De randstad beklimt de oldehove

Rechtstandig schiet de helikopter de lucht in, zodat ik besluit ter plekke te sterven van angst en hoogtevrees.

‘Bent u wel eens in Leeuwarden geweest?’ vraagt de wethouder van cultuur.
Mijn antwoord gaat geheel in het wentelwiekgeraas verloren. In afwachting van onze aanstaande val in de Vinkeveense plassen overdenk ik, voornamelijk om mijzelf af te leiden, wat mij er eigenlijk toe heeft bewogen deel te nemen aan dit 'snoepreisje voor de wereldpers’ (Leeuwarder Courant) richting Sirkus Ljouwert, het jaarlijkse zomerfestival in de Friese hoofdstad. Het kan niet het 'vorstelijk driegangenmenu’ in paleis-hotel Het Stadhouderlijke Hof zijn, want eten kun je overal. Is het wellicht het cultuurfestival zelf? Nou nee, artistiek divertissement vind je in de plaats mijner inwoning op elke straathoek, tot vervelens toe. Het kan al evenmin het mini-symposium Festivals als marketing-tool zijn, waarmee straks de dag zal worden besloten, want aan cultuurtheoretisch geouwehoer heb ik een hekel en bovendien duurt deze discussie om de een of andere reden van twaalf tot een uur ’s(nachts, zodat van de discussianten, met een buik vol Beerenburg, weinig zinnigs te verwachten valt. 'En dat symposium beleggen wij bovenop de Oldehove’, zegt de wethouder. 'Is dat niet aardig? Het is de schuine toren, midden in de stad. Honderddrieëntachtig treden en behoorlijk steil, dat beloof ik u.’
Mijn hoogtevrees maakt inmiddels overuren. Niettemin weet ik diep in mijn hart precies welke attractie mij ertoe heeft bewogen het deelnameformulier in te vullen. Het is diezelfde verdomde helikopter, uiteindelijk een romantisch en decoratief vervoermiddel, waarvan je als particulier zelden gebruik mag maken.
'Kijk, links ligt Lemmer. Verderop zie je Jorwerd’, wijst de piloot. 'Nog even geduld, we zijn er bijna.’
'Past u een beetje op voor de straaljagers!’ roept de wethouder olijk.
'Niet nodig. Die jongens zitten na vieren allemaal in de kroeg’, zegt de piloot.
TWEEHONDERDVIJFTIG KEER
De 'grachtengordel’ zou 'tot in het extreme in de watten worden gelegd’, heeft de stadspromotor beloofd die zich in ons reisgezelschap bevindt. Wat ziet de provincie toch voor kwaads in 'grachtengordel’? Daar wonen en werken de interessantste en meest creatieve mensen van Nederland, zoals Theo van Gogh (Amsterdam-Oost) altijd zegt. Ondertussen heeft de organisatie haar hele promotiebudget gereserveerd om die grachtengordel ’s(lands hoofdstad uit te lokken. Alleen de vliegreis blijkt al twaalfduizend gulden te kosten. Daarmee kun je met zijn zessen tweehonderdvijftig keer per eersteklassecoupé vv Amsterdam-Leeuwarden.
Maar wie wil er, met alle respect, tweehonderdvijftig keer naar Leeuwarden?
De stad, zo blijkt bij de landing, heeft er inderdaad werk van gemaakt. Wij begeven ons via een rode loper naar de champagnetafel, waar de burgemeester op ons wacht die een paar toepasselijke woorden spreekt over alle moeite die wij, de bezoekers uit Holland, ons hebben willen getroosten. De Oldehover Kapel speelt de Schwarzwälder Kukuckspolka, een overbekend Fries volkslied. De regionale omroep is in volle sterkte uitgerukt. De regionale televisie maakt interviews, waarin de gasten wordt gevraagd of zij ook zonder die helikopter…?
'Nee’, zegt de eerlijkste onder ons.
Per limousine zoeft het gezelschap de stad in, door de motorpolitie voorafgegaan, mét zwaailicht en sirene, alsof het een zware buitenlandse delegatie betreft. De stoplichten worden genegeerd. Genadiglijk zwaaien wij naar de onderdanen des rijks, ons nastarend vanaf trottoirs en terrassen. Bij het Stadhouderlijke Hof, het beste hotel van de stad, staat een gezelschap jongens en meisjes ingehuurd te juichen. Voor elk onzer is een suite gereserveerd, die zo groot is dat er moeiteloos een voetbalelftal in kan worden ondergebracht, inclusief de trainer en de wisselspelers.
GEPOCHEERDE ROG
Het diner gebruiken wij in het gezelschap van de wethouder, de stadspromotor en de organisator van het Oerol festival te Terschelling.
Ook hij is uitgenodigd aan dat mini-symposium bovenop de Oldehove deel te nemen.
'Het schijnt dat je vandaaruit de Brandaris kunt zien’, spreekt hij weemoedig.
Mist de wethouder het Frysk Orkest, nadat dit door het rivaliserende Groningen is opgeslokt?
Het blijkt, gezien de regionale sentimenten, een pijnlijke vraag. 'Tja… wat zal ik u zeggen? Er zijn inderdaad mensen die tot op heden rode hoofden… Maar mogelijk hebben wij uitzicht op de Nederlandse Pop Academie’, zegt de wethouder.
De herfstsalade met gepocheerde rogvleugel wordt opgediend. 'Heeft er iemand behoefte aan om…?’ vraagt de stadspromotor.
'Nee, wij komen uit Amsterdam’, verklaren wij.
VERKLEIND VLEES
Terwijl zich in het avondlijke Leeuwarden allerwegen de beloofde culturele activiteiten ontplooien (toneel, cabaret, pop en performances, bij voorkeur door regionale kunstenaars), drink ik een glas met twee oude bekenden. Het zijn de dichter-schilder Anne Feddema en de schilder Jerre Hakse.
Anne heeft een tweede bundel op stapel staan, Verkleind vlees geheten. Hij graaft in zijn multomap. 'Wacht, ik zal je even m'n “Kokentsje fan Kleekantate” voorlezen’, zegt de dichter. Het dansorkest, elders op het plein, wordt moeiteloos overstemd. 'Myn alchemistysk/ Ierappeltsjepompompompompompompompom/ En in gleske bier.’
'Schilderen met zinnen, dat is prachtig’, constateert Jerre Hakse.
Wordt er al gedanst op het plein?
'Nee, voordat de Friezen de benen van de vloer krijgen hebben ze anderhalve liter Beerenburg nodig’, zegt Jerre.
'Weet je wat óók een mooi gedicht is?’ vraagt Anne. 'Dat is “Mozarts ruft-sonate”.’
DOEDELZAKKEN
De toon van de discussie, bovenop de Oldehove, in de winderige nachtlucht, is wat defensief. Biedt Sirkus Ljouwert niet méér van hetzelfde, zij het van minder kwaliteit dan in de Randstad?
'Zo'n Leeuwarder festival zou de allure moeten hebben van een festival als dat in Edinburgh’, zegt de een.
'Dat is een kwestie van tijd. Daar hoorde je vijfendertig jaar geleden ook alleen maar doedelzakken’, zegt de ander.
'Daar ga ik persoonlijk van over m'n nek’, roept Anne Feddema.
'Toch moet je als festival iets doen waardoor je je van al die andere festivals onderscheidt’, zegt de een.
'Thans vraag ik uw aandacht, dames en heren, voor m'n “Epigram foar Franz Liszt”(’ roept Anne.
'Er ís een groeimarkt voor het cultuurtoerisme, dat weet ik zeker’, zegt de ander.
'En verder heb ik een vertaling gemaakt van een beroemd gedicht van Kurt Schwitters, waarvan ik hoop dat het tot u komt zoals het is en zo niet kan zijn’, zegt Anne, die inmiddels een slokje op heeft. Hij laat zich in dit geval niet onderbreken. Zijn 'Anna Blume is grien!’ schalt in de richting van de sterren. Met de discussie heeft het niets te maken en geen mens die er op honderd meter hoogte aanstoot aan neemt.