Charles Taylor voor de rechter in Den Haag

De rattenvanger van West-Afrika

Hij is geen mensenetend monster. Erger nog: Charles Taylor is een meestercharmeur die duizenden jongeren de illusie gaf zich een toekomst te kunnen bevechten.

CHARLES TAYLORS ADVOCAAT Karim Khan is het eens met de hoofdaanklager: ‘Na de processen tegen Milosevic en Saddam Hoessein is succes dit keer noodzakelijk. Anders weet ik niet hoe het verder moet met het internationale recht.’ Het International Court of Justice in Den Haag biedt tijdelijk onderdak aan het Speciale Hof voor Sierra Leone, het SCSL, om de Liberiaanse krijgsheer Charles Taylor te be-rechten. Hij wordt beschuldigd van medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden, gepleegd in Sierra Leone door de vaak piepjonge soldaten van het rebellenleger RUF, het Revolutionary United Front. Het proces begint deze maand. Wordt hij veroordeeld, dan zal hij zijn straf uitzitten in een Engelse gevangenis.
Advocaat Khan waarschuwde in dezelfde persconferentie voor verkeerde verwachtingen van het pro-ces-Taylor. Want ‘zelden is een man zo zwart gemaakt’. Hij zou wel eens met aanzienlijk meer eloquen-tie kunnen spreken dan de gerapporteerde misdaden van zijn milities doen vermoeden.
Zo’n verrassing zou niet nieuw zijn. Voor zijn documentaire Liberia: An Uncivil War interviewde de Ame-rikaanse journalist Jonathan Stack de krijgsheer in zijn ‘executive mansion’ in Monrovia, waar hij zijn laatste dagen als president van Liberia sleet – in de zomer van 2004. ‘Door alle verhalen over hem ver-wachtte ik een soort mensenetende dictator, een man als Idi Amin’, zei Stack later. ‘Maar Taylor is een gladprater, een voorkomende, goedgeklede man.’ In de documentaire blijkt Taylor zelfs een charmeur. ‘Hij kan je overtuigen terwijl je weet dat hij liegt’, zegt een Liberiaan tegen de camera. De kijker ziet wat hij bedoelt.
De film, door NRC Handelsblad terecht ‘een bloedstollend getuigenverslag’ genoemd, laat onder meer zien hoe Taylor in de laatste dagen van zijn bewind nog steun probeerde te mobiliseren in evangelisch getinte ‘peace rally’s’ die hij samen met zijn Amerikaanse geestelijk leider Dr. Paul hield in het hoofdste-delijke voetbalstadion. Op dat moment woonden daar permanent dertigduizend ontheemden.
Starks Britse collega James Brabazon trok tegelijkertijd op met het rebellenleger LURD, dat uit was op het hoofd van Taylor. Plunderend, moordend en verkrachtend – de Liberians United for Reconciliation and Democracy deden niet onder voor de milities van Taylor – rukten zij op naar de hoofdstad. In één enkele beginscène van de film vatte Brabazon alle gruwelijke berichten samen die er in die jaren negen-tig uit de burgeroorlogen van Liberia en Sierra Leone naar buiten kwamen. Een tienersoldaat staat met een menselijk hart te zwaaien. Hij zegt het te zullen opeten om zo de kracht van zijn vijand over te ne-men. Ook toont de film rebellen, of enkele van Taylors ‘regeringssoldaten’ (ze zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden), die gekleed gaan als Amerikaanse rapzangers en al dansend schijnbaar lukraak rich-ting vijand schieten. Maar dat is het dan ook. Daarna laten de documentairemakers juist zien dat er wel degelijk organisatie school achter de ogenschijnlijk willekeurige gruweldaden.
Brabazon en Stack hadden indruk kunnen maken met louter onvoorstelbare wreedheden – die ze ook hebben meegemaakt – maar ze kiezen ervoor te laten zien hoe zelfs in West-Afrika oorlog een voortzet-ting is van de politiek met extreme middelen. Terwijl de Volkskrant de burgeroorlog in Liberia nog afdeed met het woord ‘krankzinnig’ laat de film zien hoe goede journalisten geen genoegen nemen met zo’n predikaat.

Ook wetenschappers maken het zichzelf vaak te gemakkelijk, zo beweert hoogleraar Paul Richards in de inleiding van de bundel No Peace, No war (James Curry Publishers) uit 2005. Vooral de ‘malthusi-aanse’ verklaringen van de meest recente oorlogen in Afrika vindt hij gemakzuchtig. Thomas Malthus wees al in de negentiende eeuw op de rampen die de mensheid stond te wachten door de explosieve groei van de bevolking. In hedendaagse Malthus-varianten (Malthus With a Gun) leiden opwarming van de aarde, erosie van het land, toenemende droogte en een groeiende bevolking onvermijdelijk tot oor-log. De geograaf Jared Diamond (Collapse) denkt langs deze lijnen, net als de bekende journalist Ro-bert D. Kaplan (The Coming Anarchy): de mensheid schrijdt voort en zij die zich niet kunnen aanpassen – en dus achterblijven – zullen elkaar afslachten of zelfs opeten.
Een ander veel gehoord – en door Richards afgewezen – type oorlogsduiding is: pure hebzucht zonder wrok. De oorlogen in Sierra Leone en Liberia zouden louter zijn gevoerd om de diamanten en de handel in andere kostbare grondstoffen. Het is de benadering van de Britse aanklager van het speciale hof in Sierra Leone. Onlangs zei hij: ‘De conflicten draaien maar om één ding: diamanten. Het is een tragedie dat zo’n mooie steen zoveel ellende veroorzaakt.’ De Hollywoodfilm Blood Diamonds gooit het over de-ze boeg. De film hielp activisten die hopen op een boycot. De consument moet zich realiseren, zeggen zij, dat voor iedere verlovingsring een Afrikaans leven is geofferd.
Overigens kwam vooral uit Afrika flinke weerstand tegen dit goedbedoelde protest. Nota bene Nelson Mandela zelf riep op niet aan de boycot deel te nemen. Er zijn immers ook diamant exporterende landen waar geen oorlog woedt en die de inkomsten hard nodig hebben, zijn eigen Zuid-Afrika inbegrepen.

Richards zoekt sociologische verklaringen voor oorlog, waarin de mens handelt in relatie tot zijn moge-lijkheden en omstandigheden en keuzes maakt die, hoe gruwelijk ook, in zekere zin ‘rationeel’ zijn, of althans te begrijpen. Mensen monsterlijk noemen verklaart immers weinig.
Een promovendus van hem, Krijn Peters, vond zo’n verklaring voor de oorlog in Sierra Leone. Peters, inmiddels docent aan Swansea University in Wales, erkent weliswaar dat de rebellen en regering de oorlog mede financierden met de smokkel en verkoop van diamanten, en hij weeft zelfs demografische factoren door zijn verklaring, maar hij wijt het ontketende geweld in eerste instantie aan de uitzichtloze positie van jongeren in de onderontwikkelde landelijke gebieden. Hij sprak met talloze veteranen – vaak nog tieners – van de oorlog in Sierra Leone en nam hen zelfs mee terug de jungle in, naar hun inmiddels overwoekerde legerbases. Gevraagd naar hun eigen verklaringen voor het geweld gaven ze hem opval-lend vaak dezelfde antwoorden, zowel de strijders die destijds door de rebellen waren ontvoerd als zij die zich vrijwillig hadden aangesloten. Hij komt tot een uitsluitingsthese. Daarin moet de oorlog worden beschouwd als een extreem gewelddadige opstand van gemarginaliseerde rurale jongeren die op gang werd gebracht door de tekortkomingen van een ineenstortende gerontocratie; ouderen die de macht be-hielden dankzij een steeds corrupter gewoonterecht.
In zijn fascinerende proefschrift komt Peters tot de conclusie dat de politieke elite van het land nooit werkelijk de afschaffing van de binnenlandse slavernij in 1928 heeft willen accepteren en manieren vond – zo werden landloze dagloners vaak gestraft met een aantal jaren onbetaalde arbeid op het land – om jongeren structureel te blijven uitsluiten. Het RUF betekende voor deze kansloze hangjongeren een da-gelijkse maaltijd en een wapen als nooit weigerende creditcard. Bovendien bood dit leven de broodnodi-ge bescherming.

Terwijl de kindsoldaten door de bevolking in West-Afrika als het verlengstuk van de duivel werden ge-zien, en door het Westen juist als slachtoffer, legt Peters uit dat de werkelijkheid weer eens ergens in het midden ligt. Ook het buitensporige geweld bleek minder onverklaarbaar dan het op duizenden kilo-meters afstand lijkt. Telefonisch vanuit Wales zegt Peters: ‘Het schokeffect dat uitging van de amputa-ties van armen en benen was natuurlijk enorm. Met relatief eenvoudige daden kon het RUF de bevolking zo terroriseren dat ze elke mogelijke gedachte aan verzet of tegenstand opgaf. Bovendien kon het RUF met de terreur hele gebieden ontvolken.’
Volgens Peters kunnen mannen als Charles Taylor en wijlen zijn vriend Foday Sankoh van het RUF het beste worden gezien als rattenvangers van Hamelen. ‘Wrang is dat de teksten waarmee zij hun soldaten mobiliseerden in zekere zin kloppen. Ze gingen over nepotisme en corruptie, ze speelden in op de ge-marginaliseerde positie van de jonge vervreemde onderklasse.’ Natuurlijk bood een man als Taylor geen enkel alternatief, zo zegt ook Peters, maar voor veel tieners was zijn leger een begrijpelijke keuze in een uitzichtloze situatie.
Terwijl de oorlog voorbij is en alle warlords op Taylor na zijn overleden, is de voedingsbodem van het geweld niet verdwenen. Vooral de politieke elite van Sierra Leone doet er weinig aan, omdat ze een di-rect belang heeft bij een overschot aan landloze jongeren: die zijn spotgoedkoop als arbeiders in de di-amantmijnen. Peters zet daarom vraagtekens bij het proces dat deze maand tegen Taylor begint. Het kost rond de 35 miljoen dollar, op basis van vrijwillige donaties van de internationale gemeenschap. ‘Uit mijn onderzoek blijkt dat het gebrekkige rechtssysteem, vooral op lokaal niveau, een belangrijke aanzet gaf tot de oorlog. Het hele rechtssysteem van Sierra Leone kost zo’n driehonderdduizend dollar per jaar. Dat zet die 35 miljoen dollar wel in een ander licht.’
Anderen zien in het proces juist een belangrijke stap vooruit, omdat het een helder precedent kan scheppen. En het moet gezegd, de welbespraakte Charles Taylor was een exceptioneel grote schurk, wiens daden niet zichtbaar genoeg kunnen worden. Hij werd geboren in 1948 in een buitenstadje van Monrovia. Zijn vader – een dominee en rechter – was afstammeling van de Amerikaanse elite die als bevrijde slaven het land in de negentiende eeuw hadden gesticht. Na de middelbare school ging Charles naar de universiteit aan de oostkust van Amerika. Na negen jaar keerde hij terug, sergeant-majoor Doe was net via een staatsgreep aan de macht gekomen en gaf hem een mooi baantje waarin veel commis-sie viel op te strijken. Taylor maakte daar wat al te gulzig gebruik van, want na een paar jaar beschul-digde Doe hem publiekelijk van corruptie. Taylor vluchtte naar Amerika, maar werd daar gevangen gezet omdat Doe een arrestatiebevel had uitgevaardigd. Taylor wist uit de Amerikaanse gevangenis te ont-snappen, vond zijn weg terug naar West-Afrika en uiteindelijk naar Libië, waar hij van Kadafi’s mensen trainingen in guerrillaoorlogvoering kreeg, samen met zijn vriend Sankoh uit Sierra Leone. Het plan werd gesmeed eerst Taylor te helpen zijn ‘revolutie’ in Liberia te realiseren om daarna het RUF aan de macht te helpen in Sierra Leone.
Op kerstavond 1989 trok Taylor met honderd man de grens over. Hij ronselde kinderen en jongeren voor zijn leger en zowel hij en Doe als enkele andere warlords intensiveerden de terreur tegen de eigen be-volking. Toen hij eenmaal de hoofdstad had veroverd, organiseerde hij verkiezingen, die wonderlijk ge-noeg nog eerlijk verliepen ook. Dat constateerden Jimmy Carter en andere buitenlandse waarnemers. Taylor won met 75 procent van de stemmen, niet alleen omdat hij het enige radiostation van het land onder zijn controle had, maar ook vanwege zijn belofte de wapens opnieuw op te nemen als hij niet een meerderheid van de stemmen zou krijgen. Een van de verkiezingsslogans van zijn partij: ‘He killed my Ma, he killed my Pa, but I will vote for him.’

In 1991 stuurde Taylor zijn bruutste en beste strijders naar Sierra Leone. Velen daarvan gedroegen zich zo bandeloos dat zelfs het RUF ze uiteindelijk terugstuurde. Want zelfs het beetje sympathie dat de re-bellen onder de bevolking genoten, brachten de mannen van Taylor in gevaar. Toen een internationale vredesmacht intervenieerde in Taylors laatste oorlog vertrok hij naar Nigeria, dat hem asiel beloofde. Maar toen begin 2006 duidelijk werd dat het land hem waarschijnlijk toch zou uitleveren aan de VN reed de leider, gekleed in een Noord-Afrikaans gewaad en met een koffer vol cash, in een laatste stuiptrek-king naar de grens met Kameroen. Daar werd hij alsnog opgepakt en uitgeleverd aan de internationale gemeenschap. Die wil in Den Haag koste wat het kost laten zien dat geen enkele warlord ooit nog kan wegkomen met misdaden tegen de menselijkheid.
Peters heeft zo zijn twijfels: ‘Ik vrees dat ze de warlords er alleen maar mee laten zien dat een vrede met amnestie in de toekomst niet meer tot de mogelijkheden behoort. Als een krijgsheer er gewapen-derhand niet meer uitkomt, is vrede soms de meest rationele oplossing. Maar dan moet hem wel een uittocht worden gegund.’ Nu wordt het vechten tot de allerlaatste man.

Met hulp van Oxfam Novib vertoont De Balie op 4 juni opnieuw de film Liberia: An Uncivil War. Na afloop praat Pieter van Os met Vamba Sherif (schrijver uit Liberia), Krijn Peters (Nederlands antropoloog) en Alfred Mokuwa (student uit Sierra Leone) over de film, de oorlogen in West-Afrika en het proces tegen Charles Taylor