De recensent als oplichter

De literatuurrecensent is een bemiddelaar, die zo gewiekst mogelijk zijn werk doet en daarbij aan een zekere oplichting niet ontkomt, ter wille van de transactie die uiteindelijk het belangrijkste is. Zijn lezer wordt een lezer die de schrijver vindt – of minstens in zijn kenniswereld opgenomen heeft, en later in de boekhandel wellicht weer vindt. Elk van drieën weet dat een boek, voordat het wordt gelezen, om te beginnen moet worden opgelicht.

Wie in een dag- of weekblad een roman te recenseren krijgt, ontdekt al snel dat het grootste deel van zijn bespreking heengaat met het verstrekken van informatie. Wie is de schrijver, hoe ziet zijn oeuvre eruit, wat is de plaats van zijn nieuwe boek daarbinnen, welk verhaal vertelt het, heeft het bijzondere stilistische kenmerken en wat wil de auteur ermee zeggen? De beantwoording van die vragen neemt gewoonlijk de helft tot driekwart van de recensie in beslag, waarbij het percentage omgekeerd evenredig is aan de lengte ervan. Bij een eenvoudige signalering loopt het op tot bijna honderd procent en beperkt het oordeel zich meestal tot één zin of zinsdeel: goed boek, slecht boek of zo-zo.
Men moet van een recensie – anders dan van een literair essay, waarin een veeleisender kritiek zich kan ontplooien – dus geen te hoge verwachtingen koesteren. Voor een uitgebreide en welbeargumenteerde afweging is nauwelijks plaats in de acht- tot twaalfhonderd woorden die de gemiddelde dag- of weekbladrecensie telt. Daarvoor is ze ook niet bedoeld. Een journalistiek medium blijft aangelegd op bondigheid en haast, zelfs wanneer het in zijn katernen de nodige verdieping belooft. In eerste instantie steunt het bestaansrecht van recensies dan ook op drie vragen: Wat is er gaande in de nationale en internationale literatuur? Wat is er te zeggen over dit boek? Moet ik het lezen?

Die laatste vraag kan de lezer zelf slechts in een beperkt aantal gevallen met «ja» beantwoorden. Zijn tijd is beperkt, zelfs wanneer zijn belangstelling dat niet zou zijn. Dag- en weekbladkritiek is dus in belangrijke mate een vorm van substituerend lezen: de recensie vervangt de confrontatie met het boek, maar verlost de lezer (van de krant, niet van het boek) niettemin uit zijn totale onwetendheid. Hij kan «erover meepraten» tijdens beschaafde gesprekken en heeft een diffuse notie van wat er omgaat in het literaire en intellectuele leven. Recensies maken hem tot een geciviliseerd mens in een wereld waarin cultuur er nog toe doet.

De recensent is dus allereerst een plaatsvervangende lezer, die de burger bondig verslag doet van zijn ervaring en ontdekkingen. Hij doet dat vanuit de geprivilegieerde positie van enerzijds de veellezer en anderzijds – maar beide zijn direct met elkaar verbonden – de kenner van het literaire of wetenschapsgebied waarover hij schrijft. Hij moet het boek dat hij bespreekt situeren in het veld waartoe het behoort en dat zijn specialisme is (de Amerikaanse literatuur, de astrofysica, de negentiende-eeuwse poëzie, de situatie in het Midden-Oosten), niet alleen om daardoor de specifieke betekenis ervan te kunnen laten zien, maar ook om bij de lezer deze stand van zaken opnieuw in herinnering te roepen en het overzicht daarvan op te frissen.

Bij die situatieschets hoort ook een mini-portret van de auteur en van zijn oeuvre, zo daarvan sprake is. Van belang is immers niet alleen de vraag waarin hij en zijn boek verschillen van zijn (literaire of wetenschappelijke) omgeving, maar ook waarin hij verschilt van zichzelf en zijn vroegere productie. Zijn er veranderingen van inzicht, benadering of stijl aan te wijzen? Zo ja, wat betekent dat dan voor de rest van het veld, voor zijn eigen literaire of wetenschappelijke project – en vooral voor de betekenis van dit boek, dat immers niet op zichzelf staat? Het ontleent zijn relevantie aan zijn zeggingskracht binnen de wereld waartoe het behoort (literatuur, wetenschap, essayistiek et cetera) en vervolgens binnen de wereld als geheel.

Voordat er iets gezegd kan worden over die laatste betekenis, die voor het boek en dus ook voor de recensent uiteindelijk het belangrijkste is, moet de bespreker eerst simpelweg hebben uitgelegd waar het boek over gaat. Juist op dat punt beginnen recensies van een literair werk of een non-fictieboek van elkaar te verschillen en wordt hun specificiteit zichtbaar. Er is wel opgemerkt dat het grote onderscheid tussen beide genres ligt in het verschil tussen hoe en wat. Het belang van literaire werken concentreert zich op de wijze waarop het vertelde is opgeschreven en van vorm is voorzien. Niet-fictionele boeken zijn daarentegen gericht op het verschaffen van informatie over de wereld buiten hen, waarbij de taal en vorm waarin dat gebeurt een bijzaak is.

Dienovereenkomstig moet ook de aandacht van de recensent in het eerste geval uitgaan naar de vraag hoe het literaire werk zijn eigen wereld schept en daarin bestaat, terwijl hij in het tweede geval kijkt naar de verhouding tussen boek en de bestaande wereld. Bij literatuur vraagt hij of het werk inwendig coherent is, en vervolgens wat die hermetische coherentie te betekenen heeft. Bij non-fictie beproeft hij de uitwendige coherentie van het geschrevene met een wereld die zelfstandig bestaat, onafhankelijk van het boek. Kort gezegd: bij non-fictie toetst de wereld het geschrevene; in de literatuur vormt het geschrevene de toetssteen van de wereld.

Dat onderscheid dankt zijn helderheid echter vooral aan zijn simplisme. Ook literatuur bestaat niet zonder een buitenwereld, waarnaar ze met bijna ieder woord verwijst en waarbinnen ze pas begrijpelijk wordt. En omgekeerd kan geen enkel feitengeschrift het stellen zonder stijl en vorm, beginnend bij het wetsartikel en de notariële akte via het journalistieke relaas naar het wetenschappelijke traktaat, de historiografie en het essay. In de mate waarin binnen deze reeks de stijl steeds meer de aandacht op zichzelf gaat vestigen, kunnen we een groeiende verwantschap vaststellen met de literatuur, waarin de laatstgenoemde genres ten slotte uitmonden.

Houden we ons niettemin grosso modo aan dit populaire onderscheid, dan is de vraag wat de literatuurrecensent te doen staat wanneer hij zich van zijn informatieve taak gekweten heeft en bij zijn – eventueel summiere – oordeel is aangeland. Wil dat laatste voor de lezer plausibel zijn, dan moet het uiteraard steunen op datgene wat de bespreking reeds als informatie heeft aangereikt. Wie het literair purisme ter harte gaat, kan in dat opzicht gerustgesteld zijn. Ook de formele en stilistische kenmerken van het boek behoren tot de primaire zaken die in de beschrijving van het boek aan de orde moeten komen.

Toch zijn stijl en vorm niet per se de eerste, laat staan unieke criteria waarnaar een recensent een roman te beoordelen heeft. De eerste regel die hij daarbij in het oog heeft te houden zegt dat een boek gelezen moet worden volgens de criteria die het zelf aanreikt. En ook de inzet van een literair werk hoeft niet in de eerste plaats formeel te zijn. Hij kan zich bewegen op het vlak van de politieke boodschap, de maatschappelijke aanklacht of de religieuze sensitiviteit. Een groot aantal romans bezitten, naast en soms boven hun literair-formele waarde uit, een morele betekenis – in de meest brede zin die dat woord heeft en die het louter ethische («moralistische») verre overstijgt.

Zelfs wanneer we afzien van de informatieve aspecten die een roman kan bezitten (en die hij met de non-fictie gemeen heeft), dan nog loopt een oordeelscriterium dat meent zich op grond van die uitsluiting tot het strikt formele (het hoe) te kunnen beperken vanuit de eigen zeggingskracht van de roman spaak. Schrijvers die hun boek louter beschouwen als een oefening in virtuositeit zijn vermoedelijk op de vingers van één hand te tellen – en hoogstwaarschijnlijk zelfs dat niet. In vrijwel alle gevallen behelst een roman een betekenis die de zuivere formaliteit overstijgt, al was het maar omdat zelfs de meest literair-immanent schrijvende auteur met zijn werk nog altijd een signaal afgeeft aan de realiteit waarbinnen hij schrijft. Desnoods keert hij zich van haar af, om zijn heil te zoeken in een kunstige wereld die slechts om wille van zichzelf en haar eigen schoonheid bestaat – maar zelfs dat laat haar niet onverlet. Veelal wordt in een dergelijke wending tot het «zuiver» literaire de werkelijkheid afgewezen op een ogenschijnlijk gesublimeerde wijze, waarin de maar al te reële heftigheid zich onderhuids onmiskenbaar doet gevoelen. Juist een dergelijk estheticisme wordt vaak gevoed door onmiskenbare wereldhaat.

Iedere literatuur, hoe fictioneel ook, doet dus een uitspraak over en tot een wereld waarvan zij zich slechts kan losmaken tegen de prijs van haar eigen marginalisering. In deze aanspraak ligt haar zeggingskracht en het is die strekking die de recensent uit haar naar voren te halen heeft. Die is immers – zo mag hij vermoeden – de inzet van wat de auteur met het boek heeft gewild. Dat vermoeden kan hij ontlenen aan diens uitspraken, het reeds bestaande oeuvre, maar vooral wordt het hem ingegeven door de lezing van het boek zelf, dat hem – zoals gezegd – zijn eigen criteria voorhoudt. Eenduidig en expliciet zijn die maatstaven gewoonlijk niet en de recensent kan zich daarin uiteraard vergissen. Maar voor al te langdurige en hardnekkige dwaalwegen behoedt hem zijn expertise, die op haar beurt zelf haar bewijs vindt in de trefzekerheid van zijn lezing. Een recensent die zich in zijn begrip van de door hem besproken boeken té vaak vergist, diskwalificeert uiteindelijk zichzelf.

Een slaafse duvelstoejager van de auteur is hij daarbij echter niet. Hoewel een recensent de klaarblijkelijke oogmerken van de schrijver altijd ernstig moet nemen, is hij voor zijn beoordeling en interpretatie van het boek niet daaraan gebonden. Menige roman laat zich zeer goed lezen tegen de bedoeling van de auteur in en daaruit ontstaan vaak de spannendste interpretaties. Tegelijk wordt de rol van de recensent pas dan in eigenlijke zin kritisch. Hij oppert niet alleen bedenkingen bij het meesterschap van de auteur (die zijn eigen schrijven misschien onvoldoende beheerst om het boek te maken dat hij wilde schrijven of meent te hebben geschreven – en daarmee blijkt de incompetente schrijver ook nog eens een slechte lezer). Maar hij onderscheidt – de oorspronkelijke betekenis van «kritiek» – bovendien de ene zeggingswil (die van de auteur) van de andere (die van het boek zelf).

Uiteraard is de uitdrukkingskracht van het boek zelf voor de beoordeling ervan altijd doorslaggevend, maar dat criterium brengt de recensent tegelijk wel op glad ijs. Het gezag van de interpretatie die hij zijn lezers voorhoudt hangt immers geheel van hemzelf af. Hij pretendeert een betere lezer te zijn dan zelfs de auteur en daartoe moet hij zijn papieren tonen. Zoals gezegd moeten argumenten die stoelen op de eerder gegeven objectieve beschrijving van het boek daarbij zijn gelijk bewijzen of minstens plausibel maken. Valt een dergelijk oordeel uit de lucht, dan krijgt de recensie onwillekeurig iets belachelijks, met alle gevolgen voor haar eigen geloofwaardigheid.

Hoe vanzelfsprekend deze vuistregels ook mogen lijken, ze impliceren wel dat een recensent niet ontkomt aan een interpretatie van het boek, die verder gaat dan de beschrijving van de inhoud of de evaluatie van de stijl. Altijd moet ook de vraag beantwoord worden naar de betekenis die de roman wil hebben voor de wereld waarbinnen hij gelezen wordt – en daarmee overstijgt de recensent het louter literaire. Terwijl hij enerzijds het vlak betreedt van het politieke, religieuze of – in de eerder aangeduide, brede betekenis van het woord – het morele, overstijgt hij ook de anekdotiek en stilistiek van het fictiewerk om daaruit de op de wereld gerichte zeggingswil naar voren te halen. In dat opzicht is de recensent onvermijdelijk een (eventueel «immorele») moralist die expliciet maakt wat de fictionele vorm in zichzelf aan boodschap omhult.

Die taak is uitermate hachelijk, omdat een roman nu eenmaal geen filosofisch, politiek of maatschappelijk traktaat is dat zijn inzichten rechttoe, rechtaan aan de lezer kan overdragen. De inzichten die de roman bevat onttrekken zich aan de eenduidigheid van de verhandeling en kunnen precies daarom des te subtieler en veelkantiger zijn. Als een roman zich in íets van het traktaat onderscheidt, dan is het de pluriformiteit van stemmen en perspectieven die daarin tot uitdrukking komen en die zich nu juist niet tot één boodschap versmallen.

In de plicht tot duiding waarmee hij de zeggingswil van de roman rechtdoet, verraadt de recensent die laatste dus tegelijkertijd, omdat hij aan de fijnmazigheid daarvan onmogelijk recht kan doen in het korte bestek waarbinnen hij zich moet uitdrukken. Aan vergroving ontkomt hij hier net zo min als hij dat bij de bespreking van de specifiek literaire aspecten daarvan (vertelwijze, stijl, perspectief et cetera) doet. Maar in geen van beide gevallen kan deze tekortkoming een reden zijn om er het zwijgen toe te doen. Hij zal, net zoals zijn lezers, moeten roeien met de riemen die hij heeft, in het volle besef dat ook in dit opzicht van de recensie geen wonderen mogen worden verwacht.

Schipperend binnen de kolomruimte die hem gegund is, stoot de recensent bij de interpretatie van de roman echter op een specifiek probleem. Veel meer dan in zijn oordeel over de literaire aspecten lopen constatering en verwerking hier bijna ongemerkt in elkaar over. Het verhaal dat hij samenvat en waaruit hij vervolgens de moraal destilleert, wordt immers mede door die moraal gestuurd. Wat binnen het vertelde belangrijk is en wat niet is afhankelijk van een criterium dat door dat verhaal zélf zou moeten worden aangereikt, maar daarbij sluit het werk zich wel in een vicieuze cirkel. De interpreterende recensent ontkomt er dan ook niet aan deze te doorbreken door middel van een eigen beslissing. Op enig moment in dat proces is hij het (en niet de schrijver of het verhaal) die decreteert wat er in zijn lezing van het verhaal belangrijk zal worden en wat niet.

Die beslissing vormt het subjectieve element in iedere recensie en de oorzaak van de grote verschillen in oordeel en zelfs weergave tussen verschillende besprekers – hoe gewetensvol zij ook te werk mogen gaan. Daarvoor zijn niet vooringenomenheid of kwade trouw verantwoordelijk, maar juist het eerder geconstateerde literaire feit dat ieder verhaal zijn eigen criteria in zich sluit. De cirkelgang tussen anekdote (datgene wat wordt verteld) en impliciete maatstaf (waarvan het hoe van de vertelling de uitdrukking is) speelt zich immers af binnen één en dezelfde tekst, waarin ze met elkaar verweven zijn. Deze kan slechts worden opengebroken door een ingreep van buitenaf, vanuit de subjectiviteit van de lezer. In dat opzicht is iedere lezing – zoals Hans-Georg Gadamer heeft vastgesteld – «bevooroordeeld». Altijd wordt ze ondernomen door een persoonlijkheid die is opgenomen in haar eigen situatie en haar eigen geschiedenis met zich meesleept.

Wat voor het strikt literaire oordeel al een probleem is, wordt in het morele oordeel overduidelijk – vooral wanneer de recensent zich daarbij ook nog eens tegen de klaarblijkelijke intentie van de schrijver verzet. Stelt hij vragen bij diens woordgebruik of zijn hantering van het vertelperspectief, dan vraagt hij naar diens vakmanschap, dat hij vooralsnog blijft veronderstellen. De merkwaardige werkwoordstijden in dit boek hoeven immers niet het gevolg te zijn van onhandigheid. Wellicht heeft de schrijver er een specifiek effect van vervreemding mee beoogd.

In dat geval koppelt zich daaraan onmiddellijk de vraag naar de betekenis en bedoeling van dit effect en daarmee begeeft de recensent zich op het vlak van de interpretatie. Maar voordat het zo ver is moet hij beslist hebben over de vraag of er wel sprake is van gewiekste opzet – of dat het de schrijver misschien toch aan handigheid ontbreekt. Díe vraag is echter redelijk objectief te beantwoorden. Schrijfcompetentie is niet moeilijk vast te stellen op grond van andere elementen in de tekst, vergelijking met ander werk van de auteur en eventueel diens uitspraken over zijn eigen schrijven.

Veel moeilijker ligt het wanneer een dergelijke twijfel rijst ten aanzien van de morele strekking van het boek. Juist door de veelkantigheid van de roman kan deze gemakkelijk in meerdere richtingen worden gebogen. Eenduidigheid is hier veel moeilijker aan te wijzen en ook de uitspraken van de auteur bieden hier geen houvast meer. Wat die laatste wil, is immers niet per se hetzelfde als wat er in het boek staat. Ook wanneer we de vraag naar de schrijverscompetentie buiten beschouwing laten, kan een intrige of personage zich ontwikkelen tegen de intentie van de auteur in – zelfs buiten diens bewustzijn om. Ironisch genoeg is het juist de meest moralistische literatuur (in de gangbare betekenis van het woord) die daarvan de beste voorbeelden geeft. José Saramago, de grootste moralist onder de Nobelprijswinnaars, heeft van de humanistische strekking van zijn boeken geen geheim gemaakt. Toch laat een hardnekkig soort kwaadaardigheid in veel van zijn romans de mogelijkheid open van een veel sinisterder lezing dan de auteur in zijn eigen commentaren lijkt te hebben beoogd.

Op dat ogenblik staat de recensent voor een dilemma. Leest hij het boek op de humanistische of de duistere wijze – en wiens boek leest hij in het tweede geval? Is een dergelijke ondergrondse tegen-interpretatie nog wel het «werk» van Saramago, of vervalst de recensent dat in zekere zin – om zijn lezer vervolgens wel een veel prikkelender interpretatie aan te bieden? Onder welke naam en noemer moet hij die laatste echter presenteren? Terwijl de schrijver Saramago er met geen woord over rept, biedt zijn boek er aantoonbaar ruimte voor – maar wiens ruimte is dat? Terwijl de mogelijkheid nooit kan worden uitgesloten dat de moralistische schrijver in het geheim zijn eigen humanisme heeft willen ondermijnen, kan de recensent niet anders dan constateren dat de keuze tussen beide voor hem onbeslisbaar is – en hij de interessantere lezing dus slechts kan aanbieden als een mogelijke interpretatie, die tegelijk het hele boek verandert.

Binnen de ruimte van zijn recensie zal de bespreker dat probleem nauwelijks kunnen aanraken. Uitdiepen kan hij het alleen in het soort essays waarin de literaire kritiek zich breeduit kan ontplooien. Het journalistieker medium van de romanbespreking is aangewezen op een zo feitelijk mogelijke opzet, toegesneden op de specifieke attitude van de krantenlezer. Dat betekent dat ook het oordeel onvermijdelijk gedwongen is tot een stelligheid waarbij de recensent zich soms wat ongemakkelijk voelt. Waar zijn lezing zich verstrikt in onzekerheid of onbeslisbaarheden zal hij meer knopen moeten doorhakken dan hem lief zijn.

Daarin lijkt de recensent op de vertaler, wiens professie volgens een Italiaanse zegswijze zo passend op die van de verrader rijmt. Toevallig is dat waarschijnlijk niet. Ook de recensent is een bemiddelaar, die zo gewiekst mogelijk zijn werk doet en daarbij aan een zekere oplichting niet ontkomt, ter wille van de transactie die uiteindelijk het belangrijkste is. Zijn lezer wordt een lezer die de schrijver vindt – of minstens in zijn kenniswereld opgenomen heeft, en later in de boekhandel wellicht weer vindt. Elk van drieën weet dat een boek, voordat het wordt gelezen, om te beginnen moet worden opgelicht. *