Wat radicalisten links en rechts bindt

De rechterflank van de beweging

Het rechtse antiglobalisme is de laatste jaren in opkomst. «De beweging» toont ondertussen een groot gebrek aan analytisch vermogen. «Er heerst een overmaat aan onzorgvuldig denken, met name over economische alternatieven. Het verketteren van het kapitaal zoals dat nu gebeurt is contraproductief.»

Niet alleen de wereldpers staat er sinds zondag bol van, ook de websites en nieuwsbrieven van alternatieve vakbonden, radicale groeperingen en milieuorganisaties verkondigen het met onmiskenbare trots: in Evian-les-Bains heeft de antiglobaliseringsbeweging voor het eerst sinds 11 september 2001 overtuigend «teruggeslagen».

Op sommige plaatsen gebeurde dat letterlijk. De revolutionaire verbeelding van een anarchistische minderheid, door de politie aangeduid met «ultra’s» of de geuzennaam «Zwart Blok», gaat kennelijk nog altijd niet verder dan het verbranden van vlaggen en het slopen van winkels en tankstations. Het effect is bekend van vorige gelegenheden. De media duiken er bovenop, de journaalopeningen en de foto’s op de voorpagina’s van alle grote kranten zijn voor de duur van twee, drie dagen gegarandeerd. Tegengeweld is nu eenmaal de makkelijkste manier om aandacht te trekken in een wereldorde die berust op geweld, enerzijds in de vorm van de periodieke sloop van middelgrote landen (Servië, Irak, Kongo), anderzijds in de vorm van een sluipende maar daarom niet minder wrede verpaupering van veel andere landen.

De vreedzame meerderheid, vertegenwoordigd door tienduizenden activisten die met minder kabaal en des te meer constructieve ideeën rond Evian bijeenkwamen, is vooral opgelucht. Na de aanslagen in New York en Washington maakte de beweging bange maanden door, maar de meeste organisaties zijn uiteindelijk niet gecriminaliseerd of uiteengeslagen door de repressie die erop volgde. Door de associatie van de antiglobaliseringsbeweging met terrorisme (een verband dat de Spaanse premier zelfs formeel wilde laten vastleggen in het Europese antiterreurbeleid) dreigden de protesten evenzeer in diskrediet te raken als de term «antiglobalisme». Die wordt dan ook in steeds meer teksten vervangen door «alternatief globalisme» of «andersglobalisme», gebrekkige vertalingen van het Franse «altermondialisme», dat onmiskenbaar herinneringen oproept aan het «tiersmondisme» van Frantz Fanon en Jean-Paul Sartre.

Daarmee is het fundamentele probleem van de beweging — het gemis van een gezamenlijk programma voor een alternatieve wereldorde — niet opgelost. In het slothoofdstuk van haar boek No Logo schrijft Naomi Klein veelzeggende woorden over een protestbijeenkomst in Davos: «‹We zijn hier om aan te tonen dat een andere wereld mogelijk is!› zei de man op het podium en meer dan tienduizend mensen juichten hem geestdriftig toe. Het vreemde was dat we niet juichten voor een specifieke andere wereld, maar alleen voor de mogelijkheid van zo’n wereld. We juichten de gedachte toe dat een andere wereld in theorie denkbaar was.» Aan concurrerende programmapunten is geen tekort. Veel groeperingen hebben concrete opvattingen over een «andere wereld» en brengen die in eigen land of kring in praktijk, maar door hun gebrek aan overeenstemming overheerst bij de tophoppers onvermijdelijk het collectieve vijandbeeld.

De terugval op het vijandbeeld verklaart waarom de alternatieve topontmoetingen zo makkelijk ontaarden in een antikapitalistisch feestje op kosten van plaatselijke middenstanders en ordebewakers. «Het is niet de beste manier om je standpunt naar voren te brengen», zegt een lid van de Britse actiegroep Resistance in The Guardian, «al kan ik billijken dat sommige mensen de symbolen van kapitalistische macht willen aanvallen.» De Belgische journalist en auteur Dirk Barrez, die de beweging van begin af aan intensief heeft gevolgd en er persoonlijk bij betrokken is, betreurt het gemak waarmee deelnemers zich overgeven aan dit vijanddenken. Barrez: «Het analytisch gebrek van de beweging is levensgroot. Er heerst een overmaat aan onzorgvuldig denken, met name over economische alternatieven. Net als de meeste deelnemers vind ik een herverdeling van de welvaart in de wereld noodzakelijk, maar die welvaart moet verdiend worden. Dat moet gebeuren door particuliere bedrijven, als je tenminste niet wilt terugvallen op oude Oostblokpraktijken. Dus moet je bewust een rol wegleggen voor ondernemers. Dat is niet in tegenspraak met het zoeken naar alternatieven zoals mede-eigenaarschap van werknemers, coöperatieve samenwerking en andere democratische organisatievormen. Maar het verketteren van het kapitaal zoals dat nu gebeurt is contraproductief.»

Daarin staan de extremisten van het Zwart Blok helaas niet alleen. Ook conservatieve en extreem rechtse groeperingen in de hele wereld onderschrijven het collectieve vijandbeeld van het «grootkapitaal». Zij zien daarin geen obstakel op weg naar een rechtvaardiger wereld, maar een vijand van de eeuwige waarden en nationale tradities die zij willen verdedigen. Extreem rechts is nog niet fysiek doorgedrongen in de beweging en zal daar vermoedelijk niet gauw in slagen. Toen Tsjechische skinheads in 2000 wilden deelnemen aan de antiglobalistische demonstraties tijdens de topontmoeting in Praag werden zij (o, ironie) door Duitse antifascisten de stad uitgejaagd.

Niettemin is het rechtse antiglobalisme de laatste jaren in opkomst. Het kwam vorige week uitvoerig aan de orde op een conferentie op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), gewijd aan de politieke gevolgen van globalisering. In zijn bijdrage stelde de Antwerpse hoogleraar en kenner van extreem rechts Cas Mudde onder meer dat extreem rechtse partijen in Europa het meest profiteren van de globalisering, althans in electorale zin: zij slepen de meeste stemmen van onthechte en buitengesloten bevolkingsgroepen in de wacht. Ook buiten Europa bedienen islamisten, Hindoe-chauvinisten, fundamentalistische christenen, nationalisten en fascisten zich tegenwoordig moeiteloos van het antiglobalistische etiket.

Het was Sebastian Groes, een Nederlandse promovendus aan de universiteit van Norwich, vreemd te moede toen hij in mei van dit jaar met zijn vrouw de Internationale Studentenconferentie van de exclusieve universiteit van Baskent in Turkije bezocht. Het conferentiethema «globalisering» werd bepaald eenzijdig geïnterpreteerd. Groes: «Misschien kwam het doordat de meeste buitenlandse studenten hadden afgezegd in verband met de oorlog in Irak, maar het programma loog er niet om. Ons uitstapje naar het graf van de nationalistische voorman Kemal Atatürk, compleet met kranslegging in militaire stijl waarbij wij ons moesten opstellen in rotten van acht, was regelrechte indoctrinatie. En het werd tijdens de workshops nog erger. Globalisering werd louter verketterd omdat het voor Turken een ‹verlies van identiteit› betekende.

Antiglobalisme ging voor de meeste studenten naadloos over in nationalisme en chauvinisme van het ergste soort. Hun papers gingen over het verlies van identiteit en over hoe de Turken slaven van globalisering werden. Een deelnemer riep blakend van trots: ‹Als je mijn arm opensnijdt, spuit er zuiver Turks bloed uit!› Er werd gescholden op McDonald’s en Hollywood, het Westen als geheel en de blanke man in het bijzonder. Twee weken eerder was er nota bene een McDonald’s in Istanboel opgeblazen. Als deelnemers werden we gastvrij onthaald, maar we voelden ons allerminst op ons gemak. Tijdens de slotsessie gaven tien dichters ieder hun interpretatie van Kiplings The White Man’s Burden. Dat was helemaal geen poëzie, het was pure antiwesterse propaganda. De haat droop ervan af, alsof Kiplings gedicht in het hier en nu speelt, terwijl het dateert uit 1901. We voelden ons persoonlijk aangevallen en hebben ten slotte de zaal verlaten.»

Door het analytisch tekort ligt niet alleen de linkerflank, maar ook de rechterflank van de antiglobaliseringsbeweging wijd open. De Groot-Turkse oorwassing die Groes en zijn vrouw onder het mom van «antiglobalisme» moesten ondergaan, werd jaren geleden voorspeld door de Franse antiracist Harlem Désir: «Als we geen perspectief bieden op een andere politieke globalisering, lopen we een groot risico. Voor veel volken rest dan als enig perspectief de terugkeer naar een eigen ‹identiteit›. Dat is het verband tussen de opkomst van het Front National en Haider en de opkomst van het etnicisme en fundamentalisme in een aantal derde wereldlanden.»

De kwetsbaarheid van de rechterflank werd in ons land geïllustreerd door een opmerkelijk incident. Het jaar 1998 vormde niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Nederland de aanloop naar de roemruchte veldslag in het Amerikaanse Seattle. De kersverse actiegroep «Mai niet gezien» nam het initiatief tot een grootscheeps protest tegen het aanstaande (en inmiddels gerealiseerde) Multilateraal Akkoord over Investeringen.

De actievoerders organiseerden een conferentie «tegen de dictatuur van de vrije markt» en brachten een bundel uit met klinkende links-radicale bijdragen. Dat dachten ze althans. Het voorwoord, getiteld Ontwikkeling als kolonialisme, bleek te zijn geschreven door Edward Goldsmith, een Britse multimiljonair en oprichter of sponsor van nieuw-rechtse organisaties in heel Europa.

Deze flop was aanleiding tot een uitgebreid gewetensonderzoek, want kennelijk had geen van de activisten een doorslaggevend verschil in toon tussen Goldsmiths bijdrage en die van de anderen opgemerkt. Dat is er dan ook niet, en dat is juist zo pijnlijk. De protesten en blokkades die de laatste dagen Evian en omgeving op z’n kop zetten, hebben een voorgeschiedenis die verder teruggaat dan 1999 en «Seattle». In zijn verslag aan de IISG-conferentie stelde Roger Griffin, onderzoeker in Oxford, zelfs dat hedendaagse vertogen over globalisering en antiglobalisering eigenlijk varianten zijn van een lange, antimodernistische Europese traditie die teruggaat tot de negentiende-eeuwse Romantiek en zelfs tot de Renaissance.

Wie de beweging in dit licht beziet, ontdekt dat er van begin af aan een conservatieve component in heeft gezeten. De «battle of Seattle», de stichtingsmythe waarnaar deelnemers van het eerste uur als Naomi Klein verwijzen, was niet zomaar een massaprotest. Het trok zo veel deelnemers (en liep zo gigantisch uit de hand) omdat het samenviel met een nationaal protest tegen de ratificatie van de Noord-Amerikaanse Vrijhandelszone van de VS, Canada en Mexico, waardoor veel Amerikaanse banen verloren dreigden te gaan. De Amerikaanse vakbonden waren in Seattle dan ook prominent vertegenwoordigd, op latere manifestaties niet meer. De daaropvolgende bijeenkomst in het Franse Millau in juni 2000 werd vooral een succes dankzij het lokaalpatriottisme van de Franse boeren, vertegenwoordigd door de radicale hamburgerhater José Bové, die als welkomstgebaar samen met kameraden een plaatselijke McDonald’s, symbool van de Amerikaanse «malbouffe», had gesloopt. De conservatieve wortels van Bové’s opvatting over «voedselsoevereiniteit» zijn duidelijk.

Dirk Barrez relativeert deze kinderziektes, maar erkent wel dat er iets moet gebeuren, omdat rechts anders misschien gaat strijken met de electorale en ideologische winst van de beweging. Barrez: «Extreem nationalisme en fundamentalisme grijpen terug op een onbereikbaar en zelfs onbestaand verleden. Daarom missen ze de verbeelding om oplossingen te bedenken voor de problemen van vandaag. Maar zelf grossieren we ook niet bepaald in realistische oplossingen, daar zit het probleem. En we moeten ons afvragen of de gewelddadige revolutionairen eigenlijk wel bij de beweging horen. Ze respecteren de democratie niet en hun puur negatieve instelling leidt de aandacht af. Ze scheren alle vormen van kapitalisme over één kam, maar er is een groot verschil tussen kapitalisme van het Angelsaksische en van het West-Europese of Rijnlandse model. Dat laatste kan ons inspireren tot een serieuze hervorming van de gehele wereldorde zonder alle marktprincipes af te wijzen.»

Anderzijds heeft Barrez geen bezwaar tegen een democratisch nationalisme dat de mensenrechten en politieke vrijheden respecteert. Van oorsprong chauvinistische organisaties krijgen door hun betrokkenheid bij het antiglobalistische protest bovendien een andere kijk op de wereld en hun eigen plaats daarin. Barrez: «Zelfs de Franse boeren zijn niet per se reactionair. Begin dit jaar was ik in Dakar op een bijeenkomst van tienduizenden Senegalese boeren. Ze werden onder anderen toegesproken door een collega van Bové, Dominique Chardon, algemeen secretaris van de grootste Franse boerenbond FNSEA. Chardon sprak zich onomwonden uit tegen de gesubsidieerde Europese voedseldumping die de Senegalese boeren de das omdoet.»