Menno Hurenkamp

De randen van de nacht

Plotseling bestonden ze. De randen van de nacht. Wim Kok kwam ermee toen hij moest uitleggen dat boven Maastricht geen nachtvluchten meer waren terwijl er toch gevlogen werd als mensen sliepen. Men vloog in de randen van de nacht, dus tot een uur of twee en dan weer vanaf een uur of vijf. Niet ’s nachts, maar eigenlijk toch. Het was een even opportunistische als briljante parafrase waarin het hele conflict tussen milieu en economie leek op te lossen. Het drama van de herrie was niet voorbij, maar de tegenstanders van de nachtvluchten zagen zich gedwongen zich te verzoenen met een compromis.

Tot mijn verbazing kwam ik onlangs een gedicht van Rainer Maria Rilke tegen, Am Rande der Nacht. Het gaat ook nog eens over het wereldlawaai. Ik ben als een snaar over ruisend brede klanken gespannen, schrijft de dichter. Een poëtische ambtenaar moet het begrip Koks tekst hebben binnengeloosd. Zou je ook grotere maatschappelijke drama’s kunnen oplossen in nieuwe woorden?

Verzorgingsstaat betekende een mooie oplossing van het conflict tussen arm en rijk. Uit welbegrepen eigenbelang droegen mensen met werk bij aan een dragelijk bestaan van mensen zonder werk. Iedereen kon tenslotte ziek worden en het scheelde ook nog in de inbraak. Tegenwoordig betekent verzorgingsstaat ruim baan voor profiteurs. Politici durven dus niet meer voor de verzorgingsstaat te zijn, ze mijden het woord. Het gebrek aan legitimiteit van de verzorgingsstaat is tot op zekere hoogte vreemd, want er is geen empirisch onderzoek dat aantoont dat mensen de verzorgingsstaat beu zijn. Er is ook geen onderzoek voorhanden dat bewijst dat mensen tégen de verzorgingsstaat zijn. Wel is aantoonbaar dat de meeste mensen er ooit baat bij hebben gehad. Maar iedereen voelt aan zijn water dat de zorg omvangrijker en duurder wordt. Over vijftien jaar is de halve bevolking van dit land naar huidige maatstaven bejaard. Als we op deze voet doorgaan, staat straks iedereen die zelf niet zorgbehoevend is zorg te geven. Dan lig je of in bed of je staat ernaast. En de groep mensen die hier niet via een arbeidzaam leven in Nederland maar via een of andere vorm van arbeidsmigratie toegang krijgt, voert die druk op de verzorgingsstaat nog eens op.

Het is dit idee van onbeheersbaarheid dat de steun voor de verzorgingsstaat aantast. Je kunt in de hoop op hernieuwde bijstand van de burgers voor een collectief regime van verzekeringen een ander woord drukken, bijvoorbeeld de «participatiemaatschappij». Maar dan staat logischerwijs het noodzakelijk veronderstelde streven naar beperkte toegang centraal. Op die manier overbrug je niet meer de kloof tussen twee schijnbaar onverzoenlijke posities — eigen geld en gezondheid van anderen — maar de kleine afstand tussen angst voor misbruik en het verlangen naar efficiëntie. Eerder dan solidariteit probeer je dan zekerheid te organiseren: de zekerheid dat geld netjes gebruikt wordt. Een nadeeltje is dat je de gebruikers van de voorzieningen officieel als profiteurs erkent. Wie nu verlegen is met de verzorgingsstaat zit daar vermoedelijk niet op te wachten. Te voorspellen valt een voortleven van de term in het schimmenrijk waar ook begrippen als natiestaat en ideologie al decennialang uit opduiken.