Voorpublicatie uit de roman ‹Kosmopolis›,

De rand van gevallen lichamen

Samen dood en levend. Of deden ze maar alsof? Dit is een voorpublicatie uit ‹Kosmopolis›, de nieuwe roman van Don DeLillo, die op 26 april verschijnt.

Er kwam stoom uit een mangat door een lange blauwe pijp. Een heel gewoon gezicht, dacht Eric, maar mooi nu, met het vreemde, het onbegrijpelijke van iets wat je met nieuwe ogen ziet, stoom die opstijgt uit de stadsgrond, bijna spookachtig.

De wagen naderde Eleventh Avenue. Op de zuidoosthoek stond een oud fabriekspand met ateliers, tien verdiepingen, blokkerig, een laatmiddeleeuwse, brandgevaarlijke sweatshop. Er waren dichtgetimmerde ramen en steigerwerk, en de stoep was met planken afgezet. Er kwam een voertuig voor hen rijden, een mobiele snackbar, onwaarschijnlijk om deze tijd, een, twee, drie uur ’s nachts.

Toen sprongen er lampen aan, vlak voor hem, oplichtend met een knal en een sis, enorme schijnwerpers met booglampen die op statieven stonden en aan lantaarnpalen waren vastgemaakt. Er verscheen een vrouw in spijkerbroek die zwaaide dat de wagen moest stoppen. De kruising baadde in fel licht, de nacht was abrupt tot leven gekomen.

Mensen liepen kriskras over straat, naar elkaar roepend of in telefoons pratend, en chauffeurs losten apparatuur van lange trucks die aan beide kanten van de avenue geparkeerd stonden. Bij het tankstation aan de overkant van de straat stonden aanhangers. De man in het busje voor hen klapte de bovenste helft van zijn zijkant neer zodat de mobiele snackbar open was, en nu pas zag Eric de zware dolly, voorzien van een beweegbare arm, die langzaam naar zijn plaats rolde. Boven aan de arm zat een platform met daarop een filmcamera en een tweetal zittende mannen.

De kraan was niet het enige dat hij had gemist. Toen hij uitstapte en een plek vond waar hij langs de snackwagen heen kon kijken, zag hij de elementen van de scène die werd voorbereid.

Er lagen driehonderd blote mensen op straat. Ze vulden de kruising, lagen in willekeurige houdingen, sommige lichamen over andere heen hangend, andere gestrekt, plat op de grond, foetaal, met ook kinderen erbij. Niemand bewoog, niemand had de ogen open. Wat een schouwspel om op te stuiten, een stad van verdoofd vlees, de naaktheid, de felle lichten, zoveel lichamen onbeschermd en moeilijk te geloven op een plek van gewone menselijke passage.

Natuurlijk was er een context. Iemand maakte een film. Maar dat was slechts een referentiekader. De lichamen waren botte feiten, naakt op straat. Hun kracht was van henzelf, onafhankelijk van enige omstandigheid die met de gebeurtenis gepaard ging. Maar het was een merkwaardige kracht, vond hij, want het tafereel had ook iets schuchters en zwaks, leek wat in zichzelf gekeerd. Een vrouw hoestte met een ruk van het hoofd en een wip van de knie. Hij vroeg zich niet af of ze dood moesten zijn of slechts bewusteloos. Hij vond ze zowel treurig als gewaagd, en naakter dan ooit in hun leven.

Technici zigzagden door de groep met lichtmeters, stapten voorzichtig over hoofden heen en tussen gespreide benen door, noemden getallen in de nacht, en een vrouw met een lei stond klaar om de opname met een cijfer en een tik in gang te zetten. Eric liep naar de hoek en wrong zich tussen twee kromme planken de afgezette stoep op. Hij bleef binnen het kader van triplex staan, stof en specie inademend, en trok zijn kleren uit.

Hij tastte zich een weg door het duister, de hoek om, en drukte met zijn schouder tegen een plank tot hij een streep licht zag. Hij duwde langzaam, hoorde de plank over het asfalt schuren en schoof toen zijwaarts om het triplex heen en stapte de straat op. Na tien babypasjes was hij bij het begin van de kruising en de rand van gevallen lichamen.

Hij ging tussen hen in liggen. Hij voelde de variatie in de structuur van het wegdek, dotten kauwgum die door tientallen jaren verkeer waren samengeperst. Hij rook de gronddampen, de gelekte olie en het slippende rubber, zomers van heet teer. Hij lag op zijn rug, hoofd opzijgedraaid, arm gebogen op borst. Zijn lichaam voelde dom daar, parelend schuim van dierlijk vet in een of andere industriële woestenij. Met één oog zag hij de camera het tafereel bestrijken op zo’n vijf meter hoogte. Het totaal shot werd nog steeds voorbereid, dacht hij, terwijl een vrouw met een digitale videocamera rondsloop en filmde.

Een hogere assistent riep naar een lagere: «Afsluiten, Bobby.»

Geleidelijk werd het stil op straat. Stemmen stierven weg, het gevoel van perifere beweging verdween. Hij voelde de aanwezigheid van de lichamen, allemaal, de ademende lijven, de warmte en het stromende bloed, verschillende mensen die nu gelijk waren, en masse, in zekere zin opgehoopt, samen dood en levend. Het waren maar figuranten in een filmscène met de opdracht zich roerloos te houden, maar het was een indringende ervaring, zo totaal en open dat hij amper aan iets anders kon denken.

«Hallo,» zei iemand.

Het was degene naast hem, een vrouw die op haar buik lag, een arm uitgestrekt, handpalm naar boven. Ze had lichtbruin haar, of donkerblond. Misschien was het reebruin. Wat is reebruin? Grijsachtig geelbruin tot vrij zacht roodachtig bruin. Of vosrood. Vosrood klonk beter.

«Is het de bedoeling dat we dood zijn?»

«Ik weet het niet,» zei hij.

«Dat heeft niemand gezegd. Ik vind dat frustrerend.»

«Wees dan dood.»

De ligging van haar hoofd dwong haar in het asfalt te praten, zodat haar woorden werden gesmoord.

«Ik heb expres een ongelukkige houding aangenomen. Wat ons ook is overkomen, dacht ik, het zal wel onverwachts zijn gebeurd en dat wou ik uitdrukken door mijn personage een eigen karakter te geven. Eén hele arm is pijnlijk verdraaid. Maar het zou niet goed voelen als ik anders ging liggen. Iemand zei dat de financiering is ingestort. Schijnt in een paar tellen gebeurd te zijn. Al het geld weg. Dit is de laatste scène die ze draaien voordat de zaak voor onbepaalde tijd wordt stilgelegd. Geen enkele reden dus om aan je eigen gemak te denken, toch?»

Had zijn vrouw geen vosrood haar? Hij kon het gezicht van de vrouw niet zien en zij dat van hem niet. Maar hij had gesproken en ze had hem duidelijk gehoord. Als dit Elise was, de erfgename, de dichteres, de vaag Europese jonge bruid met de fijne trekken en de grote, argeloze ogen, zou ze dan niet op de stem van haar man reageren? Maar waarom zou ze? Het was niet interessant om dat te doen.

Het dreunen van een vrachtwagen ergens roffelde op zijn ruggegraat.

«Maar ik vermoed dat we niet dood zijn. Tenzij we een sekte zijn,» zei ze, «die massaal zelfmoord pleegt, wat ik waarachtig niet hoop.»

Een versterkte stem riep: «Ogen dicht, mensen. Geen geluid of beweging.»

Het crane shot begon, de camera zakte langzaam, en hij sloot zijn ogen. Nu hij blind was tussen hen, zag hij de verzamelde lichamen zoals de camera ze zag, emotieloos. Deden ze alsof ze naakt waren of waren ze naakt? Het was hem niet langer duidelijk. Er waren vele tinten huidskleur, maar hij zag ze in zwart-wit en hij wist niet waarom. Misschien had een scène als deze somber monochroom nodig.

«Camera loopt,» riep een andere stem.

Hij werd er gek van als hij ze hier in het echt probeerde te zien, los van het beeld op een filmdoek in Oslo of Carácas. Of waren die plekken niet te onderscheiden van deze? Maar waarom zou je deze vragen stellen? Waarom deze dingen zien? Ze isoleerden hem. Ze zonderden hem af en dat was niet wat hij wilde. Hij wilde hier tussen hen in zijn, een en al lichaam, zij die getatoeëerd waren, zij die een harige kont hadden, zij die stonken. Hij wilde midden op de kruising gaan liggen, tussen de ouden met hun dikke aderen en lichaamsvlekken en naast de dwerg met een buil op zijn hoofd. Hij dacht dat er wel mensen bij zouden zijn met een slopende ziekte, een paar, niet op andere gedachten te brengen, met afschilferende huid. De jongen en sterken waren er. Hij was een van hen. Hij was een van hen die ziekelijk zwaarlijvig waren, die gebruind en gezond en van middelbare leeftijd waren. Hij dacht aan de kinderen in de gewetensvolle schoonheid van hun toneelspel, zo formeel, met hun frêle botten. Hij was er een. Er waren er met het hoofd in het lichaam van een ander genesteld, in borsten of oksels, voor het zurig beetje beschutting dat ze konden krijgen. Hij dacht aan hen die op hun buik lagen met vleugels wijd, blootgesteld aan de hemel, geslachtsdelen in het centrum van de wereld. Er was een donkere vrouw met midden op haar voorhoofd een rode stip, om begunstigd te worden. Was er een man die een ledemaat miste, dappere stomp onder de knie geknot? Hoeveel lichamen met littekens van operaties? En wie is dat meisje met dreadlocks dat zich heeft opgevouwen en geheel schuilgaat in haar haren, op roze tenen na?

Hij wilde rondkijken, maar hield zijn ogen dicht tot er een lang moment voorbij was gegaan en een zachte mannenstem riep: «Cut.»

Hij deed één stap en stak zijn arm achter zich uit. Hij voelde haar hand in de zijne. Ze volgde hem naar het afgezette deel van de stoep, waar hij zich in het donker omdraaide en haar naam zei, haar kuste. Ze klom in zijn lichaam en sloeg haar benen om hem heen en ze bedreven daar de liefde, man staand, vrouw schrijlings op hem, in de stenen geur van sloop.

«Ik ben al je geld kwijt,» zei hij.

Hij hoorde haar lachen. Hij voelde de spontane adem ervan, de lik vochtige lucht in zijn gezicht. Hij was het genoegen van haar lach vergeten, een rokerig halfhoestje, een sigarettenlach uit een oude zwartwitfilm.

«Ik raak voortdurend dingen kwijt,» zei ze. «Vanmorgen ben ik mijn auto kwijtgeraakt. Hebben we het daar over gehad? Ik weet het niet meer.»

Dat was waar dit op leek, de volgende scène in de zwart witfilm die overal ter wereld in bioscopen werd vertoond, buiten het script en de noodzaak tot herfinanciering. Na de naakte massa de twee gelieven in afzondering, los van herinnering en tijd.

«Eerst heb ik het geld gestolen, toen ben ik het kwijtgeraakt.»

Lachend zei ze: «Waar?»

«Op de markt.»

«Maar waar?» zei ze. «Waar blijft het als je het kwijtraakt?»

Ze likte zijn gezicht en klauterde omhoog langs zijn lichaam en hij wist niet meer waar het geld bleef. Ze liet haar tong over zijn oog en wenkbrauw gaan. Extatisch tilde hij haar hoger en perste zijn gezicht in haar borsten. Hij voelde ze wippen en zingen.

«Wat weet een dichter nou van geld? De wereld liefhebben en dat in een dichtregel leggen. Dat alleen,» zei ze. «En dit.»

En ze legde een hand op zijn hoofd en pakte hem vast, greep hem bij zijn haar, een opwindende vuist vol, trok zijn hoofd achterover en boog zich om hem te kussen, zo’n aanhoudende kus met zoveel overgave, met zo’n levensvuur, dat hij dacht dat hij haar eindelijk kende, zijn Elise, die zuchtte, tongde, in zijn mond beet, zwoele woorden en kreunende geluidjes murmelde, fluisterkuste, babybrabbelde, haar lichaam aan het zijne gekleefd, benen omsluitend, billen heet in zijn handen.

Zodra hij wist dat hij haar liefhad, gleed ze van zijn lichaam af en zijn armen uit. Toen drong ze zich door de nauwe opening tussen de planken en keek hij hoe ze de straat overstak. Niets bewoog er nog. Zij was de enige streep beweging, filmploeg en figuranten weg, apparatuur weg, en ze was beheerst en zilverslank en liep met opgeheven hoofd, met technische precisie, naar de laatste aanhanger bij het tankstation, waar ze haar kleren zou vinden, zich vlug zou aankleden en verdwijnen.

Don DeLillo

Kosmopolis

Vertaald door Harry Pallemans

Uitg. Ambo/Anthos, 176 blz., € 17,90