Interview Paul Cliteur

De rechten van het dier

Veel mensen hebben nog steeds een «morele blinde vlek» als het gaat om dieren. Rechtsfilosoof Paul Cliteur bekeek onze relatie tot het dier vanuit intellectueel oogpunt. «Bij godsdienstvrijheid voor een garnaal kun je je moeilijk iets voorstellen.»

Als we de denkbeelden van sommige sombere filosofen en religieuze fundamentalisten buiten beschouwing laten, lijkt het erop dat onze beschaving althans in theorie aardig is voltooid. Akkoord, in de praktijk is het vaak nog een zootje, maar we hebben tenminste de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die geldt als de perfecte grondslag voor een humane en democratische samenleving. Als we nu maar flink ons best doen, dan komt ooit de dag dat de mensenrechten voor iedereen op deze wereld gelden. En wat wil een mens nog meer?

Wie zo denkt, vergeet echter dat de mens niet het enige levende wezen op deze planeet is. Terwijl wij het er, althans op papier, over eens zijn dat het zeer verkeerd is om mensen puur op grond van hun «anders-zijn» gevangen te zetten, laat staan te martelen of te vermoorden, is dat nog steeds de gewoonste zaak van de wereld als het gaat om dieren. Toch valt de laatste jaren een voorzichtige kentering te bespeuren. Het uit 1975 daterende Animal Liberation van Peter Singer bleef lange tijd onopgemerkt, maar langzamerhand beginnen dit soort ideeën door te sijpelen. In Nederland hebben hier vooral de varkenspest epidemie en de MKZ-crisis aan bijgedragen.

Rechtsfilosoof Paul Cliteur publiceert nu het boekje Darwin, dier en recht, waarin hij pleit voor een grondige «herijking» van de opvattingen over onze relatie tot het dier.

Het biedt een beknopt overzicht van de ontwikkeling in het denken over dieren, waarbij aandacht wordt besteed aan filosofen die wel oog hadden voor de positie van dieren, zoals Voltaire, Jeremy Bentham en Arthur Schopenhauer. De grote boosdoeners als het gaat om een diervijandige opstelling zijn, naast filosofen als Plato, Descartes en Kant, de grote monotheïstische godsdiensten. Wat de huidige discussie betreft gaat Cliteur in op het werk van mensen als Singer, James Rachels, Joseph Fletcher en Tom Regan. In hun werk gaat het om de fundamentele vraag: behoren mens en dier tot een volstrekt andere orde, zijn de verschillen zo groot dat een volmaakt andere behandeling van mens en dier gerechtvaardigd is? Sinds Darwin weten we dat het onderscheid tussen het menselijke dier en het niet-menselijke dier vrij klein is. Bovendien, werd nog maar twee eeuwen geleden van negerslaven en vrouwen ook niet gezegd dat ze van een totaal andere orde waren dan blanke mannen? Allerlei denkers die in tal van opzichten zeer progressief waren, hadden toen een «morele blinde vlek» als het ging om vrouwen of zwarten. En die blinde vlek hebben veel mensen nog altijd als het gaat om dieren.

Maar als je ervan uitgaat dat het niet rechtvaardig is om het dier nog langer te beschouwen als een «ding», dan heeft dat nogal wat gevolgen. Cliteur erkent dit volmondig: «Als je het pleidooi voor dierenrechten heel serieus neemt, heeft dat zeer verstrekkende consequenties. Dan kom je op gespannen voet met de rest van de samenleving te verkeren. In de eerste plaats moet je dan geen vlees, leer of andere dierlijke producten gebruiken. Maar je zou misschien ook dieren uit fokkerijen moeten bevrijden. Zelf leef ik daar niet naar. Wel ben ik wat bewuster over deze zaken gaan nadenken, en ik sta niet graag meer bij de slager. Ik eet minder vlees en ik zal niet gauw een bontjas dragen, maar ik ben geen totale vegetariër.

Ik benader het voornamelijk vanuit de intellectuele invalshoek. Indachtig de woorden van Schopenhauer, die zei: ‹Ik vertel wat heilig is, maar ik ben zelf geen heilige.› Er zijn misschien mensen die intuïtief een veel betere levenswandel hebben dan ik, maar die er niet over reflecteren. Ik reflecteer er tenminste wel over. Ik ben in dit debat verzeild geraakt door de colleges ethiek die ik in Delft geef. In met name Angelsaksische handboeken over ethiek wordt de laatste jaren veel aandacht besteed aan het denken over dierenrechten. Dat valt daar onder de bio-ethiek in het algemeen. Vraagstukken over euthanasie en abortus worden vaak in samenhang met dierenrechten behandeld. Op het eerste gezicht is dat vreemd, maar als je in die discussies duikt, zie je toch heel vaak dezelfde patronen terugkomen. Bij abortus en euthanasie is een belangrijke vraag bijvoorbeeld: wat is menswaardig leven, wanneer daalt de mens onder een minimumgrens wat waardigheid betreft? Het spiegelbeeld daarvan heb je in de discussie over dierenrechten. Wanneer wordt het dierlijk leven zo georganiseerd, zo geavanceerd, is het centraal zenuwstelsel zo ontwikkeld, de gevoeligheid voor pijnprikkels zo sterk, dat je kunt zeggen: nou, dit begint toch wel heel erg op menselijk leven te lijken. Via die invalshoek ben ik verzeild geraakt in deze discussie, en toen ging het me ook enorm fascineren.»

In de discussies over de positie van dieren zijn twee richtingen te onderscheiden. Terwijl iemand als Tom Regan het zonder meer heeft over de rechten van een dier, gaat dat Singer te ver, en wil hij opkomen voor de «belangen» van het dier. Wat is uw positie in dit debat?

«Zelf voel ik het meeste voor de benadering die uitgaat van dierenrechten, maar het is wel Singer geweest die mij de ogen heeft geopend. In het denken over dieren en dierenrechten kom je dezelfde tegenstellingen tegen die er zijn in de reguliere ethiek. Grofweg zijn daar twee richtingen. De eerste, die aansluit bij het werk van Jeremy Bentham, gaat ervan uit dat het nuttigheidsdenken centraal moet staan. Het gaat om het maximaliseren van het welzijn van een zo groot mogelijke categorie van mensen. De andere richting bouwt vooral voort op Kant en richt zich vooral op de rechten van mensen. Bepaalde dingen mag je eenvoudig nooit doen, dat is de categorische imperatief. Die twee benaderingen vind je ook weer terug in het denken over dieren. Er zijn mensen, zoals Singer, die het vooral vanuit de eerste, utilistische richting benaderen, anderen benadrukken het aspect van de rechten. Tom Regan is van mening dat de utilistische benadering tekortschiet en onvoldoende oog heeft voor de dierlijke waardigheid. We moeten daarom de dieren rechten toekennen. Zelf kunnen ze daar niet voor opkomen, maar dan moeten wij er maar voor zorgen dat die rechten worden geëffectueerd.

Als je kiest voor die laatste benadering wil dat natuurlijk nog niet zeggen dat je meteen maar de hele codex van gewone mensenrechten ook aan dieren kunt toekennen. Bij godsdienstvrijheid voor een garnaal kun je je moeilijk iets voorstellen. Maar je zou wel de lijst van mensenrechten moeten doorkammen om te kijken welk recht zich leent voor welke dieren. En welke rechten zich misschien wel lenen voor alle dieren. Zelfbeschikking wordt natuurlijk wat moeilijk, maar bijvoorbeeld het recht niet gefolterd te worden is een vrij hard recht, dat je volgens mij op zeer veel dieren kunt toepassen. Recht op een natuurlijke leefomgeving is ook zoiets. Maar daar kom je al in de problemen, omdat de belangen van mensen en dieren aardig gaan botsen.»

Heeft niet gewoon elk dier recht op leven?

«Dat is natuurlijk meteen al heel moeilijk. Voor bepaalde dieren zou je inderdaad moeten zeggen dat het doden ervan vrij problematisch is. Dat geldt dan niet voor een vlieg, ik heb er toevallig vanochtend weer een paar doodgeslagen, maar je kunt je wel heel goed voorstellen dat gorilla’s recht op leven hebben. Je zou het voor elk afzonderlijk recht moeten afwegen en je zou een heel goed onderscheid moeten maken tussen verschillende categorieën van dieren. Singer neemt tot uitgangspunt het vermogen tot het ervaren van pijn. Dat is ook heel consequent utilistisch gedacht, want ze gaan helemaal terug op het idee van Bentham, dat de mens leeft onder de heerschappij van pain and pleasure. Het eerste moet zoveel mogelijk worden gereduceerd, de pleasure moet worden gemaximaliseerd.»

Je mag wel doden, als het maar pijnloos gebeurt?

«Nou, dat is in ieder geval al een vooruitgang, zou ik zeggen. Maar vanuit utilistisch perspectief zal men zeggen dat het toch nog mooier is om het leven zo lang mogelijk te rekken, zoals dat ook voor mensen geldt. Maar ook wat dat betreft geldt: niet grenzeloos. Ook in de euthanasiediscussie gaat het om de vraag of je het menselijk leven wel eindeloos moet rekken, ook als er sprake is van zinloos lijden dat de dood tot gevolg heeft. Tegenwoordig zeggen steeds meer mensen: nee, dat moeten we misschien maar niet doen.

Datzelfde geldt voor dieren. Maar als dieren volstrekt gezond zijn, is er eigenlijk geen reden waarom ze niet verder zouden mogen leven.»

Maar een vlieg mag je wel doodslaan?

«Er wordt verschillend over gedacht, maar die vlieg heeft in ieder geval niet een zodanig ontwikkeld centraal zenuwstelsel dat je kunt zeggen dat hij heel erg lijdt door het feit dat je een eind maakt aan zijn leven. Dat zou een criterium kunnen zijn. Je kunt ook zeggen: je moet de dierenrechten beperken tot ‹personen›. Dat is een heel belangrijk concept: pas wanneer een bepaald dier een persoon zou zijn, kwalificeert hij zich voor bepaalde rechten. Daar zijn allerlei criteria voor ontwikkeld, voornamelijk door Fletcher. Je moet bijvoorbeeld besef hebben van tijd, je moet weten dat je op een bepaald moment geboren bent en dat je een bepaalde toekomst hebt, je moet een zekere mate van rationaliteit bezitten, keuzes kunnen maken. Eigenlijk zijn het precies dezelfde criteria die we ook in de euthanasiediscussie toepassen. Op het moment dat iemand ligt te ijlen in zijn bed, geen besef meer heeft van tijd, zijn ontlasting laat lopen, kunstmatig wordt gevoed, op dat moment zeggen we: dit is wel biologisch leven, in de zin waarin een plant leeft of een aidsbacil, maar het is geen leven meer van een persoon. James Rachels spreekt van een ‹biografisch› leven, dat uitstijgt boven een biologisch leven. Als dat ontbreekt, dan kun je je voorstellen dat een einde wordt gemaakt aan het leven.

Sommige soorten van dierlijk leven zijn in de aard der zaak geen persoonlijk of biografisch leven. Het leven van een amoebe bijvoorbeeld. Sommig dierlijk leven zit bijna tegen plantaardig leven aan. Maar er zijn ook vormen van dierlijk leven die heel hoog ontwikkeld zijn, een paard of een gorilla bijvoorbeeld.»

In zijn prettig geschreven boek benadrukt Cliteur telkens dat allerlei denkbeelden die rond 1800 golden als waanzinnige hersenschimmen nu algemeen geaccepteerd zijn. Hij is vrij optimistisch over de toekomst en in feite beschouwt Cliteur de erkenning van dierenrechten als de voltooiing van de Verlichting. Een helder en respectabel standpunt. Maar misschien wel enigszins merkwaardig voor een man die onlangs zitting nam in de Raad van Aanbeveling van de conservatieve Edmund Burkestichting, naast mensen als Dries van Agt, Eimert van Middelkoop en Andreas Kinneging. Vanuit deze kring wordt nogal wat kritiek geuit op het Verlichtingsdenken en het geloof in de vooruitgang. Voor de eerste Edmund Burkelezing, in juli van dit jaar, nodigde de stichting de bekende Engelse conservatieve filsosoof Roger Scruton uit. In een interview met De Groene Amsterdammer bepleitte die toen een «Verduistering» in plaats van Verlichting, omdat al dat kritisch nadenken wel goed was voor een handjevol intellectuelen, maar «de man in de straat» alleen maar in verwarring zou brengen. Hoe valt dit te rijmen met Cliteurs pleidooi voor voltooiing van de Verlichting?

Cliteur: «Ik geloof dat het enorm moeilijk is om een min of meer consistente wereldbeschouwing te ontwikkelen, en misschien ben ik daar ook helemaal niet in geslaagd. Misschien heb je daar een punt te pakken, en is er hier sprake van intellectuele schizofrenie. Volgens mij zijn echter bepaalde zaken best te combineren. Om te beginnen ben ik absoluut niet elitair, zoals Scruton. Je moet ervan uitgaan dat je met redelijk denkende wezens te maken hebt, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Maar onder de zogenaamde intellectuele elite van Nederland lopen ook genoeg mensen rond van wie ik denk dat ik er maar beter niet mee kan praten. En dat gezeur over ‹de man in de straat›, die bestaat helemaal niet meer. Veel mensen hebben een prima opleiding, zijn zeer ontwikkeld. Soms zit de man of vrouw in de straat in de regering. Neem nu zo’n Jorritsma, met haar gegiebel, daarmee kun je toch niet over serieuze onderwerpen praten?

Wat mijn engagement met de Burkestichting inhoudt, is dat er op dit moment vooral veel dingen zijn die we moeten behouden of zelfs herstellen. Bijvoorbeeld het hele denken over de politiek, dat is toch volkomen wazig. Sinds de jaren zestig is daar heel rommelig over nagedacht, het is gemodder en geklooi, terwijl ik van heldere uitgangspunten houd. Bijvoorbeeld over mensenrechten, over politiek-ambtelijke verhoudingen, over democratie. Daar is allemaal rommelig en piecemeal over nagedacht. Dat was vroeger allemaal beter. Je krijgt ook het gevoel dat mensen toen wijzer waren, dat schrijvers ook beter waren, dat filosofen interessanter waren. We hebben eigenlijk veel meer te verliezen dan te winnen.

Maar om misverstanden te voorkomen, je moet het conservatisme niet zien als een sta tionaire wereldbeschouwing. Het is een dynamische aangelegenheid. Je wilt wel degelijk bepaalde veranderingen bewerkstelligen, maar je wilt er heel goed over nadenken en je wilt het geleidelijk aan doen. Bovendien is er veel kapotgemaakt. Zo is het denken over mensenrechten veel te ver doorgeslagen; we hebben te veel mensenrechten gekregen. Je hebt bijvoorbeeld het recht om te genieten van kunst. Amnesty International maakt zich nu sterk voor de sociale en economische rechten. Dat is een heel rare opvatting, want het betekent eigenlijk alleen maar dat over allerlei sociale doelstellingen niet langer de democratisch gekozen wetgever het laatste woord heeft. Dat leidt dus tot een enorme juridisering van de samenleving. Het CDA kwam laatst met een recht op veiligheid. Waanzin!

In veel oosterse culturen wordt meer nadruk gelegd op plichten dan op rechten. Daar zouden we nog iets van kunnen leren. Daarom pleit ik ook voor het opnemen van burgerplichten in de Nederlandse grondwet. En sommige rechten zouden moeten worden geformuleerd als doelstellingen van overheidsbeleid. Maar ja, over die grondwet is gewoon heel slecht nagedacht. Dus als we er toch eens de stofkam door gaan halen, laten we dan de gelegenheid te baat nemen en ook die dierenrechten een plaats geven. Daar moet je natuurlijk wel heel goed over nadenken, maar we zouden er een moreel gidsland in kunnen zijn.»

Paul Cliteur, Darwin, dier en recht

Uitg. Boom, 117 blz., ƒ25,-

Van Peter Singer verschijnt in december bij Boom het boekje Links darwinisme