De realiteit van het thuisfront

Je leest ze eigenlijk zelden nog, de stream of consciousness-romans, waarin de auteur je niets meer of minder wil geven dan de volledige gedachtewereld van zijn hoofdpersonage, zijn herinneringen, zijn emoties, zijn observaties, zijn irritaties, vrijwel in real time opgetekend, zodat je als lezer een boek lang vastzit in het hoofd van iemand anders. Je kunt Naar de overkant van de nacht, de nieuwe, 176 bladzijden tellende roman van Jan van Mersbergen, in een korter tijdsbestek uitlezen dan de Vastelaovend duurt waarop het zich afspeelt, maar het effect is hetzelfde: Van Mersbergen schrijft met zulke precieze dronkenmanszwierigheid dat de roes en de vermoeidheid en de emoties van zijn personage bij vlagen volkomen aanstekelijk worden.
We volgen op carnavalsnacht in Venlo zeeman Ralf, die al in het eerste hoofdstuk aan het huilen is, overmand door sentimentele herinneringen aan zijn thuisfront. Vriendin, haar kinderen, zijn oude oom die hem alle vogelnamen in het Latijn leerde. Om zijn nek draagt hij een scheurkalender die op veertig staat, en na elk biertje, Jägermeistertje of Flügeltje mag er een blaadje af (de teller eindigt ergens in de zeventig), terwijl de kou door zijn Veermannenpekske snijdt. Meisjes verkleed als zonnebloemen en aardbeitjes werpen zich in zijn armen, hij krijgt ruzie en wordt vrienden met geschminkte Mexicanen, ‘Maxicanen’, en ondertussen moet hij door, niet stoppen met drinken, blijven bewegen, niet eten, 'want eten betekent zitten en zitten betekent bijna liggen en liggen is het einde’.
Je durft bij Van Mersbergen niet te zeggen waar zijn romans ontstaan. Beginnen ze met een verhaal dat hij wil vertellen waarvoor hij een stijl bedenkt, of precies andersom? Naar de overkant van de nacht begint in elk geval bijna als een stijloefening, waarin Van Mersbergen continu Ralfs gedachten heen en weer laat schieten van beheerst naar extatisch, maar als schrijver heel strak alles controleert, soms zo sterk dat het doorslaat naar te zelfbewust. Het best merk je dit in de zinnen die keer op keer herhaald worden, telkens als een alinea op zich:
Tu étais où?
Sturnus vulgaris. Het Grote Vogelboek in Kleur.
Met mij. Bel maar een keer terug.
Höf de glazer in de lôch.
Ta-ta-tadatatatata.
Het zijn steekwoorden die als mantra dienen - de flirtende meisjes, de band met zijn oom, de noodlottige relatie, het feest, de trompetten. Maar de mantra is zo zeer niet te missen dat het gemaniëreerd wordt, een trucje van de auteur, zoals de zinsnede 'naar de overkant’ net te vaak wordt gebruikt. Of zoals sommige quasi-poëtische zinnen net te pontificaal geponeerd worden: 'Het verschilt allemaal zo weinig. Het verschilt allemaal zo veel.’
Dit is natuurlijk het inherente probleem van heel mooi, heel fijn gestileerd schrijven: dat wanneer je een keer mis zit het meteen in het oog springt. Ik betrapte mezelf erop een keer of twaalf geïrriteerd te zijn bij dit soort missers, omdat het je op de constructie van het boek wijst, terwijl je de overige negentig procent perfect in het hoofd van het personage bent genesteld, juist omdat Van Mersbergen zo mooi schrijft. Het is een stijl die zich niet zo één-twee-drie laat typeren, een afwisseling van heldere woorden, associaties, het continu heen en weer zweven tussen Ralfs thuis en het carnavalsfeest, waarin veel onbenoemd blijft maar toch oplicht, door suggestieve, geladen beelden. Zoals wanneer een meisje verkleed als aardbei zich tegen Ralf aanvlijt: 'Ik geef haar een biertje. Weer een bedankje met die jonge zachte stem en ze zet haar mond aan het bekertje en neemt een slokje. Haar bedankje laat ik heel langzaam tot me komen, niet gehinderd door de muffe nachtelijke lucht van thuis die tot op de overloop heerst en die alle bedankjes van Sara waar ik op wachtte opslokte. Ze kwamen niet. En nu pas voel ik hoeveel pijn dat deed en ik leg een hand op de bovenarm van de aardbei, heel zachtjes, en mijn stem piept: Dat stel ik zeer op prijs.’
Heel langzaam komt zo de spanningsboog in het boek, gevormd door Ralfs gedachten aan zijn vriendin, Sara. Zijn liefde voor haar is een oude. Ze zaten bij elkaar op school en in een steegje bij zijn huis kwam een vriendinnetje naar Ralf toe om te zeggen dat Sara, elf jaar oud, 'op hem’ was. Hij reageerde lomp, ongeïnteresseerd, en vanachter de schutting hoorde hij een zacht gehuil: Sara stond te luisteren. Nu, als hij haar zoveel jaar later opnieuw tegen het lijf loopt in de supermarkt, heeft hij het zachte gehuil meteen in zijn hoofd. Ze is alleenstaand, moeder van vier, waarvan een blinde tweeling. Ralf kan niet naar haar kijken zonder te denken dat hij haar dit leven had kunnen besparen.
Uiteindelijk komt het besef van het verdriet, en ontdek je als lezer dat na Ralfs aanvankelijke heimwee naar vriendin, kinderen en haard, er ook sprake lijkt van een soort Helsinki-syndroom, waarin hij zich vrijwillig heeft vastgeketend aan een leven vol drama dat niet het zijne is. Soms, in korte, harde zinnen schijnt de felle realiteit van het thuisfront door de roes heen: 'Maybelle moet nog twaalf worden en ze weegt achtenzestig kilo.’ Je vraagt je af hoe draaglijk de kater zal zijn als hij weer nuchter is.


JAN VAN MERSBERGEN
NAAR DE OVERKANT VAN DE NACHT
Cossee, 176 blz., € 18,90