Essay - Gerechtelijke dwalingen

De rechtsstaat in het geding

Volgens advocaat Geert-Jan Knoops, dankzij wie verdachten in onder andere de Puttense moordzaak en de zaak-Ina Post na onterechte gevangenschap alsnog vrijkwamen, zijn gerechtelijke dwalingen inherent aan het Nederlandse rechtssysteem. Steeds meer wordt het slachtoffer beschermd, in plaats van de dader.

Tussen 1989 en 2012 werden in de Verenigde Staten 1089 veroordeelden vrijgepleit. Sommigen zaten al meer dan twintig jaar in de gevangenis. Ook Nederland kent een aantal spraakmakende zaken waarin de rechter een onjuist oordeel heeft geveld over een verdachte. Tussen 2001 en 2012 heropende de Hoge Raad vijf grote strafzaken omdat er sprake was van een (potentiële) dwaling. In vier van de vijf gevallen had de politie door middel van onjuiste verhoormethoden valse bekentenissen verkregen. In totaal ging het om maar liefst elf ten onrechte veroordeelden. Een van hen had een levenslange vrijheidsstraf gekregen. In een andere zaak (de Zes van Breda) betrof het in totaal zo’n 35 jaar ten onrechte opgelegde gevangenisstraf.

Het is zoals het Canadese Supreme Court in een geruchtmakende uitleveringszaak in 2001 (United States versus Burns) stelde: ‘A fair trial does not always guarantee a safe verdict.’

Een eerlijk proces biedt dus geen garantie voor een juist vonnis, het belangrijkste product van een rechtsstaat. Een strafrechter kan immers alleen een uitspraak doen over het in zijn ogen meest waarschijnlijke scenario in een bepaalde zaak, en dat is niet altijd het juiste scenario. Hij is aangewezen op bewijzen die hem worden voorgelegd, en die bewijzen hebben niet altijd een wiskundige zekerheid. Zelfs dna-bewijs, dat ten onrechte veelal wordt gelijkgeschakeld met ‘daderspoor’, zegt niets over wie de dader is.

De legitimiteit en integriteit van een rechtsstaat worden niet alleen bepaald door het vermogen om burgers te behoeden voor gerechtelijke dwalingen, maar ook door het vermogen om deze dwalingen te herstellen. De vernietigende werking van een veroordeling die op een dwaling berust is vaak onherstelbaar in mentale zin. In recente zaken bleek dat enkele ten onrechte veroordeelden leden aan een posttraumatische stressstoornis, juist doordat zij niet met de gedachte konden leven voor iets te zijn veroordeeld wat zij niet hadden gedaan. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Ina Post, de bejaardenverzorgster die in 1987 ten onrechte werd veroordeeld voor de moord op een bejaarde vrouw. Hoewel zij haar straf inmiddels heeft uitgezeten en ze na heropening van haar zaak in 2010 alsnog werd vrijgesproken, is ze voorgoed getekend.

Uit een studie van de Amerikaanse hoogleraar Brandon Garrett (2011) naar 250 gerechtelijke dwalingen blijkt dat in 76 procent van de gevallen het vonnis was gebaseerd op misidentificatie door ooggetuigen. In 61 procent van de zaken speelden fouten in het forensisch onderzoek een rol. Bij 21 procent was er sprake van valse verklaringen van informanten. De meeste informanten waren medegedetineerden die een onjuiste verklaring aflegden in ruil voor strafvermindering. In zestien procent van de door Garrett onderzochte zaken waren valse bekentenissen van de veroordeelden de oorzaak van de dwaling. Een restcategorie werd gevormd door inadequate rechtsbijstand en wangedrag aan de zijde van de opsporing. In veel gerechtelijke dwalingen droegen meerdere factoren bij aan de dwaling.

Waarom gebruiken rechercheurs en forensisch onderzoekers methoden die, achteraf gezien, kunnen leiden tot onjuiste veroordelingen? In ons rechtssysteem zit een fundamentele weeffout die misschien wel altijd heeft bestaan en die aan de basis ligt van bovenstaande oorzaken van dwalingen.

In een rechtssysteem, ook in het Nederlandse, zijn constituties, wetten en regels niet bedoeld om de overheid meer macht te geven, maar juist om de macht van de overheid in te perken. In de Bill of Rights (1791), de eerste tien amendementen behorend bij de constitutie van de VS, werd als vijfde amendement vastgelegd: ‘No person shall be subject, except in cases of impeachment, to more than one punishment, or one trial for the same office; nor shall be compelled to be a witness against himself; nor be deprived of life, liberty or property without due process of law; nor be obliged to relinquish his property, where it may be necessary for public use, without a just compensation.’

De achtergrond van deze clausule is simpel: bescherm de burger tegen de overheidsmacht. Het continentaal-Europese rechtsdenken heeft evenwel een heel ander uitgangspunt gekregen: bescherm de samenleving tegen de crimineel. Dit geldt in toenemende mate ook voor Nederland. De afgelopen jaren – vooral onder de kabinetten Rutte I en II – heeft de overheid wetstechnische aanpassingen aangebracht die stuk voor stuk worden gelegitimeerd door de notie dat het (straf)rechtssysteem er behoort te zijn om het ‘slachtoffer’ (zonder dat dit begrip juridisch duidelijk is afgebakend) te beschermen tegen de verdachte en zijn (veelal nog te bewijzen) daad.

Voorbeelden zijn de uitbreiding van opsporingsmethoden, de afschaffing van verjaringstermijnen en de sinds kort wettelijk geregelde mogelijkheid om – onder voorwaarden weliswaar – onherroepelijke vrijspraken van burgers alsnog te kunnen heropenen. De intrede in Nederland van het spreekrecht van slachtoffers of hun nabestaanden nog tijdens een lopende strafzaak (waarin de schuldvraag nog niet is uitgekristalliseerd), is een ander voorbeeld. Het lijkt zelfs zo ver te gaan dat een slachtoffer zich kan uitspreken over de gepast geachte straf voor de ‘dader’. Ondanks de recessie wil het huidige kabinet juist meer belastinggeld uitgeven voor rechtsbijstand aan slachtoffers in plaats van rechtsbijstand aan verdachten. Niet objectiveerbare sentimenten kunnen zo de boventoon gaan voeren in het oordeel van de rechter.

Minister Ivo Opstelten van Justitie heeft voorgesteld om verdachten van kinderzedenzaken voortaan te kunnen dwingen het wachtwoord te geven van een versleutelde computer waarop mogelijk kinderporno staat, op straffe van het verhogen van de straf als de verdachte hieraan niet meewerkt, het zogeheten decryptiebevel. Want, zo stelt Opstelten, ‘voor een adequate bestrijding van deze strafbare feiten is het van groot belang dat politie en justitie toegang kunnen krijgen tot versleutelde gegevens’. Het lang gevestigde _nemo tenetur-_beginsel, dat inhoudt dat een verdachte niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling, komt hierbij in het gedrang.

Het behoeft weinig betoog dat dit soort instrumenten van een wetgever op gespannen voet staan met rechtsbeginselen die tot het ‘natuurrecht’ behoren; het recht zou er moeten zijn om de burger te beschermen tegen de staat, en een burger is onschuldig tot het tegendeel is bewezen.

De keuze voor een bepaald model van rechtsdenken in een land, bijvoorbeeld het ‘beperkingsmodel’ of het ‘beschermingsmodel’, is een rechtsfilosofische keuze: hoe zien wij de rol van de overheid in een vrije wereld?

Aan het beperkingsmodel, dat ervan uitgaat dat de macht van de overheid jegens de burger ingeperkt moet worden en dat aan de basis ligt van het Amerikaanse rechtsdenken, ligt een meer fundamentele rechtsfilosofische gedachte ten grondslag, namelijk de _‘social compact’-_theorie. Deze gaat uit van een prepolitieke natuurstaat waarin de mens alleen wordt ‘geregeerd’ door natuurwetten. Zij gaat ervan uit dat de mens vrij is geboren en daardoor natuurlijke rechten met zich meedraagt. Deze natuurrechten (het recht op leven, op vrijheid, op gelijkheid, op levensonderhoud en het recht op het nastreven van geluk) kunnen niet beperkt worden door wetten die de mensheid zelf heeft verzonnen. Met deze natuurrechten worden we geboren; ze zitten in ons en kunnen niet van ons worden afgenomen door andere menselijke krachten.

In het Amerikaanse rechtsdenken vormt het Amerikaanse volk zelf de bron van de macht. De overheid is rechtsfilosofisch geen aparte entiteit. Zij bestaat enkel dankzij diegenen over wie zij regeert: de burgers. Het zijn de burgers die de overheid als entiteit creëren en zij doen dit op grond van een compact, een schriftelijke verklaring die ertoe dient om de natuurrechten van de burger te beschermen. De Bill of Rights is een allesoverheersende wet waaraan de overheid niet superieur is maar juist ondergeschikt.

Dit beginsel stemt overeen met de ideeën van de achttiende-eeuwse filosoof Jean-Jacques Rousseau, die stelde dat de burgers bereid zijn een deel van hun macht in te leveren in ruil voor meer bescherming. De regering moet dan wel de wil van het volk, de ‘volonté générale’ vertegenwoordigen. Zij mag de natuurrechten van de mens niet ombuigen voor eigen politieke doeleinden. Ze mag zich niet tegen de burger keren, zoals met veel nieuwe wetten onder Rutte I en II wel gebeurt.

In het Nederlandse rechtsdenken geniet om politiek-pragmatische redenen niet het beperkingsmodel maar het beschermingsmodel de voorkeur. In dit model staat voorop dat de burger wordt beschermd tegen de crimineel, waarbij de overheid het monopolie heeft over de ‘waarheidsvinding’. Symptomatisch in dit verband is dat de Eerste Kamer op 9 april de Wet Herziening ten Nadele heeft aangenomen. Justitie krijgt hierdoor in bepaalde gevallen (met terugwerkende kracht!) de kans om een burger die onherroepelijk is vrijgesproken voor een levensdelict opnieuw te vervolgen. Een verworven recht op vrijheid kan de burger voortaan alsnog worden ontnomen.

Politieke agenda’s en sentimenten voeren in Nederland de boventoon, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de timing van de invoering van het spreekrecht voor slachtoffers. Dit gebeurde na de kindermisbruikzaak van de Bossche zwemleraar Benno L. en de Amsterdamse zedenzaak. Ook de Wet Herziening ten Nadele vloeide voort uit een dergelijk sentiment. Een overval op een Aldi-supermarkt waarin nieuw, overtuigend dna-bewijs beschikbaar kwam nadat de verdachte was vrijgesproken, stond aan de basis van deze wet.

Waarom is de beperkingsgedachte te prevaleren boven de beschermingsgedachte? Het beperkingsmodel heeft de potentie om het risico op gerechtelijke dwalingen te verkleinen. Het dwingt justitie en politie uit te gaan van een principieel andere rechtsmentaliteit. In een strafzaak staat dan niet het zoeken naar bewijs om de burger (die dan verdachte is) veroordeeld te krijgen centraal, maar de gedachte dat de burger, ook als deze van een ernstig feit wordt verdacht, wel eens onschuldig zou kunnen zijn en dat zijn natuurrechten moeten worden beschermd – tijdens het recherchetraject, maar vooral ook tijdens het strafproces zelf.

In het beperkingsmodel is over het algemeen pas ruimte voor de inbreng van het slachtoffer nádat de verdachte schuldig is bevonden. Een slachtofferverklaring staat op deze manier een zuivere waarheidsvinding niet in de weg.

Ofschoon voorstanders van een dergelijk spreekrecht hier tegenin brengen dat we in Nederland toch een professionele rechterlijke macht hebben die emoties van feiten weet te scheiden, vergeten zij dat het gaat om de objectiviteit van een strafproces, om de beleving van de verdachte burger die vanuit de beklaagdenbank met lede ogen moet toezien hoe veelal hevig geëmotioneerde familieleden van slachtoffers hun verhaal doen, en hoe dit ook rechters raakt. Het is de verdachte burger om wie het strafproces draait en voor wie deze zuiverheid essentieel is.

Ook wijzen voorstanders van het beschermingsmodel erop dat zelfs in het Amerikaanse beperkingsmodel gerechtelijke dwalingen plaatsvinden door valse bekentenissen, wankele ooggetuigenverklaringen, fouten in het forensisch onderzoek et cetera. Zeker, dat gebeurt. Maar het gaat dan om slechts een half tot één procent van het totale aantal strafzaken in de VS.

Een analyse van de Amerikaanse dwalingszaken leert dat het daarin juist mis ging doordat het beperkingsmodel niet adequaat werd toegepast en rechercheurs werkten vanuit een tunnelvisie. Alternatieve scenario’s, die misschien de onschuld van de verdachte burger konden aantonen, werden daardoor niet goed bekeken. De valkuil van deze tunnelvisie dient zich in het beschermingsmodel veel eerder aan.

Terug naar de kern: het beschermingsmodel als potentiële risicofactor voor dwalingen. In de vijf strafzaken die de Hoge Raad tussen 2001 en 2012 heropende en die het predikaat ‘gerechtelijke dwaling’ verdienen, worden de valkuilen van het beschermingsmodel zichtbaar. In al die zaken – de Puttense moordzaak, de Schiedammer parkmoord, de zaak-Lucia de B., de zaak-Ina Post en het proces tegen de Zes van Breda – kwamen de dwalingen tot stand doordat rechercheteams al vroeg in het onderzoek, gevoed door hun eigen overtuiging en niet door de feiten, kozen voor een bepaald scenario (de verdachte moet het gedaan hebben). Zij selecteerden de resultaten van het (forensisch) rechercheonderzoek zodanig dat deze binnen dit voorkeursscenario pasten.

Oud-hoofdcommissaris van politie Jan Blaauw, die de Puttense moordzaak tot in detail onderzocht en voor de heropening van de zaak in 2001 al concludeerde dat hier sprake was van een dwaling, schreef in de derde druk van zijn indrukwekkende boek De Puttense moordzaak (2002): ‘Maar het hof geeft tegelijkertijd aan dat het opsporingsonderzoek vrijwel uitsluitend gericht is geweest op het onderbouwen van de verdenking die tegen de verdachten was gerezen’, waaraan hij toevoegt: ‘Dat laatste, plus de talrijke andere factoren die in het arrest worden opgesomd, heeft alles te maken met het onprofessionele van het opsporingsonderzoek, met name de gebezigde verhoormethode.’ Het hof van Leeuwarden sprak de verdachten Herman Dubois en Wilco Viets alsnog vrij.

Zowel Blaauw als het hof stelde vast dat de recherche in deze dwalingszaak alleen zocht naar ‘bewijs’ dat haar eigen hypothese (‘Dubois en Viets zijn schuldig’) onderbouwde. Voor het eerst werden in Nederland de ogen geopend voor het feit dat meerdere personen tot valse bekentenissen kunnen worden gebracht. Bij de beschermingsgedachte – voortvloeiend uit het inquisitoire model – heeft de overheid het monopolie over de ‘waarheidsvinding’. In het beperkingsmodel is waarheidsvinding iets voor de partijen in het strafproces zelf en niet alleen voor overheid. Zowel de verdediging als de aanklager heeft het recht om eigen onderzoek te doen en getuigen naar de zitting te brengen. De waarheidsvinding vindt geheel op de openbare zitting plaats en heeft een dualistisch karakter. In Nederland moet de burger vooralsnog het onderspit delven tegen de macht van de overheid.

Een keuze voor het beperkingsmodel of het beschermingsmodel is ontegenzeggelijk mede een politieke. Echter, als men met de Amerikaanse hoogleraar Leonard Levy erkent dat ‘the triumph of individual liberty against government power is one of history’s noblest themes, epitomized by the Bill of Rights’, zou ook het continentaal-Europese rechtsdenken verlegd moeten worden naar deze ‘overwinning’.

Dit vereist niet alleen een stilstaan bij de oorzaken van dwalingen in specifieke zaken, zoals de Amerikaanse rechtsgeleerde Brandon Garrett in 2011 deed. Het vereist ook een mentaliteitsverandering bij politie en justitie. Bij uitstek dienen zij de diepere natuurrechtelijke waarden te respecteren waar een rechtssysteem eigenlijk op gestoeld moet zijn. Zo kunnen we voorkomen dat we dezelfde denkfout maken als oud-minister van Justitie Jan Donner in 1929 naar aanleiding van een toenmalige dwalingszaak. Twee veroordeelden voor de moord op een spoorwegwachter in het Zuid-Hollandse Giessen-Nieuwkerk in 1925 werden ruim vier jaar later op grond van grove onvolkomenheden tijdens de strafzaak alsnog vrijgesproken. Donner verzuchtte: ‘Het geval Giessen-Nieuwkerk is een bedroevend uitzonderingsgeval.’

Deze opmerking toont aan hoezeer het beschermingsmodel in ons systeem is ingeslopen, want in feite zei deze minister: als er een verdachte wordt veroordeeld, is dit in 99,99 procent van de gevallen terecht. Anno 2013 kan niet worden volgehouden dat de zaak Giessen-Nieuwkerk in het Nederlandse strafproces een uitzonderingsgeval is geweest.

Laten we teruggaan naar de kernvraag: waar dient een rechtssysteem in essentie voor te staan? Voor het voorkomen van gerechtelijke dwalingen. Waarom? Omdat onterechte veroordelingen een veel fundamentelere aantasting zijn van de natuurrechten van de mens dan het niet horen van een slachtoffer tijdens een strafproces, of het niet hoeven meewerken aan het ontsleutelen van een computer in een kinderzedenzaak.


Geert-Jan Knoops is internationaal strafrechtadvocaat. Hij bracht als eerste belangrijke gerechtelijke dwalingen tot herziening, zoals de Puttense moordzaak en de zaak-Ina Post. Nu werkt hij aan de herziening van de Deventer moordzaak, de Hilversumse showbizzmoord en de zaak-Zes van Breda