De rechter, zijn vrouw, haar minnaar

Medium gettyimages 567067495
‘De titanen waren weg. Zij hadden hun laatste strijd gestreden’ © Popperfoto / Getty Images

Wat maakt een mensenleven? Hoe kijk je erop terug? James Salter, van 1925, schreef eens dat het leven is alsof je uit een rijdende trein naar buiten kijkt, veel ruis, veel beelden die je niet helemaal registreert, en dan af en toe iets waar je oog aan blijft hangen. Maar als je te lang naar dat ene blijft kijken, mis je weer zoveel anders. Vanuit dat oogpunt schreef Salter een heel oeuvre, waarin het leven gejaagd, ongrijpbaar vlug, door de handen van zijn personages glipt.

Om in de treinmetafoor te blijven zou je kunnen zeggen dat Jane Gardam, van 1928, het leven opvoert als de locomotief; die maakt de meters voorop, die heeft de kracht, alle latere wagons kunnen niet anders dan volgen.

Met het zojuist verschenen Laatste vrienden completeert Gardam haar trilogie die ze vorig jaar met Een onberispelijke man en Een trouwe vrouw begon. Alle drie de boeken volgen een leven van de wieg tot het graf, waarbij er in de eerste levensjaren steeds een gat wordt geslagen dat in de decennia daarna nooit volledig gevuld kan worden. Het eenzaamste is de propere, keurige, correcte rechter Edward Feathers, de titelheld uit het eerste deel, die opgroeit in de toenmalige Britse kolonie Maleisië, maar door zijn vader naar Groot-Brittannië wordt gestuurd als hij eenmaal van schoolgaande leeftijd is. Een ‘wees van Raj’, zoals dat heette, vernoemd naar de Engelse kroon in Azië. Het opent een verdriet in hem dat ervoor zorgt dat hij zich niet durft bloot te geven, niet durft te binden, en als hij dan eenmaal toch Betty vindt, en haar hand vraagt, laat hij haar beloven dat ze hem nooit in de steek zal laten. Betty dan, de trouwe vrouw van deel twee, heeft haar ouders op jonge leeftijd verloren, en vindt bij Feathers de huis, haard en geborgenheid die ze zoekt – al is die geborgenheid kalm, rationeel. Haar passie ontlaadt ze, eenmalig, bij de beroepsconcurrent van haar echtgenoot, de ‘sjofele’ Terry Veneering. Betty verlaat Feathers niet, ze houdt haar belofte, al krijgt de lezer daarmee wel het beeld van een vrouw die haar lust en liefde wegdrukt, om maar niet aan haar angst blootgesteld te worden.

Gardam schrijft alsof ze over de oppervlakte schaatst, maar net genoeg de diepte onder het dunne ijs laat zien

Je doet Jane Gardam onherroepelijk te kort door haar boeken zo psychologiserend samen te vatten. Ze schrijft zelden freudiaans analyserend. Haar romans zijn geschreven in een schijnbaar moeiteloos lichte stijl, ze springt door de tijd, vat hele levens in een bijzin samen, alsof ze over de oppervlakte schaatst, maar net genoeg de diepte onder het dunne ijs laat zien.

Laatste vrienden laat weer een nieuwe kant zien van de driehoek. Eerste zinnen: ‘De titanen waren weg. Zij hadden hun laatste strijd gestreden. Sir Edward Feathers, liefdevol “Filth” bijgenaamd (Failed in London, Try Hong Kong), en Sir Terence Veneering, de twee grootste coryfeeën van het Engelse en internationale bouwrecht en dé huidige experts op het gebied van milieu-ethiek, waren dood. Hun harnas was vrijwel zonder gekletter van hen afgevallen en het rustige dorpje in Dorset waar ze beiden, met een paar jaar tussentijd, na hun pensioen waren gaan wonen (bij toeval, want ze hadden elkaar meer dan vijftig jaar gehaat) rouwde om hun heengaan en vroeg zich af wie er voornaam genoeg zou zijn om hun huizen te kopen.’

De ironie is dat als de gepensioneerde Veneering schuin achter Feather komt wonen – na Betty’s overlijden – de twee veel beter met elkaar opschieten dan ze ooit dachten. Ze vermijden te persoonlijke gesprekken, maar schaken geregeld samen, met een goed glas. De nog pijnlijker ironie die in Laatste vrienden naar voren komt, is dat Veneering na al die jaren veel meer van Betty houdt dan Feathers.

In hun jongere jaren verweet Feathers – zoon van een hoge ambtenaar, pupil op kostscholen en student aan topuniversiteiten – Veneering altijd een zekere sjofelheid die hij herkende maar niet kon uitleggen. Nu komt dan de aap uit de mouw. Veneering was de zoon van een acrobaat uit Odessa – Venski of Venetski, daar waren de papieren niet duidelijk over – die van de trapeze viel, achterbleef in Oost-Engeland en zijn verpleegster zwanger maakte. Zo groeide hij arm en amper opgeleid op, met twee talen die hij krakkemikkig sprak. Toen de oorlog uitbrak zou Veneering op een kindertransport naar Canada worden geplaatst, maar zonder zelf te kunnen uitleggen waarom rende hij vlak voor vertrek van de loopplank af (het schip zou door Duitse U-boten worden getorpedeerd) en zo belandde hij tijdens de oorlogsjaren op een fatsoenlijke kostschool – dezelfde als Feathers – wat hem uiteindelijk richting de universiteit en zo richting de rechtspraak bracht.

Welke psychologische duiding kun je op Veneering loslaten? Hij is een man die zich nergens echt gewenst voelt, niet thuis, of op school, niet in zijn eerste advocatenpraktijk. Hij schuift noodgedwongen steeds bij andere mensen aan, zoals zijn grootste liefde uiteindelijk op de eerste plaats al de liefde van iemand anders is. Los van Betty krijgt hij een eigen gezin, maar het kost hem te veel moeite dat op te eisen. Hij laat het op z’n beloop, alsof de zorg niet aan hem is, alsof alles uitsluitend zijn beloop moet hebben, en de uitkomst vooraf al bepaald is. Maar dat past dus precies bij de tragische helden en heldinnen van Gardam.