De rechten van het konikpaard

MET DE BIODIVERSITEIT is het wereldwijd bar slecht gesteld. Vooral in het dichtbevolkte Nederland, met zijn intensieve agrarische en zijn expansieve chemische sector, is het tempo waarin de variëteit van levensvormen afneemt, onrustbarend. Om het tij te keren heeft men het natuurbeleid omgebogen van een defensieve naar een offensieve aanpak. Daarin draait het om de ontwikkeling van nieuwe natuur, of beter gezegd: ‘terugontwikkeling’, want het voorbeeld dat men daarbij hanteert, is de oude maar inmiddels verdwenen natuur.

Een van de strategieën om deze lost world te heroveren is de herintroductie van verdwenen diersoorten. Incidenteel werden ook vroeger al bepaalde dieren uitgezet, zoals de raaf en de ooievaar, maar pas de afgelopen jaren is er sprake van een systematisch beleid. Recente voorbeelden zijn de herintroductie van dagvlinders, boomkikkers, bevers, zeearenden en grote grazers, zoals edelherten, Heckrunderen en konikpaarden. Plannen die op stapel staan betreffen de otter, de lynx, de eland en de Europese bizon.
Voor het uitzetten van dieren is een vergunning van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij nodig. Het ministerie hanteert een aantal criteria dat door de IUCN, ’s(werelds grootste natuurbeschermingsorganisatie, is opgesteld. Wil een dier voor herintroductie in aanmerking komen, dan moet, om ‘faunavervalsing’ tegen te gaan, duidelijk zijn dat de soort eerder in Nederland voorkwam. De biotoop moet groot en rijk genoeg zijn om een levensvatbare populatie te kunnen herbergen. De soort mag niet binnen een redelijke tijd op eigen kracht terug kunnen keren. En de oorzaak voor het verdwijnen van de soort mag niet meer aanwezig zijn.
DEZE VOORWAARDEN lijken helder, maar geven in specifieke gevallen telkens weer aanleiding tot conflicten. Neem het eerste punt. Hoe verder je in de geschiedenis teruggaat, hoe moeilijker het wordt om ondubbelzinnig vast te stellen welk dier hier van nature thuishoort. De otter is geen probleem. De laatste werd in 1988 op een snelweg in Friesland platgereden. Ook de bever is onomstreden. De laatste werd in 1826 bij Zalk aan de IJssel met een roeispaan doodgeslagen. Bij de zeearend beginnen de meningen al uiteen te lopen, maar bij de Heckrunderen en de konikpaarden raken we pas echt in de knoei. Heckrunderen zijn immers het resultaat van de pogingen van de gebroeders Heinz en Lutz Heck in de jaren twintig om het uitgestorven oerrund uit verschillende Europese runderrassen terug te kruisen. Hetzelfde geldt voor het konikpaard, dat de verdwenen tarpan, het Europese wilde paard, moet vervangen. Ruilen we hier niet een Vermeer in voor een Van Meegeren?
Twijfel bestaat ook over de vraag of een gebied als de Veluwe wel groot genoeg is voor een 'toppredator’ als de zeearend of de lynx. Sommigen hekelen het 'ecologisch ongeduld’ van organisaties die zich sterk maken voor de introductie van deze dieren. Vanwaar die haast? vragen zij zich af. De snelle introductie van spectaculaire diersoorten lijkt vooral bedoeld om de eigen achterban te behagen en een groter draagvlak onder de bevolking te scheppen - de zeearend als 'vliegend visitekaartje’ van het WNF.
Anderen stellen dat de problemen, die debet zijn aan het verdwijnen van diersoorten, allerminst zijn opgelost. Er is immers nog steeds sprake van verdroging, vermesting, verstoring, vervuiling, versnippering en ga zo maar door. Deze critici kunnen erop wijzen dat de resultaten van herintroductieprogramma’s tot nu toe verre van bemoedigend zijn. Wereldwijd slaagt ongeveer een kwart. Een recente studie over de Amerikaanse situatie komt zelfs amper boven de tien procent uit.
HET DEBAT OVER de voors en tegens van herintroductie heeft zich toegespitst op de grote grazers, niet alleen vanwege hun zichtbaarheid en aaibaarheid, maar ook vanwege hun aantal. Op dit moment wordt ongeveer vijftigduizend hectare begraasd. Het leeuwedeel hiervan is in het bezit van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de Provinciale Landschappen. De begrazing geschiedt door zo'n 2500 runderen, 1600 paarden, 5500 schapen en 185 geiten. Bekende gebieden met veel grote grazers zijn de Oostvaardersplassen, de Slikken van Flakkee en Imbosch/ Loenermark.
In het debat over de omgang met deze dieren staan de natuurontwikkelaars lijnrecht tegenover de dierenbeschermers. De natuurontwikkelaars willen natuurlijke selectieprocessen opnieuw een kans geven. Onder druk van deze processen moeten de uitgezette dieren weer leren op eigen benen te staan. De dierenbeschermers achten dit in strijd met de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren uit 1992. Volgens artikel 36 is eenieder verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen. Artikel 37 stipuleert bovendien dat het voor houders van dieren verboden is een dier de nodige verzorging te onthouden.
Met deze wettelijk vastgelegde zorgplicht voor individuele dieren kunnen de natuurontwikkelaars onmogelijk uit de voeten. Zij pleiten dan ook voor een aantal uitzonderingsbepalingen. Zij willen zieke of in hongers- of barensnood verkerende dieren onder bepaalde omstandigheden aan hun lot overlaten en hun kadavers (in strijd met de Destructiewet uit 1994) op het terrein laten liggen.
Tegen een dergelijke bewuste 'verwildering’ van dieren tekenen de dierenbeschermers protest aan. Zij weten zich daarbij gesteund door boeren en bezoekers, die zo hun opportunistische, respectievelijk sentimentele redenen hebben. D.W. van Liere van de Dierenbescherming somt hun bezwaren op. De dieren hebben bijvoorbeeld verwondingen, verblijven in volledig ondergestroomde velden, kampen met een hoge recreatiedruk, verhongeren, verdrinken of vinden de dood in een omrastering of tijdens het werpen. Grote grazers zijn vaak niet goed in staat om natuurlijke omstandigheden het hoofd te bieden. Rundvee en diverse schapenrassen zijn door selectie afhankelijk gemaakt van menselijke zorg. De afhankelijkheid betreft onder andere de hulp bij het werpen van het jong, de voedselkwaliteit, de verzorging van de uiers, de vacht of de klauwen, of de afname van melk.
De overlevingskansen worden niet alleen bepaald door genetische, soort- of rasspecifieke eigenschappen, maar ook door de levenservaringen van het dier. Het welzijn van een rund dat alleen een malse wei en verzorgde stal kent, zal eerder worden bedreigd dan van een rund van hetzelfde ras dat bekend is met allerlei variaties in het terrein. Alles bij elkaar kan dit leiden tot chronische stress, waardoor de kans op ziekte, verwonding of onaangepast gedrag toeneemt. Daar komt nog bij dat ook de situatie in grootschalige terreinen verre van natuurlijk is. De dieren worden in omrasterde gebieden systematisch in hun migratie beperkt; er zijn geen predatoren die zieke dieren uit hun lijden verlossen en vaak ook geen grote aaseters die voor hun snelle 'natuurlijke destructie’ zorgdragen.
JAN GRIEKSPOOR, faunabeheerder in de Oostvaardersplassen, lijkt niet wakker te liggen van deze kritiek. In 1983 werden in zijn gebied 34 Heckrunderen uitgezet, een jaar later 20 konikpaarden. In 1992 kwamen daar nog eens 56 edelherten bij. Inmiddels hebben ze zich stevig voortgeplant en telt het terrein zo'n 450 Heckrunderen, 300 konikpaarden en tussen de 200 en 250 edelherten. Bovendien heeft een aantal reeën zich er spontaan gevestigd, en denkt men momenteel na over het uitzetten van elanden. Doel van het beleid is het ontwikkelen en beheren van de Oostvaardersplassen als een samenhangend moerasecosysteem waarin natuurlijke processen zich zoveel mogelijk ongestoord kunnen afspelen. Daarbij moet het gebied tevens als habitat voor internationaal rijke soorten als lepelaars, reigers, steltlopers en ganzen behouden blijven.
Vergeleken met de van oorsprong in het wild levende edelherten en reeën doen de uit natuurparken en dierentuinen afkomstige Heckrunderen en konikpaarden het volgens Griekspoor prima. Hij geeft toe dat de Heckrunderen met aanloopproblemen te kampen hadden, maar die zijn inmiddels stapje voor stapje overwonnen. Het is, aldus Griekspoor, gezien de grootschaligheid en onoverzichtelijkheid van het terrein eenvoudig ondoenlijk alle dieren permanent in de gaten te houden. Bovendien is het onwenselijk om bij de eerste de beste sneeuwvlok te gaan bijvoeren, bij wat moeilijker omstandigheden meteen te gaan ontwormen of preventief te gaan inenten tegen allerlei ziekten. Het mag geen kerland worden. Druk op de dieren bevordert dat díe eigenschappen naar boven komen die het best bij het klimaat, het terrein en de voedselsituatie passen. Wanneer je niet aanvaardt dat dieren binnen een bepaald gebied sterven, wanneer je ervoor zorgt dat ze op tijd hun natje en droogje krijgen, ondermijn je hun vermogen tot zelfredzaamheid, planten ze zich ongebreideld voort en ben je gedwongen op een goed moment tot afschieten over te gaan.
Een 'uitval’ van tien tot vijftien procent van de dieren, bijvoorbeeld als gevolg van zeer streng winterweer, wordt dan ook acceptabel gevonden. Maar een 'crash’ waarbij het grootste deel van de kudde het loodje legt, zal men zeker proberen te voorkomen, ook al is zo'n gebeurtenis in de vrije natuur verre van ongewoon. Bovendien wordt een dier waarvan men constateert dat het in nood verkeert, in overleg met een dierenarts uit zijn lijden geholpen, tenminste als het niet meer overeind kan komen, niet meer eet, sociaal niet meer meedoet en zich niet meer kan verdedigen.
DIERENBESCHERMERS vinden deze 'tegemoetkomingen’ in het algemeen onvoldoende. Zij verzetten zich tegen de gedachte dat individuele dieren opgeofferd mogen worden ten behoeve van de soort, de leefgemeenschap of het ecosysteem. Er is dus sprake van een heuse patstelling in de discussie tussen voor- en tegenstanders van herintroductie. Kan de milieu-ethiek hierin wellicht verandering brengen? Dat lijkt op het eerste gezicht niet erg waarschijnlijk, want ook de milieu-ethiek is sinds haar opkomst verdeeld in twee kampen: het kamp der dier-ethici, die er een individualistische visie op na houden, en het kamp der eco-ethici, die van een holistische visie uitgaan.
Van het bestaan van de scherpe tegenstelling tussen individualisten en holisten is men zich pas vanaf plusminus 1980 ten volle bewust. Daarvóór heerste de verwachting dat een adequate milieu-ethiek zich vanzelf zou ontwikkelen in het verlengde van de dier-ethiek. Immers, zowel in de dierenbevrijdingstheorie van Peter Singer als in de dierenrechtentheorie van Tom Regan werd de traditionele moraal vanwege zijn antropocentrische uitgangspunten als 'chauvinistisch’ en 'speciesistisch’ terzijde geschoven. Toen de mens eenmaal van zijn exclusieve voetstuk was gestoten, achtte men de tijd rijp voor een morele rehabilitatie van de rest van de levende natuur. Nog in 1983 betoogde Regan dat zijn individualistisch georiënteerde 'rights-based view’ volledig aan de wensen van de natuurbeschermers tegemoet zou komen. Immers, 'wanneer we gepast respect tonen voor de rechten van de individuen die samen de biotische gemeenschap vormen, zou die gemeenschap dan ook niet beschermd worden?’
Deze retorische vraag was gericht aan het adres van Baird Callicot, die het morele credo huldigt dat iets goed is 'wanneer het bijdraagt aan de integriteit, stabiliteit en schoonheid van de biotische gemeenschap’. In 1980 had Callicot in een uiterst polemisch artikel de poging van de dier-ethici om een brug te slaan naar de milieu-ethiek als illusoir van de hand gewezen. Zij richten, aldus Callicot, hun aandacht uitsluitend op gedomesticeerde dieren. Ten onrechte, want deze dieren zijn menselijke voortbrengselen, levende artefacten, die een even grote of nog grotere bedreiging voor de natuur vormen dan een vloot 'four-wheel-drive off-road vehicles’.
Op deze aanval reageerde Regan in 1983 in zijn bekende boek The Case for Animal Rights met het verwijt dat Callicot zich schuldig maakte aan 'environmental fascism’ voor zover hij de rechten van individuen ondergeschikt maakte aan de vermeende belangen van het grotere geheel waarvan ze een integraal deel vormen. 'Environmental fascism and the rights view are like oil and water’, constateerde Regan, 'they don’t mix’. En één jaar later karakteriseerde Mark Sagoff, een medestander van Callicot, de relatie tussen dier- en eco-ethiek als 'Bad Marriage, Quick Divorce’. Het gaat natuurbeschermers allereerst om het behouden van natuurlijke processen, aldus Sagoff, en processen als natuurlijke selectie betuigen nu eenmaal weinig respect aan de 'rechten’ van individuele dieren.
MET DEZE slagenwisseling leek de milieu-ethiek af te stevenen op een definitieve scheiding der geesten. Maar enkele jaren later ondernam Callicot een poging om het gestrande huwelijk te redden en bood hij de dier-ethici in zijn artikel 'Animal Liberation and Environmental Ethics: Back Together Again’ een 'olijftak’ aan.
In dit artikel onderscheidt Callicot verschillende gemeenschappen die als concentrische cirkels om elkaar heen liggen: de gemeenschap van mensen, de gemengde gemeenschap van mensen en ceerde dieren, en tenslotte de wijdere biotische gemeenschap die ook wilde dieren omvat. Deze verschillende gemeenschappen zijn in moreel opzicht hiërarchisch geordend: verplichtingen ten opzichte van de gemeenschap van mensen genieten de voorrang; dan volgen de verplichtingen ten opzichte van de gemengde gemeenschap, en ten slotte die ten opzichte van de biotische gemeenschap. Zo'n hiërarchische ordening maakt het volgens Callicot mogelijk om morele aanspraken tegen elkaar af te wegen en conflicten op systematische wijze op te lossen.
Maar een dergelijke hiërarchische ordening dreigt de deur open te zetten voor de terugkeer van de traditionele antropocentrische ethiek. Om deze voor de hand liggende tegenwerping te ontkrachten stelt Callicot dat de nieuwere verplichtingen die uit de grotere gemeenschap voortvloeien repercussies moeten hebben voor de oudere verplichtingen uit de engere gemeenschap. Men kan zijn kind wel degelijk het plezier van een trip naar Disneyland ontzeggen of het met minder kerstcadeautjes bedelen als dat ertoe bijdraagt dat de hongersnood elders wordt gelenigd. Evenzeer kan men zichzelf of kan men de dieren uit de gemengde gemeenschap bepaalde beperkingen opleggen in het belang van het ecologische geheel. 'Melkvee kan bijvoorbeeld zeer destructief zijn voor bepaalde plantengemeenschappen en moet hiervan weggehouden worden wanneer andere weidegronden beschikbaar zijn - ongeacht de eigen voorkeuren van het vee en de economische belangen van de veehouders’.
Met deze clausule probeert Callicot de deur naar het antropocentrisme weer dicht te gooien, maar doet hij tegelijk afbreuk aan het idee van een hiërarchische ordening waarmee conflicten op systematische wijze zouden kunnen worden opgelost. De vraag hoe verschillende morele claims in concreto tegen elkaar kunnen worden afgewogen, blijft onbeantwoord.
DEZE VERLEGENHEID kenmerkt ook de poging van filosofen als Holmes Rolston en Wouter Achterberg om tot een synthese van individualistische en holistische benaderingen te komen door zowel aan individuen als aan aggregaties van individuen een intrinsieke waarde toe te kennen. Deze poging geeft nog altijd geen antwoord op de vraag hoe men met morele conflicten moet omgaan. We zullen, stelt Achterberg, deze conflicten moeten oplossen door het best mogelijke systeem van prioriteiten uit te werken. Maar hoe moet dat dan en kan dat wel? De gedachte dat je een systeem van prioriteiten kunt ontwerpen, veronderstelt dat je over één maatstaf beschikt waaraan je het relatieve gewicht van de verschillende morele claims kunt afmeten. Maar is het, gezien het verschil tussen individuen, soorten, gemeenschappen en ecosystemen, überhaupt wel mogelijk om conflicterende aanspraken tegen elkaar af te wegen en ondubbelzinnig in te schalen?
De gedachte dat er één maatstaf bestaat getuigt van het monistische karakter van de heersende milieu-ethiek. Ze deelt dit monisme met de traditionele ethiek, waarvan zij juist afstand wil nemen. Dat het morele monisme binnen de traditionele ethiek zo weinig discussie heeft opgeroepen, hangt samen met haar onderwerp: personen en hun onderlinge relaties. Problematisch wordt een dergelijk monisme op het moment dat allerlei exotische entiteiten de morele arena betreden: toekomstige generaties, doden, embryo’s, dieren, bomen, rotsen, robots et cetera. Het antwoord van het gros der milieu-ethici op deze uitdaging luidt 'moreel extensionisme’: men rekt het traditionele raamwerk zo ver op dat het behalve personen en hun relaties ook dergelijke exotische entiteiten omvat.
CHRISTOPHER STONE noemt dit morele extensionisme 'geforceerd’ en pleit er in zijn Earth and Other Ethics uit 1987 voor om de nieuwe uitdaging het hoofd te bieden door het morele monisme in te ruilen voor een moreel pluralisme. Hij weigert te aanvaarden dat alle morele activiteiten in alle contexten onderworpen zijn aan een enkel overkoepelend principe 'of samenstel van principes’, zoals Kants categorische imperatief, Benthams 'greatest good for the greatest number’ of Callicots 'integrity, stability and beauty of the biotic community’. Stone neemt afscheid van extensionistische metaforen zoals Singers beeld van de uitdijende cirkel of Callicots beeld van de jaarringen van een boom. In plaats daarvan introduceert hij de metafoor van de kaart. Zoals je van een bepaald gebied een aantal empirische kaarten kunt maken, bijvoorbeeld topografische, geologische of sociaal-geografische kaarten, zo kun je van datzelfde gebied ook een aantal ethische kaarten ontwerpen. Bij een kaart waarop individuele dieren centraal staan, tast je de dieren in een gebied af op eigenschappen als bewustzijn, intelligentie, begrip van de situatie en vermogen tot lijden. Bij een kaart voor soorten speur je naar zaken als broed- en paargedrag, omvang van de populatie en genetische variabiliteit. Bij een kaart voor ecosystemen gaat het om kwesties als zeldzaamheid, stabiliteit, persistentie en energiestromen.
Om tot een volledig overzicht van de ethische situatie in een bepaald gebied te komen, moeten deze kaarten over elkaar heen worden gelegd. Dat heeft het voordeel dat alle moreel relevante claims op voet van gelijkheid worden behandeld en doet men dus recht aan het bestaande pluralisme van opvattingen en overtuigingen. Keerzijde van de medaille is dat zo'n ethische kartering geen handvatten biedt voor een duidelijke prioriteitsstelling. Ze kan alleen maar de blik scherpen voor de morele complexiteit en gelaagdheid van de problemen en onder de betrokkenen de nodige sensibiliteit aankweken voor de precaire afwegingen waar zij voor staan. Maar dat is al heel wat. Meer mag je van een ethische theorie misschien ook niet verwachten.
Welke beslissingen in concreto worden genomen, blijft in laatste instantie een zaak van politieke strijd. Maar die strijd kan door de ethische kartering wel in moreel en maatschappelijk aanvaardbare banen worden geleid. Zo'n project dwingt dierenbeschermers en natuurontwikkelaars om met elkaar aan tafel te gaan zitten en zich serieus in elkaars standpunten te verdiepen. Dat vergroot de kans dat er een eerlijke balans wordt opgemaakt van de morele kosten en baten die verbonden zijn met het streven naar individueel welzijn enerzijds en het opnieuw ruim baan geven aan natuurlijke processen anderzijds.