroomgaten gevaren. Na enkele dagen wordt duidelijk dat tenminste vierhonderd mensen zijn overleden. Ruim zestigduizend stuks vee hebben het leven gelaten. Delen van woonwijken zijn voor langere tijd onbewoonbaar verklaard en landbouw en veeteelt zal, vanwege de verzilte grond, voorlopig niet mogelijk zijn. Een groot deel van de Randstedelijke infrastructuur is verwoest.

Het rampenscenario dat het Crisis Onderzoeks Team (COT) van de Universiteit Leiden schetst, is gruwelijk, al is het getal van vierhonderd doden een schijntje vergeleken bij de 1836 die in 1953 te betreuren waren. Maar in hoeverre is een dergelijk scenario realistisch? Er is nu al kritiek op het doembeeld van het COT.

Harry Geurts en Günther Können, respectievelijk persvoorlichter en klimaatonderzoeker van het KNMI, menen dat de genoemde waterstanden bij Lobith te extreem zijn: «De eerstgenoemde waterstand van 13.020 kubieke meter per seconde is nooit voorgekomen. Daarom is de tweede genoemde stand van 14.532 wel erg onrealistisch. Bovendien is een toename van meer dan vijftienhonderd kubieke meter per seconde in een dag onvoorstelbaar.» Volgens de twee medewerkers van het KNMI had het COT er beter aan gedaan als het was uitgegaan van een eerder vertoonde beginstand van ongeveer 12.500 kubieke meter per seconde, om dat op te laten lopen naar rond de 13.500. «Dan was het scenario voorstelbaar geweest. Ook met die waterstanden zou er al een ernstige ramp kunnen plaatsvinden.»

Drs. Geesje Saeijs, samen met professor Uri Rosenthal auteur van Getuige de ramp, vindt dat deze opvatting blijk geeft van enige naïviteit: «Er wordt in Nederland nu al rekening gehouden met een ontwerpstand van zestienduizend kubieke meter per seconde. Dit komt doordat ontwerpstanden niet alleen meer worden gebaseerd op ervaringscijfers — de hoogst bekende waterstand — maar op een waarschijnlijkheidsbenadering — de hoogst mogelijke waterstand.»

Ir. Han Vrijling, hoogleraar civiele techniek van de Technische Universiteit Delft en gespe cialiseerd in water, acht het scenario wel «reëel». Maar het geschetste samenvallen van hoogwater in de rivieren en een stormvloed op de Noordzee noemt hij «uiterst onwaarschijnlijk». En als een dergelijke ramp toch optreedt, dan is het aantal doden te optimistisch. «Historisch gezien verdrinkt één procent van de getroffenen», aldus Vrijling. Deze redenering volgend zou de geschetste ramp enkele tienduizenden slachtoffers kunnen eisen, ervan uitgaande dat iedere inwoner van de Randstad potentieel in gevaar zou zijn. Saeijs weerspreekt de door Vrijling geuite onwaarschijnlijkheid: «Wij constateren steeds weer dat de deskundigen die op dit soort scenario’s reageren geneigd zijn uitsluitend te kijken naar hun afgebakende aandachtsveld. De betekenis van het scenario-2013 is gelegen in het combineren van twee dreigingen: stormvloed en hoge rivierafvoer. Dusdanig combinatoir denken is de kunst van scenarioanalyse. Vandaag de dag zien we steeds weer dat crises voortkomen uit onvoorstelbare combinaties. Wij crisisonderzoekers praten in toenemende mate over de steeds onvoorstelbaarder samenloop van omstandig heden. Dat is iets wat de technici nog moeten leren.» Bovendien vindt Saeijs dat het scenario nog aan de «veilige kant» is gehouden, omdat het de mogelijkheid tot «doelbewuste acties van mensen van de kwade wil» (terreur) buiten beschouwing laat.

De kans op een overstroming van de Randstad wordt nu geschat op eens in de tienduizend jaar. Vrijling denkt dat de kans kleiner is: «Pas aan het einde van de levensduur van de dijken wordt de kans van eens in de tienduizend jaar bereikt.» Overstromingen langs de grote rivieren in het binnenland kunnen frequenter voorkomen: eens in de 1250 jaar. Maar is dat een acceptabel risico? Volgens Vrijling zijn de burgers steeds minder geneigd dat risico te accepteren: «Men aanvaardt bijvoorbeeld, volgens de richtlijnen van het ministerie van VROM, slechts een kans van één op een miljoen op een ongeval met een chemische installatie.» Geesje Saeijs weigert kritiek op de normering van risico’s te aanvaarden: «Discussie hierover komt onder technici altijd pas aan de orde nadat een ramp heeft plaatsgevonden in plaats van ervoor.»

Het COT vraagt zich af in hoeverre we ons «te veilig» wanen. Hierbij refereert het aan de relatief gelukkige omstandigheid in 1953 dat het laag springtij betrof en de waterafvoer in de Rijn en de Maas ongekend laag was. Met andere woorden: de meest ongunstige situatie (hoog springtij en hoge waterafvoer) zorgt potentieel voor niet te voorziene gebeurtenissen. De kans hierop is niet groot. Maar als deze situatie zich toch voordoet, zijn de gevolgen veel extremer dan waar met de huidige maatregelen rekening mee wordt gehouden.

Geurts en Können van het KNMI weerleggen overigens de bewering van het COT over de «ongekend lage waterafvoer» in 1953. Volgens hen was de afvoer «wel aan de lage kant, maar zeker niet ongewoon laag». De geschetste extreme gebeurtenissen als de waterafvoer hoger was geweest, vallen volgens de meteorologen dus mee. Ook de achteraf berekende kans op een ramp als in 1953 (eens in de drieduizend jaar) verwijzen Geurts en Können naar het rijk der fabelen: volgens hen was die kans veeleer eens in de vijfhonderd jaar.

Het boek Getuige de ramp van het COT maakt nog meer kanttekeningen. Het COT stelt dat de wet van Murphy (als iets verkeerd kan gaan, zal het verkeerd gaan) toepasselijker is dan de kansberekeningen waarmee nu wordt gewerkt. Volgens Vrijling is de wet van Murphy «leuk voor bij de borrel», maar «als je zo denkt, durf je ook geen auto meer te rijden of in een lift te stappen of per vliegtuig te reizen of snel-eten uit de supermarkt te eten. De geschiedenis wijst uit dat techniek meestal wel aardig werkt.»

De kans op een ramp zoals beschreven in het rapport wordt volgens het COT niettemin steeds groter. De bodem zakt steeds verder. De aarde warmt op, waardoor de zeespiegel zal stijgen met enkele tientallen meters per eeuw. In dat geval zouden de huidige maatregelen op den duur ontoereikend zijn. De bodemdaling en de zeespiegelstijging versterken elkaar, zodat het overstromingsgevaar exponentieel groeit.

Het technologische vernuft waar Nederland zo prat op gaat — landaanwinning, inpoldering — keert zich zodoende alleen maar tegen zichzelf. Een verdere bodemdaling is spelen met vuur.

Vrijling onderkent dat: «Daarom zal het proces van het onderhouden en verhogen van de dijken in de toekomst versterkt moeten worden voortgezet.» Geurts en Können van het KNMI onderschrijven de effecten van zeespiegelstijging en bodemdaling, maar achten de genoemde cijfers «volstrekt bezijden de waarheid». De bewering dat de waterstand de afgelopen zeventien eeuwen met 120 meter is gestegen, vindt geen genade in de ogen van Geurts en Können: «Een zeespiegelstijging van 120 meter heeft hooguit in de afgelopen tweehonderd eeuwen plaatsgevonden. Daarom is de genoemde gemiddelde zeespiegelstijging van zeventig centimeter per eeuw ook niet in orde: dat moet ongeveer zes centimeter per eeuw zijn.» Klimaatonderzoeker Können: «De komende eeuw levert de uitzetting van zeewater meer stijging op dan het afsmelten van poolkappen en gletsjers.» Geesje Saeijs van het COT meent dat de berekening van het KNMI niet deugt: «Een eenvoudige rekensom leert dat zes centimeter per eeuw maal tweehonderd eeuwen twaalf meter is en geen 120 meter. Het getal van 120 meter is overigens nog exclusief de uitzetting van het zeewater.» Saeijs’ bewering dat het KNMI verkeerd rekent, is juist. De KNMI-berekening komt op zestig centimeter stijging per eeuw. Maar het COT maakt eveneens een rekenfout: een stijging van 120 meter in zeventien eeuwen zou geen zeventig centimeter per eeuw betekenen, maar zeven meter.

Het rampenscenario van het COT maakt verder gewag van het gebrek aan overloopgebieden. Deze strategie behelst het aanwijzen van polders die bij hoog water vol moeten lopen, zodat de druk op de rivieren zou afnemen. Volgens professor Vrijling heeft deze tactiek de toekomst. Maar hij snapt waarom de autoriteiten daar tot op heden huiverig voor zijn. «Water vasthouden in een overloopgebied staat snel gelijk aan wateroverlast. Bergen in waterpartijen is een goede oplossing, maar het kost veel schaarse ruimte in ons land dat met ruimte woekert. Daardoor was afvoeren door middel van malen tot nu toe op economische gronden favoriet.» Vrijling maakt echter een kanttekening als het gaat om overloopgebieden in de Randstad: «De bedreiging van de diepgelegen polders door de Noordzee en de grote rivieren is veel ernstiger dan elders in het land. In de Randstedelijke gebieden ontstaan bij doorbraak van de dijken overstromingen van meters diep. Door de grote diepte ontstaat veel schade en is er levensgevaar voor de bewoners. Het bergen van water helpt hier weinig, zeker bij overstroming door toedoen van de Noordzee.» Ook elders in het land zijn volgens de Delftse professor grotere overloopgebieden nodig dan nu gepland zijn. «De grootte moet die van de Betuwe zijn. De consequenties voor de ruimtelijke ordening zijn enorm.»