De razzia en de herinnering

IN 1974 ZOND de NCRV op de radio een ‘docudrama’ uit waarin niet alleen alle slachtoffers van de represaillemaatregelen van 1 oktober 1944 tegen de mannelijke bevolking van het Veluwse Putten met naam en toenaam werden genoemd, maar ook de namen van de acht verzetslieden die in de nacht van 30 september 1944 een aanslag hadden gepleegd op een auto met Duitse militairen. Die aanslag had de bezetter een alibi verschaft om Putten streng te straffen. In totaal werden bij de razzia die op de aanslag volgde 660 mannen naar het kamp Amersfoort afgevoerd; 589 daarvan werden naar het kamp Neuengamme in Duitsland gedeporteerd en vandaar naar kamp Ladelund. Een half jaar later keerden slechts 49 mannen terug. Vijf van hen overleden direct na de bevrijding.

Het docudrama van de NCRV eindigde met de woorden: ‘De namen zijn gelezen, de verhalen verteld, het is voorbij.’ Dat bleek niet zo te zijn. Madelon de Keizer, als historicus verbonden aan het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie en in 1991 cum laude gepromoveerd op de geschiedenis van Het Parool in oorlogstijd, rakelt in een lijvige studie het verhaal op over de razzia en over de herinnering daaraan.
In het boek Putten: De razzia en de herinnering, waaraan De Keizer drie jaar werkte, baseert zij zich onder andere op drie dozen met tot dan toe niet openbaar gemaakt materiaal dat in het Riod over de 'zaak-Putten’ lag opgeslagen. Bestudering daarvan leidde ertoe dat zij heeft gemeend stelling te moeten nemen tegen het beeld dat in de herinnering van Putten is ontstaan. Dat beeld ligt volgens haar bezijden de waarheid.
In het op zondagochtend 27 september uitgezonden radioprogramma Onvoltooid Verleden Tijd vatte zij het beeld van het 'Putten-na-de-aanslag’ samen: 'Dat is dat rechtse, orthodoxe zwarte-kousendorp waar al die mannen zijn weggevoerd en in het kamp allemaal zijn doodgegaan, omdat ze niet tegen de kampomstandigheden konden. Dat lag aan hun religie en dat lag ook aan het dorp, want ze waren gewoon niets gewend.’ En ze vervolgde: 'Dát is het basisidee dat zo'n beetje iedere Nederlander heeft. Dat kun je op allerlei punten gaan analyseren.’
DAT HEEFT De Keizer gedaan. Stuk voor stuk, naar haar zeggen. Zeer gedetailleerd en integer, menen bewonderaars van haar studie. Net iets te minutieus, te angstig om onvolledig te zijn, vinden anderen. Hoe dan ook, zij heeft geprobeerd het geijkte beeld te corrigeren en het ontstaan ervan te analyseren. En daar heeft ze het niet bij gelaten: 'Ik doe nog iets. Ik kijk ook naar wat ik als historicus anno nu kan zeggen hierover. Wij weten nu meer over de razzia. Ook hoe de razzia als voorbeeld kan dienen over hoe beeldvorming ontstaat en hoe wij als Nederlanders met de Tweede Wereldoorlog zijn omgegaan.’
In een prachtige cadans komen in haar boek achtereenvolgens het verhaal over Putten en de beeldvorming in de geschiedschrijving aan de orde. De razzia en het machtsvacuüm in Putten daarna. De consequenties die de razzia had voor de politiezuivering na de oorlog. Het in brand steken van het dorp na de razzia en de berechting van de daarvoor verantwoordelijk gehouden Duitsers Christiansen en Fullriede. Het verhaal over de weggevoerde Puttenaren naar kamp Amersfoort en vervolgens naar Neuengamme en Ladelund. De herinnering daaraan van twee directe ooggetuigen. Dan gaat het terug naar de aanslag waarvan de gevangengenomen Puttenaren grosso modo geen enkele voorkennis hadden en waaraan zij ook niet schuldig waren. Volgt het wedervaren van de achtergebleven Puttenaren - grotendeels vrouwen en kinderen - tot de bevrijding. Tot slot het verhaal over het naoorlogse Putten met het onthullende verslag van de verzoeningspogingen tussen de gemeenschappen van Putten en Ladelund.
ER KOMEN drie vragen naar voren die als leidraad door het boek zijn geweven:

  1. Waarom was de razzia na de aanslag zo rigoureus?
  2. Hoe kwam het dat de mannen uit Putten in Ladelund zo spoedig en in zo groten getale stierven?
  3. Hoe is men in de geschiedschrijving met de herinnering aan Putten omgegaan? De 'zaak-Putten’ stond samen met de 'zaak-Heusden’ boven aan het prioriteitenlijstje van na te vorsen oorlogszaken, maar direct na de oorlog, in 1947, besloot het Riod het onderzoek te staken. Gebleken was dat een en ander te gevoelig lag binnen de Puttense gemeenschap en - vooral - bij de oud-verzetsstrijders die direct of indirect bij de aanslag betrokken waren geweest. Wel hadden 79 mensen over hun bevindingen over Putten gepraat met Riod-medewerker J.P. Wildschut. Ze hadden echter van tevoren bedongen dat er geen opening van zaken zou worden gegeven. De moed ontbrak in de eerste decennia na de oorlog om voor de waarheid over de aanslag uit te komen. De gevolgen waren te verschrikkelijk geweest. 54 Jaar na dato biedt De Keizer soelaas. Zij verklaart de vreselijke vergelding van de Duitse bezetter niet uit de aanslag als zodanig, maar uit de historische context van het moment. Putten had tot De Slag om Arnhem op 17 september 1944 relatief weinig onder de oorlog te lijden gehad; van de ene dag op de andere werd het met de realiteit van de oorlog geconfronteerd. Met De Slag om Arnhem werd, aldus De Keizer, de hele Veluwe van vitaal strategisch belang voor de Duitsers. Het frontgebied kwam daarmee namelijk 25 à 30 kilometer onder Putten te liggen. Met als gevolg dat het Duitse leger het terrein in en om dit frontgebied ten koste van alles rustig en overzichtelijk wenste te houden. Sabotagedaden en partizanen-acties moesten in de kiem worden gesmoord. Dat de aanslag nabij Putten zulke verregaande gevolgen heeft gehad, verklaart De Keizer juist uit díe constellatie. 'Putten op de Veluwe was uiteindelijk incident noch exces’, schrijft zij en ze onderbouwt dat vervolgens plausibel. Het was een strategie van de Wehrmacht die elders al andere 'Puttens’ had opgeleverd: Komeno in Griekenland, Civitella in San Pancrazio in Italië, en Tulle en Oradour-sur-Glane in Frankrijk. HET TWEEDE PUNT dat De Keizer in haar boek ter discussie stelt, heeft betrekking op het lot van de omgekomen Puttenaren in kamp Ladelund nabij Neuengamme. Binnen een half jaar waren er van de 589 weggevoerden nog slechts een vijftigtal in leven. Hoe valt dit te verklaren? Vooral in vergelijking tot het sterftecijfer van gevangenen van andere nationaliteiten dat aanzienlijk lager lag. De Keizer stelt deze vraag binnen het kader van haar derde vraag: hoe de herinnering aan Putten is vormgegeven in de geschiedschrijving. De foutieve beeldvorming over de massale sterfte van de Puttenaren wijt zij vooral aan de beschrijving van twee overlevenden: dominee De Ruig uit Putten, die samen met zijn dorpsgenoten op transport werd gesteld en hen juist de eerste maanden (hij werd doorgestuurd naar Dachau) in het kamp had kunnen observeren, en de psychoanalyticus Van Dantzig die als opgepakt verzetsman de Puttenaren eveneens in Ladelund meemaakte. In het kort komt De Ruigs betoog erop neer dat de Puttenaren enerzijds geen honger en ellende gewend waren en anderzijds door hun zwaar orthodoxe hervormde achtergrond in lijdzaamheid en berusting hun lot aanvaardden. Als iets dat hen van Godswegen overkomen was en dat ze te aanvaarden hadden. Van Dantzig bouwde hierop voort. Dat zo weinig Puttenaren het kamp hadden overleefd, kwam doordat zij door hun Puttense achtergrond niet tegen het kampleven waren opgewassen. De Keizer legt uit dat juist de herinnering van Van Dantzig de beeldvorming heeft bepaald. Het gaf afdoende antwoord op de kwellende vraag: waarom moesten juist zij sterven en ik niet? Overigens heeft Van Dantzig zijn stelling later aangepast. Naast strijdbaarheid van het individu geeft hij als verklaringsgrond voor overleven ook het toeval een centrale plaats. De Keizer is het echter apert met hem oneens. Nog onlangs beargumenteerde zij krachtig in een radioprogramma dat het niet aan de godvruchtige, berustende Puttenaren had gelegen dat zij zo en masse en zo spoedig de dood hadden gevonden in Ladelund, maar aan de omstandigheden: het kamp! Toch is de vraag waarom juist zo veel Puttenaren zo snel stierven hiermee geenszins beantwoord. Het kamp was immers het gegeven, voor iedereen hetzelfde, ongeacht of men uit Noorwegen, Denemarken, Polen, Rusland of Putten kwam. Het kamp Ladelund was hard en de ontberingen die er werden geleden groot, maar dat gold voor iedereen. Wellicht dat er nog andere verklaringen zijn voor de wisse dood van de mannen uit Putten nadat zij van het ene moment op het andere vanuit de vrijheid in volslagen slavernij werden gebracht. IN ZIJN BOEK Slavery uit 1959 wijdt Stanley M. Elkins een heel hoofdstuk aan slavernij en persoonlijkheid. In zijn relaas over de aanpassing van de slaaf aan de absolute macht van de meester trekt hij een vergelijking met de machtsverhoudingen in de concentratiekampen. Grote nadruk legt Elkins op de intimiderende werking die van het shockeffect uitging: de plotselinge gevangenneming, het (meestal) mensonterende transport, de selectie voor gaskamer of dwangarbeid, en tot slot de registratie die het individu zijn naam ontnam en tot een nummer degradeerde. De toevalsfactor waarop Van Dantzig wees - geluk hebben binnen het kamp, bijvoorbeeld door baantjes te bemachtigen waardoor men zich kon drukken of waardoor men meer te eten kreeg - die toevalsfactor ging voor de Puttenaren niet op. De goede baantjes waren allang bezet toen zij als nieuwlichters het kamp binnenkwamen; ze werden onmiddellijk aan het zeer zware buitenwerk gezet. Maar ook dan kan men overleven. Door lijn te trekken, zoals een oud-gevangene in het boek van De Keizer getuigt. Dat deden de Puttenaren niet. Integendeel, zij werkten hard en keken eerder neer op degenen die zich aan de arbeid probeerden te onttrekken. Is het dan mogelijk dat De Ruig toch gelijk heeft als hij zegt dat de Puttenaren hun gevangenschap, ondanks hun zichtbare heimwee naar huis en haard, als een lotsbeschikking van God ervoeren en 'verliefd waren op de vloek waaronder zij leefden’? Elkins wijst nog op een andere psychische overlevingsstrategie. Het shockeffect van de gevangenneming en het onwerkelijke van het kampleven waarin iedere link met de buitenwereld verbroken was en deze tot een abstractie maakte, voedde bij de gevangene het gevoel dat hem dit alles niet als subject overkwam, maar als object. Niet hemzelf dus, maar iemand anders. Dat gevoel maakte psychisch weerbaar en vergemakkelijkte het aanpassingsproces binnen het kamp. Men speelde een rol. Men ging over in een andere individualiteit, die er alles aan deed om te overleven. Ook liegen en stelen en aanpappen met de bewaker, door zich aan de ene kant met hem te identificeren en door aan de andere kant tegen hem op te kijken als tegen een vader van wie je in het voortgaan van je bestaan geheel afhankelijk bent. Het vrij unieke van de Puttenaren in Ladelund was dat zij niet individueel maar als collectief werden geplant in de gesloten gemeenschap van het kamp. Ze kwamen uit een grotendeels zeer gesloten gemeenschap met eigen normen en waarden en sociale controle. In het kamp bleven zij een gesloten gemeenschap, zij pasten zich niet aan. Het collectief stond het alternatief - als individu transformeren naar een 'ander ik’ - in de weg. Zou het niet mogelijk zijn dat men onder andere dáárdoor collectief ten onder is gegaan? Nog een andere essentiële vraag betreft de voeding. De getuigenverklaringen, zoals weergegeven door De Keizer, maken duidelijk dat de weldoorvoede boeren uit Putten behalve aan heimwee, ernstige voetwonden en algemene uitputting, zwaar hebben geleden onder de honger. Is hun hoge sterftepercentage, in vergelijking met bijvoorbeeld Noren en Denen, misschien in verband te brengen met het uitblijven van voedselpakketten die Noren en Denen binnen de Engelse blokkade wél ontvingen in Ladelund? Wellicht dat deel zes van de Parlementaire Enquête Commissie 'Buitenlandse Vertegenwoordiging; Hulpverlening aan Nederlanders’ hierop nieuw licht kan werpen. TERUG NAAR het derde punt: de herinnering aan Putten en hoe die in de geschiedschrijving vorm heeft gekregen. De Keizer zei daarover: 'Ik heb Putten als voorbeeld willen laten zien van hoe die herinnering aan Putten gemáákt is. Die is niet iets statisch. Niet iets wat in 1945 vast lag en dus nu nog. Ik laat zien hoeveel lokale krachten, nationale en culturele krachten inwerken op de herinnering van de mensen. Dat de herinnering aan Putten dus een geschiedenis heeft.’ De tekst op het achterplat van haar boek belooft dat zij 'de waarheid’ zal schrijven over Putten, maar wat zij juist heel verdienstelijk doet, is aantonen dat er verscheidene 'waarheden’ kunnen bestaan. Putten: De razzia en de herinnering is in sobere trant geschreven en voor iedereen toegankelijk. Door de opbouw van haar tekst en doordat zij steeds nieuwe gegevens aandraagt, dwingt De Keizer de lezer steeds weer terug te gaan naar haar uitgangspunt en dat van allerlei kanten onder de loep te houden. De kracht van het boek is vooral dat het tot nadenken beweegt, niet alleen over de 'zaak-Putten’, maar ook over het gewapende verzet als zodanig. Ondanks de vele publicaties is het laatste woord daarover nog allerminst gezegd. Zo zou het zeker de moeite waard zijn om de argumenten na te gaan die men in de hoogste legerkringen - zoals de Binnenlandse Strijdkrachten met Prins Bernhard aan het hoofd - ook na de razzia in Putten bleef aanvoeren om sabotage te stimuleren. Men denke slechts aan de aanslag in de nacht van 6 op 7 maart 1945 bij 'De Woeste Hoeve’. Als gevolg daarvan werden 263 'Todeskandidaten’ gefusilleerd. Eveneens is hernieuwd onderzoek naar de 'Velser Affaire’ de moeite waard, aangezien die 'verzettechnisch’ sterke overeenkomsten met de 'zaak-Putten’ vertoont. De Keizer laat ten slotte aan de hand van de 'zaak-Putten’ zien dat geschiedschrijving geen wetenschap is in de zin van een verstard, vastliggend, eens-en-voor-altijd weten. Dat zij, zoals De Keizer het uitdrukt, 'een vormgeven aan het verleden’ is, door iedere generatie opnieuw. Of, zoals Hans Goedkoop het in de NRC ondubbelzinnig formuleerde: 'Wie zijn herinneringen laat overtroeven door de officiële “herinnering” van een historicus, geeft argeloos de macht over zijn kijk op het verleden aan een ander. Hij vertrouwt die ander en ontwapent zichzelf vrijwillig, nog voor hij zeker weet of die ander het vertrouwen waard is.’ Alleen al in dat licht is de uitspraak van De Keizer terecht dat vele facetten van de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog opnieuw bekeken moeten worden. Zij heeft dat met haar boek over Putten, met name waar het de razzia betreft, zeker waargemaakt.