De rancune van de boekbespreker

Nelleke Noordervliet
Snijpunt
Augustus, 377 blz., € 20,-

Simon Vestdijk publiceerde in 1952 in de bundel Essays in duodecimo een uitermate geestig artikel over verschillende soorten literatuurrecensenten: Typen van Critici. Volgens hem laten boekbesprekers zich altijd sturen door allerlei vormen van rancune die de een beter dan de ander aan het oog weet te onttrekken. ‘Iedere critiek veronderstelt een behoefte aan wraakneming’, beweert Vestdijk en hij vindt dat op zich geen verkeerd uitgangspunt. Het is nu eenmaal het goed recht van een criticus een al te zwart beeld van een boek te geven, als zijn kritiek verder dan maar goed geschreven is, ‘indringend en intelligent en vol begrip en observatievermogen’. Hij onderscheidt vervolgens allerlei soorten critici. De welwillende criticus die de rancune heeft weten te onderdrukken, de bijterige die er de vrije teugel aan geeft, de bescheiden die niet meer goed durft te zeggen wat hij denkt, de conventionele die zich verzet tegen alles wat nieuw is, de lichtzinnige die zomaar uit stompzinnigheid een flutstukje schrijft, de zwaarwichtige die liever geen slechte kritieken schrijft en zich verbergt achter diepzinnigheden en de vermoeide criticus die vindt dat er te veel gedrukt wordt en dat lezen moeilijker is dan schrijven.

Hij eindigt met een typering van de criticus die ook scheppend werk maakt en ineens krijgt zijn artikel een persoonlijk tintje: Vestdijk schreef zelf kritieken, onder meer voor dit blad. Hij stelt fijntjes vast dat de evidente ‘welwillendheid’ van een dergelijk type vaak kan berusten op angst voor represailles van collega-schrijvers of van met hen bevriende critici. Ook vermoedt hij dat bij dit type ‘het (onvermijdelijke) ressentiment hier op uiterst listige, ja intrigante wijze van allerlei uitlaatkleppen is voorzien, die hun subtiele stoom in de critiek spuiten, hoogstens voor het oor van de ervaren lezer verneembaar’. Zulke critici zwaaien vaak ‘met wierookvaten, kolommen lang, en laten dan opeens die éne vleug pek en veren los, die volstrekt dodelijk is voor de betrokkene’. Mooi gezien! Kritieken schrijven kan je karakter bederven, stelt Vestdijk ten slotte bijna overbodig vast, al voegt hij daar geestig aan toe dat dit vaak voor de recensent niet meer nodig is.

Het is voor een criticus die zelf schrijft niet de bedoeling dat hij romans langs de meetlat legt van zijn eigen schrijfpraktijk. Je rancune is dan snel te doorzien als een al te doorzichtige vorm van eigenbelang en je kunt voortaan beter alleen nog lovende stukken over je eigen werk gaan schrijven. Toch is iedere bespreking van een criticus die zelf schrijft altijd ook een vorm van vergelijkend warenonderzoek. Wat kan of doet of gelooft deze schrijver wat ik niet kan of doe of geloof? Het is op z’n minst niet sjiek deze vraag al te letterlijk op te vatten en je eigen schrijfwerk er in een recensie bij te halen, maar soms is de verleiding groot.

Bijvoorbeeld na mijn lezing van Snijpunt, de nieuwe roman van Nelleke Noordervliet. Hoe moet ik een roman bespreken die in vrijwel alles haaks staat op mijn eigen ‘scheppend werk’? Rancuneus tekeergaan? Ik voel er niets voor, ik haal dan maar al te gemakkelijk mijn gelijk over de rug van iemand die zelf ook haar gelijk probeert te halen. Bovendien wil ik liever in mijn besprekingen geen gelijkhebber of betweter zijn, al valt dat vaak niet erg op. Voorzichtig en ‘welwillend’ de lof zwaaien dan maar en eindigen met een verwoestende hatelijkheid, de pek en de veren van Vestdijk, die meer over mij dan over haar werk zegt? Zinloos. Noordervliet werkt nu eenmaal, en ze doet dit al jaren succesvol en met veel overtuiging, volgens een literair systeem dat haaks op het mijne staat. Daar is weinig aan te doen, ik kan er wel over gaan zeuren en klagen, maar uiteindelijk heeft dat iets potsierlijks. Niet doen.

Spreekt hier nu toch mijn ‘ressentiment’? Ben ik jaloers op haar succes en haar overtuigingskracht? Het zou me niet verbazen. Of zijn deze gedachten alleen vermomde uitingen van mijn slechte karakter? Hoe het ook zij, deze schrijfster gelooft, ook in dit boek, hartstochtelijk in de mogelijkheid via een verhaal in te kunnen grijpen in maatschappelijke verhoudingen en verlangens. Er iets in te kunnen betekenen. Ze werkt met een uitvergroting van de menselijke samenleving, een melodramatische intensivering, niet met een toegespitste detaillering. Ik weet niet precies hoe ik dit ‘objectiever’ zou moeten zeggen dan ik het nu zeg. Haar personages zijn in deze roman, ook in eerder werk, vertegenwoordigers van groeperingen: de moslim, de vrouw uit de hogere middenklasse, de verwarde echtgenoot uit de lagere klasse, de verkeerde hippie, de goeroe, het opgroeiende meisje dat alles beter doorziet dan de volwassenen.

Niet omdat Noordervliet niet detaillerend kan schrijven, er zijn scènes in deze roman waarin ze het tegendeel demonstreert, maar ze wil het niet. Ze zet haar roman in scène binnen de entourage van de klassieke romankunst waarin een zoektocht het handvat van alles is en de stijl geen onderwerp maar vehikel van het getoonde schouwspel. Ze wil met haar romankunst iets verduidelijken, een opinie, iets van haarzelf weggeven: een maatschappelijk verlangen naar zuiverheid in de wereld, naar verbetering en verlichting. Ze gelooft dat ze een heviger effect bij lezers kan bewerkstelligen wanneer ze erin slaagt hen tijdelijk over te halen een wereld van scherpe contrasten en schematische verhoudingen binnen te gaan. Een wereld van scherpe hartstochten, van drama en melodrama waarbij pathetiek geen nadeel is of iets dat men uit de weg moet gaan, maar doelbewust, ik zeg dit er voor de zekerheid bij, een eerste voorwaarde. Snijpunt is een goed boek omdat Noordervliet de uitgangspunten van haar schrijfverlangen trouw blijft. Snijpunt is tegelijkertijd geen goed boek, niet omdat het een slecht boek is, maar omdat ik het er als schrijver geen moment mee eens ben.