Doemdenken! discriminatie! vond de wethouder, die er persoonlijk voor gaat zorgen dat dat over tien jaar veertig procent is. ‘Ik accepteer’, zei Van Leijenhorst ferm, ‘dat deze generatie allochtonen in Nederland niet doorstroomt zoals autochtone Nederlanders.’ Hij richt zich liever op de ‘voorschoolse periode’, waarin hij zodanig aan vierjarige Marokkaantjes gaat sleutelen dat zij niet de achterstand oplopen die hun oudere broertjes en zusjes nu hebben.
Wat er dan met hén moet gebeuren? Welnu, heeft de wethouder bedacht, als dochterlief kan trouwen in de aula van de school en haar ouders daar mogen feestvieren - dat doen allochtonen immers zo graag, feesten - dan komt het allemaal goed met die betrokkenheid. Hij verwacht veel van ‘samenwerking tussen school, straat en thuis’.
Kennelijk is hem ontgaan dat het buurthuis is wegbezuinigd, dat het lesgeven op school ook voor de meest idealistische leraren vakkundig onaantrekkelijk is gemaakt, en dat het lesmateriaal niet deugt omdat aan leermiddelen in Nederland zo belachelijk weinig wordt uitgegeven.
Rector Sjamaar, vindt Van Leijenhorst, is cynisch. En niet realistisch. Het omgekeerde is echter eerder het geval. De rector is de realist, en de wethouder, die een hele generatie wil opgeven, de cynicus.