Het proces-Wilders

De rechter moet het karwei opknappen

Juristen strijden onderling over de status van de strafzaak tegen Geert Wilders. ‘Het is de hoogste tijd dat de rechter de ondergrens van de vrijheid van meningsuiting vaststelt.’

Medium wilders

PVV-LEIDER GEERT WILDERS trekt al jaren een wissel op de samenleving. Politici weten zich in het parlement geen raad met hun collega, media worstelen over de juiste strategie en wetenschappers vliegen elkaar in de haren over de islam en de waarden van de rechtsstaat. Te midden van deze morele, politieke en electorale verwarring tart Wilders voortdurend de grenzen van de democratie. Scheert hij erlangs of gaat hij er dwars overheen?
Deze vraag staat centraal in de strafzaak die vorige week begon en op 3 februari wordt vervolgd. Tijdens de rechtsgang vindt een juridische toetsing plaats van zijn uitlatingen in diverse media over moslims en hun geloof en van de beeldvorming in de film Fitna. Tevens wordt Wilders aangeklaagd wegens zijn vergelijkingen van de islam met het nazisme (zoals de koran gelijkstellen aan Mein Kampf). Op basis hiervan wordt hem groepsbelediging, laster, haatzaaien en discriminatie ten laste gelegd. Dat zal stap voor stap door het Openbaar Ministerie naar voren worden gebracht en worden becommentarieerd door de ‘verdachte’. Het hof concludeert in zijn beschikking dat 'de wijze waarop het maatschappelijk debat verloopt over controversiële kwesties, zoals de immigratie- en integratiepolitiek, weliswaar in principe niet tot het terrein van het recht behoort, maar dat dit anders wordt als fundamentele grenzen worden overschreden. Dan komt ook het strafrecht in beeld’. Wát de uitspraak zal zijn is nu nog totaal ongewis. Het hof benadrukt 'dat zijn oordeel in die zin een voorlopig karakter draagt, dat Wilders in deze beklagprocedure niet is veroordeeld. Het is uiteindelijk aan de later oordelende strafrechter om in een openbaar strafproces de vraag te beantwoorden of er ruimte is voor een veroordeling en, zo ja, in welke mate.’
Over de status van het proces, bevolen door het Amsterdamse gerechtshof, is inmiddels net zoveel onenigheid gerezen als over de politicus zelf. De rechters zouden zich mengen in een politiek debat, waarmee de grondslag van de scheiding der machten onder druk komt te staan. Het zou een niet-onafhankelijk proces zijn met een vooringenomen beschikking die zich laat lezen als een reeds geveld vonnis. Ex-SP-leider Jan Marijnissen stelt op zijn blog: 'Wilders’ opvattingen moeten worden bestreden in de Kamer, in de kantine, op school, op het werk, maar niet in de rechtszaal.’ Moslimfeministe Nahed Selim schrijft in een artikel in NRC Handelsblad: 'De huidige heksenjacht op islamcritici verzwakt hun positie en versterkt het behoudende kamp en de moslimfundamentalisten. Tel uit je winst.’ En vooruitlopend op het definitieve oordeel wordt driftig gespeculeerd dat de beklaagde per definitie garen spint bij iedere uitslag. Alle ogen zijn bovendien wéér gericht op Wilders. Maar met al die veronderstellingen geven de voor- en tegenstanders van de rechtszaak dit proces bij voorbaat een politieke lading. Ook juristen doen daaraan mee. Zij strijden onderling in de vakbladen hard tegen hard over de juridische juistheid van het proces. Bij hun argumenten zijn de motieven niet altijd neutraal, terwijl dat wel zou moeten. Want sec gesteld dient deze strafzaak om de betekenis van de artikelen in het Wetboek van Strafrecht te verduidelijken.

EEN RECHTERLIJK BEVEL om een Kamerlid aan te klagen is in de Nederlandse geschiedenis zelden voorgekomen. Een bekend geval was de vervolging van Centrumpartij-leider Janmaat in 1986. Nu is er meer aanleiding voor een rechtsgang dan toen, en het verbaast veel juristen dat een strafzaak tegen Wilders zo lang op zich heeft laten wachten. 'Het is de hoogste tijd dat de rechter de ondergrens van de vrijheid van meningsuiting gaat vaststellen. Wilders heeft in het publieke domein veel te lang kunnen doorsudderen. Hoewel strafrecht een uiterst middel is, is het soms een juist middel om het bestaan van een benedengrens te markeren en te handhaven. Het hof heeft in zijn beschikking deze lijn willen trekken, en volgt nauwgezet de door het Europese Hof ontwikkelde normen’, stelt Egbert Dommering, hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. 'Als de politiek niet in staat is om inhoudelijk weerwoord aan extremisme te bieden, dan gaat de rechtelijke macht dus niet op de stoel van de politiek zitten. De staat heeft een positieve verplichting om discriminatie en haatzaaien tegen te gaan. Juist omdat de politiek niets doet, moet de rechter het karwei opknappen. Koel en zakelijk zal er worden getoetst en dat is heel nuttig.’
In de kern gaat het proces volgens hem om Wilders’ positie als parlementariër in de Kamer en tegelijk om diens bijzondere verantwoordelijkheid als politicus in het publieke domein. 'Kamerleden genieten strafrechtelijke immuniteit voor hun uitspraken in de vergaderingen van de Staten-Generaal. In de Kamer mag Wilders alles zeggen, niemand kan hem voor zijn uitspraken dagen. Dat is een groot en sterk recht. Hij wordt dus niet, zoals hij vaak roept, als parlementariër de mond gesnoerd. Vandaar ook dat bijvoorbeeld kopvoddentax niet in de beschikking staat - hij mag dat in de Kamer zeggen. In tegenstelling tot sommige andere landen, zoals België, hebben politici echter daarbuiten, in het publieke debat, geen onschendbaarheid. Daar geldt voor iedereen de vrijheid van meningsuiting. Een openbaar debat mag scherp en schokkend zijn, maar politici hebben vanuit hun functie ook een bijzondere verantwoordelijkheid om als rolmodel de waarden van de democratie, zoals tolerantie en het gelijkheidsbeginsel, uit te dragen en te verdedigen. Wilders schendt dat in die hoedanigheid voortdurend.’ In de beschikking staan derhalve geen uitspraken die Wilders heeft geuit in de Kamer, maar wel zijn vele uitlatingen die hij in de media deed. Opgesomd tonen ze een eenzijdige, hermetische, repeterende inhoud en toon. Met name de parallellen die hij trekt met het nazi-verleden worden beschouwd als laster, hoewel dat per definitie getuigt van een morele zwakte, een beperkte vocabulaire en een gebrek aan historisch besef. Dit onvermogen geldt wél als een ernstig delict. 'Wilders zegt dat hij zich aan de wet houdt en staat voor echte vrijheid. Hij stelt dat het hem gaat om de islam, als politieke ideologie, en niet om de moslims. Maar hij beweert ondertussen dat mensen die de islam belijden van hun geloof moeten vallen omdat ze anders gevaarlijk zijn. Nieuwe moslimmigranten moeten worden geweerd, en de in ons land aanwezige gelovigen en de uitingen van hun geloof moeten worden teruggedrongen. Dat komt neer op het aankweken van vooroordelen en haatgevoelens en de uitsluiting van moslims. Haatzaaien moet je natuurlijk altijd in de context bekijken, maar je hoeft het niet te bewijzen op basis van concrete daden.’
Voor Dommering is de straf niet relevant, maar wel dat er een uitspraak komt. 'Het gaat om een normatief oordeel, vooral ook naar de beschadigde partij toe. Belangrijk is dat er een relatie wordt gelegd tussen zijn uitlatingen en het effect. Het zal een afweging zijn tussen de fundamentele waarden van onze rechtsstaat: de vrijheid van meningsuiting, de onschendbaarheid van parlementariërs om vrij en open maatschappelijke problemen te benoemen en de rechten van burgers om beschermd te worden tegen belediging en discriminatie. Mijn inschatting is dat de uitslag zal zijn dat hij zich voorzichtiger moet uitlaten. Dat is hoe dan ook winst, maar geen overwinning.’
Hij wijst op een vergelijkbaar proces in België: de zaak-Féret. Tegen de parlementariër Daniel Féret van het Waals Front National sleepte jarenlang een aanklacht vanwege zijn discriminerende en geloofs- en rassenhaatpropagerende uitlatingen in het openbaar en ook vanwege diens partijprogramma dat zich keerde tegen de islamisering van België. Hoewel een politicus in België ook onschendbaarheid buiten het parlement geniet, werd hij uiteindelijk veroordeeld en legde het hof, zich mede beroepend op het Europese Hof, hem in 2009 een taakstraf op van 250 werkuren, 'te vervullen in de sector die zich bezighoudt met de integratie van buitenlanders’. Ook mocht hij zich tien jaar niet verkiesbaar stellen, omdat het delict een aantasting was van de democratische waarden. 'Ik vond de straf te hoog. Het gaat mij bij die zaak vooral om de kwestie dat wij in Europa, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, ervoor hebben gekozen om discriminatie en haatzaaien juridisch te bestrijden’, zegt Dommering.
'Het recht is de bodem van beschaving, en de rechtspraak stelt de kaders voor de vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid’, zegt J. Th. Degenkamp, emeritus hoogleraar rechtswetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen. 'Recht is geen absolute logica, het is de voortdurende uitkomst van een maatschappelijke discussie over wat moet, mag en kan. De morele, politieke en juridische sfeer overlappen elkaar. In het proces-Wilders is dat aan de hand, ook omdat hij dat zelf door elkaar laat lopen. Ik zie het proces als een kans om zaken helder te positioneren. Gezien het geldende recht is het duidelijk dat hij discrimineert. Haatzaaien en beledigen van een groep is juridisch moeilijker hard te maken. Vorig jaar deed de Hoge Raad een uitspraak die erop neerkomt dat kritiek op een godsdienst wel mag, maar dat het nodeloos krenken van een groep omdat die een bepaald geloof aanhangt niet mag. Wilders handelt daar in zijn woorden bewust naar. Wat het lastig maakt is dat de islam geen scheiding van kerk en staat kent, en in de beleving de grens tussen geloof en politiek niet stelt. Ik vind dat hij een schuldigverklaring zonder strafoplegging moet krijgen. Hij wordt immers ironisch genoeg al jaren gestraft omdat hij onder strenge beveiliging in “een cel” leeft. Daarom moeten mensen die hem bedreigen óók juridisch keihard aangepakt worden.’ Dat gebeurde onder meer een jaar geleden in de strafzaak tegen de Rotterdamse rapper Mo$heb die in een tekst Geert Wilders direct met de dood bedreigde ('Het is bam bam als ik Wilders tegenkom’ en 'Als ik begin vraag ik om stilte, om een aanslag te plegen op Geert Wilders, en dat in woorden’). De rechter maakte geen onderscheid tussen zeggen en doen en nam geen genoegen met de verdediging dat het 'artistieke vrijheid en ironie’ was. De rapper kreeg een taakstraf van tachtig uur.
Maar, meent Degenkamp, het justitieel beleid is niet consequent. Tegen radicale imams die ongezouten discriminerende en haatzaaiende uitspraken doen over ongelovigen, afvalligen, homoseksuelen en onzedelijke vrouwen wordt volgens hem veel te soft opgetreden. 'En dat ondermijnt het rechtsgevoel in de samenleving net zo goed als een politicus die zijn gang kan gaan. De vrijheid van meningsuiting is begrensd en dat markeert het beschavingsniveau van de maatschappij. De politieke, de juridische en de morele ordes zijn er omdat we daarin geloven en ernaar streven om ze te bewaken. Soms moet dat onder dwang. In het geval van Wilders alleen taalkundig.’

Beeld: Guido Benschop